Hisse (historische serie in 15 x 120 woorden)

Het wordt tijd om op mijn website weer eens teken van (schrijf)leven te geven. Mensen die mij volgen, vragen zich misschien af hoe het intussen met ‘Alya’ staat, mijn eerste ‘volwassen’ historische roman, waarvan ik hier in 2016 al een paar fragmenten plaatste.  Daarover kan ik melden dat er door omstandigheden vertraging is opgetreden in het uitgeefproces (wie weet zelfs een half jaar), maar dat het verder verloopt zoals ik hoopte. De eerste ruwe versie werd door de uitgever (Mozaïek) positief ontvangen. Intussen heb ik het commentaar van de redactrice verwerkt en een tweede versie ingeleverd. In dat proces zijn er van de oorspronkelijke 165.000 woorden al een kleine 20.000 gesneuveld. Dat schijnt bepaald niet uitzonderlijk te zijn. Ik verwacht dan ook dat er in de volgende redactieronde(s) ook nog hier en daar gesneden zal worden.
Uitstel is nooit leuk, maar ik heb geleerd dat het bij meer uitgaven zo verloopt en dat  ik gewoon heel geduldig moet zijn. Ik zie het dan ook van de zonnige kant. Het is best wel bijzonder om op mijn  niet meer ‘zo heel erg piepe leeftijd’ alsnog zo’n mooie uitgeefkans te krijgen. Overigens heb ik die buit beslist nog niet binnen. Dat is pas zo ver als ik alle redactierondes goed doorsta en daarna het definitieve fiat van de uitgever krijg. Ik heb er alle vertrouwen in dat het goedkomt, maar zekerheid is er dus nog niet. 

Na de eerste redactieronde van ‘Alya’ had ik een tijd de handen vrij om weer eens wat korte verhalen te schrijven, ook weer in historische sferen trouwens. Dat leverde vorige maand al vast één leuk resultaat op. Mijn verhaal ‘Umars opdracht’ won de tweede ronde van een historische schrijfwedstrijd voor korte verhalen tot maximaal drieduizend woorden, namelijk ‘Anno Domini 892’ van Godijn Publishing. Dat betekent in ieder geval vast dat het komend najaar in de wedstrijdbundel gepubliceerd wordt. 

Af en toe schrijf ik ook nog altijd ultrakorte verhalen van exact 120 woorden op de website 120w.nl. Deze keer heb ik daar in de loop van enkele weken een feuilleton van 15 opeenvolgende stukjes (jawel, ook nu weer historisch) geplaatst met als titel ‘Hisse’. Het handelt over een Fries meisje dat in de negende eeuw als slavin in het Zweedse Birka belandt en aan haar lot probeert te ontsnappen. Prijzen vallen er met zo’n feuilleton niet te verdienen, maar ik kreeg er wel veel leuke reacties op. Vandaar dat ik hieronder het hele feuilleton van in totaal 15 x 120 = 1800 woorden een plekje geef. 

 

HET SPOOR (HISSE 1)

‘Leif!’ roept Hedda, ‘Je Friese slavin is er met je boog vandoor.’
Hisse? Dat zal ze bezuren. Ik ga meteen achter haar aan.’
‘Het is nog erger dan je denkt. Hisse vertelde mij dat ze een kruis bij het graf van haar broer ging plaatsen.’
‘Bij Odin, dat gaat haar de kop kosten.’
‘Doe niet zo stom, Leif. Een portie zweepslagen is genoeg.’
Leif luistert niet, maar roept Bor. De wolfshond volgt Hisses spoor, staat stil bij het kruis en jankt zachtjes.
Vol verbazing kijkt Leif naar de pijl die uit zijn borst steekt.

Hisse laat zich uit de boom zakken, pakt Leifs zwaard en streelt de hond over zijn kop.
‘Knap werk, Bor. Kom. Samen redden wij ons wel.’

 

HET WOUD (HISSE 2)

Hisse trekt de pijl uit de borst van haar voormalige eigenaar en wrijft het bloed er met de zoom van haar hemd af.
‘Je had van mij af moeten blijven, Leif,’ zegt ze ernstig.
De wolfshond heft zijn kop en jankt opnieuw.
‘Rouw je om hem, Bor? Dat verdient hij niet. Kom, we moeten hier weg.’

Een voor een lossen de stammen op in de duisternis. Als een stille geest scheert een uil over haar hoofd. Hisse staat stil en huivert. Waar zij in Friesland leefde, kende zij plassen, moerassen en zompige weiden, maar geen woud.
Tussen de wortels van een oude eik maakt ze een nest van dorre bladeren. Met Bors kop op haar borst valt ze in slaap.

 

HET EERSTE ONTWAKEN (HISSE 3)

Hisse denkt de zee te horen. Als ze haar ogen opent, zucht ze van teleurstelling. Een gestage regen daalt neer op het woud. De sprankelend groene wereld van gisteren oogt nu grauw, kil en levenloos.
Ergens in de verte klinkt een geluid dat Hisse niet meteen herkent, maar Bor wel. Hij komt overeind, schraapt zijn poten en spitst de oren. Als bevroren blijft hij staan. Dan hoort Hisse het ook. Geblaf en luide kreten…

Hisse weet van wie de stemmen zijn. Knut en Bjorn vonden hun broer en weten wie hem doodde. Ze komen eraan om Leif te wreken. Hisse hoort doodsbang te zijn voor wat ze met haar zullen doen. Maar zij glimlacht enkel en streelt Bors ruige vacht.

 

WEERZIEN (HISSE 4)

De roedel wolfshonden vliegt recht op Hisse af. Een tel later wordt ze bijna onder de voet gelopen. De voorste teef springt tegen haar op en likt haar gezicht kletsnat.
‘Mooi dat jullie mij vonden,’ roept Hisse, ‘maar zo is het genoeg. Af!’
Meteen liggen alle honden aan haar voeten.

Knut en Bjorn breken door het struikgewas. Met het zwaard in de hand staan ze stil. Woede en verbijstering strijden op hun gezichten om de voorrang.
‘Hoopten jullie mijn verscheurde lichaam te vinden?’ vraagt Hisse.
Bjorn zwijgt. Hij knikt naar Knut en heft zijn zwaard. Samen stormen ze op haar af.
‘Ga!’ schreeuwt Hisse. Bor springt als eerste…

Langzaam kleurt het mos voor haar voeten helrood. Hisse sluit de ogen.

 

HEDDA (HISSE 5)

Wanneer ze haar ogen opent, is alles voorbij. Vol verwachting kijken de wolfshonden haar aan, hun bekken druipend van het bloed.
Hisse denkt aan Hedda en ze huilt. Is het Hedda’s schuld dat ze een vader heeft die haar aan een wreedaard als Leif uithuwelijkte? Ze huilt ook om de broers. Die moesten Leif wel wreken.

Hisse loopt terug naar het langhuis, al kan dat haar dood betekenen. De honden lopen achter haar, behalve Bor. Die wijkt niet van haar zijde.
Als een standbeeld staat Hedda te wachten. Hisse legt drie zwaarden voor haar voeten. ‘De honden wijzen je de weg,’ zegt ze. ‘Het spijt me, Hedda.’

Hisse keert zich om en verdwijnt in het woud. Alleen Bor volgt haar.

 

HERFST IN HET WOUD (HISSE 6)

De nachten worden kil en vochtig. Spinnenwebben vormen een zilveren krans rond Hisses slaapplaats, als ze ‘s morgens rillend van de kou ontwaakt.
Twee schatten redden haar. De eerste is het mes dat ze van Leifs dode lichaam stal, de tweede haar benen naald. De pelzen van de dieren die ze doodt om zichzelf en Bor te voeden, looit ze met haar eigen urine. Met de linnen draden van haar hemd maakt ze er warme kleding van.

Terwijl de eerste sneeuw valt, denkt Hisse lang na. Een hele winter in het woud zal ze niet overleven. Ze moet verder, maar waarheen? Rechtdoor, besluit ze. Ooit zal ze dan de zee weer zien.

‘Kom Bor,’ zegt ze. ‘We gaan naar Friesland.’

 

ONTMOETING (HISSE 7)

Uit de schaduwen doemt een schim op. Hisse grijpt naar haar boog. Als Bor wel stilstaat, maar niet gromt, bedenkt ze zich.
‘Wat doet een meisje alleen in het woud?’ De man draagt een lange boog, maar geen zwaard.
‘Ik wil naar Friesland. Wie ben je?’
‘Olaf. Een pelsjager.’ Hij wijst naar het oosten. ‘Birka is de dichtstbijzijnde haven.’
‘Nee!’ Hisse schudt heftig haar hoofd. ‘Daar werd ik verkocht.’

Olaf kijkt haar lang aan. ‘Dan moet je naar het westen,’ zegt hij. ‘De Noren in Kaupang handelen ook met Friezen.’
‘Is het ver?’
Hij knikt.
‘Wijs je mij de weg?’
Olaf glimlacht. ‘Waarom niet, mijn pelzen kan ik ook in Kaupang slijten.’
Hij streelt Bor. Die laat het rustig toe.

 

OLAF (HISSE 8)

Levende kleuren lossen op in neerdwarrelende sneeuwvlokken, totdat de wereld enkel nog bestaat uit zwart, wit en vele tinten grijs.
Olaf stopt bij een beekoever en verzamelt wilgentenen. Razendsnel vlecht hij er sneeuwschoenen van.
Terwijl Hisse de hare onderbindt, kijkt ze naar Olaf. ‘Waarom doe je dit?’
‘Vertrouw je mij?’
‘Ja,’ antwoordt Hisse. ‘Bor heeft altijd gelijk.’

Olaf staart in de verte. ‘Vorig jaar had ik een vrouw en een dochter,’ zegt hij. ‘Nu heb ik niets. Ik leefde van dag tot dag, totdat ik jou ontmoette.’
Sprakeloos kijkt Hisse hem aan. Nu pas valt het haar op hoe grijs Olafs haar is en dat zijn gezicht enkel uit rimpels lijkt te bestaan.

‘Kom,’ zegt hij. ‘Je moet naar Kaupang.’

 

HET GROTE MEER (HISSE 9)

Van enkel dunne huiden en wat stokken maakt Olaf ‘s avonds een tent. Tussen Bor en de oude pelsjager glijdt Hisse weg in een warme, droomloze slaap.

‘s Morgens geeft een azuren hemel de wereld haar kleur terug. Vele dagen achtereen zoeken ze hun weg over een maagdelijk sneeuwdek. Stoppen doen ze enkel als er gejaagd of gegeten moet worden. Al gauw laat Olaf het boogschieten aan Hisse over. Haar blik is scherper en haar hand vaster.

Als ze bij een reusachtig meer aankomen, draait de wind naar het zuiden. Rond het middaguur is de sneeuw veranderd in een modderbrij.
‘Moeten we hierdoor,’ vraagt Hisse bedrukt.
Olaf grijnst en schuift wat takken opzij. Daaronder liggen een kano en twee peddels.

 

DE VISSER (HISSE 10)

Hisse stapt na Olaf in de kano. Bor springt haar achterna.
‘Heb je ooit gepeddeld?’ vraagt Olaf.
Hisse knikt. ‘Ik kom uit Friesland.’

Als een roodoranje zon trillend in het meer verdwijnt, koerst Olaf naar een steiger. Aan de waterkant staat een huis op hoge palen, zoals Hisse die uit Dorestad kent.
‘De visser die hier leeft, is mijn vriend,’ zegt Olaf. ‘Hij heeft een grote boot en kan ons morgen misschien naar de westelijke oever brengen. Dan zijn we al halverwege.’

De visser heet Geir. Ook door hem laat Bor zich gewillig strelen.
‘Geen probleem,’ zegt Geir na Olafs verhaal. ‘Vissen kan ik overal.’
Hij kijkt naar Hisse. ‘Waarom help je haar?’
Olaf zucht. ‘Ze lijkt op mijn dochter.’

 

NAAR KAUPANG (HIISE 11)

‘s Morgens zijn peddels overbodig. Een straffe oostenwind stuwt Geirs zeilboot naar de westkust van het Vänermeer. Halverwege de middag komen ze daar aan.
‘Het ga je goed, Hisse,’ zegt Geir. ‘Je hebt Odins zegen.’ Voordat hij weer scheep gaat, slaat hij Olaf op zijn schouder en aait Bor.

Aan de westoever is de bodem droog. Dat geeft Hisse nieuwe moed.
‘Hoe ver is het nog, Olaf?’
‘Over een dag of drie zien we de zee. Langs de kust ligt een weg die ons naar Kaupang voert.’

Vijf dagen later bereiken ze de top van een heuvel die uitzicht biedt op de haven van Kaupang. Als aan de grond genageld blijft Hisse staan.
‘Wat is er, Hisse?’
‘Drakenschepen…’ fluistert ze.

 

HERINNERINGEN (HISSE 12)

Hisse staart naar de drakenschepen. Ze ademt zwaar. Haar voeten weigeren haar verder te dragen. Pas als Bor haar hand likt, komt ze weer tot zichzelf.
‘Bracht een drakar je naar Birka?’ vraagt Olaf.
‘Nee,’ antwoordt Hisse. ‘Mijn dorp werd door Denen uitgemoord. Alleen mijn broer en mij lieten ze leven. Ze ketenden ons aan de mast van hun drakar en namen ons mee naar Hedeby. Daar verkochten ze ons aan een Zweedse handelaar. Die bracht ons naar de slavenmarkt van Birka.’ Af en toe hapert haar stem.

‘En nu wil je naar Friesland?’
Hisse aarzelt een moment. ‘Ja, dat is mijn thuisland.’
‘Goed,’ zegt Olaf. ‘Dan gaan we naar het huis van de Friezen.’
Verbijsterd kijkt Hisse hem aan.

 

IN KAUPANG (HISSE 13)

‘Weet je zeker dat er Friezen in Kaupang zijn, Olaf?’
‘In elke haven zijn Friezen,’ antwoordt Olaf. ‘Naar Kaupang komen er zo veel dat ze een eigen wijk hebben.’
‘Hoe kan dat?’ vraagt Hisse. ‘De Noren en Denen vallen Friesland bijna ieder jaar aan.’
‘Alle handelaren worden door de koning beschermd,’ zegt Olaf, ‘op voorwaarde dat hij de eerste keus krijgt uit hun goederen. Werkt dat in jouw land dan anders, Hisse?’
Langzaam schudt Hisse haar hoofd. ‘Nee, eigenlijk niet, tenminste niet in Dorestad. Daar leggen ook veel Deense vrachtschepen aan.’

Stil loopt Hisse naast Olaf verder. Pas als kinderen joelen en haar nawijzen, vraagt ze zich af wat men hier van een vies, in dierenvellen gehuld meisje zal vinden.

 

HET HUIS VAN DE FRIEZEN (HISSE 14)

Olaf klopt aan bij het grootste huis. ‘Hier leven de rijke handelaren uit Friesland,’ zegt hij. ‘Als ze je willen helpen, ben je spoedig thuis.’
Een dikke, roodharige man opent de deur. Zijn blik schiet van Olaf naar Hisse en terug.
‘Als je pelzen kunt leveren, valt er te praten, Olaf,’ zegt hij. ‘Aan slavinnen hebben we geen behoefte, zeker niet als ze stinken. Was haar eerst en kleed haar behoorlijk.’

‘Ik kom uit Witla,’ roept Hisse in het Fries. ‘Help mij.’
De handelaar knijpt zijn varkensogen tot spleetjes. ‘Heb je daar familie, meisje?’
Hisse buigt haar hoofd. ‘Nee,’ fluistert ze. ‘De Denen hebben ze allemaal gedood.’
De man grijnst. ‘Geen probleem, kind. Wij vinden wel een echtgenoot voor jou.’

 

EEN NIEUWE FAMILIE – SLOT (HISSE 15)

Hisses ogen spuwen vuur. Ze grijpt naar haar boog. Meteen staan Bors nekharen recht overeind. Met blikkerende tanden springt hij. Net op tijd smijt de handelaar de deur dicht.

Verbluft kijkt Olaf haar aan. ‘Hisse, wil je nog altijd terug naar Friesland?’
Hisse hijgt eerst na. Daarna schudt ze heel beslist haar hoofd.
‘Dan ga ik ervoor zorgen dat je een vrije vrouw wordt.’
Hisses mond valt open van verbazing. ‘Wil je dan echt dat ik jouw vrouw word, Olaf?’
Olaf lacht. ‘Natuurlijk niet,’ antwoordt hij, ‘maar misschien wil je wel voorgoed mijn dochter worden. De enige voorwaarde is dat je een man kiest die jou waard is. Dan heb ik eindelijk ook een zoon.’

Hisse straalt. ‘Afgesproken,’ zegt ze.

Genreperikelen

Toen ik begon met schrijven, nu een jaar of vijftien geleden, maakte ik me nooit druk over de vraag in welk hokje een verhaal thuishoort. Ik schreef simpel dat wat mij inviel en waar op dat moment mijn hoofd naar stond. Nog altijd denk ik dat die houding de beste insteek is voor een beginnende schrijver. Probeer gewoon alles uit, kort of lang, tragisch of humorvol, fantastisch of realistisch, het geeft niet wat; als je maar met hart en ziel schrijft, steek je er altijd iets van op, vooral als je om weet te gaan met kritiek en niet te snel tevreden bent.
Zo lang je in die leerfase zit, is er niets aan de hand. Maar nadert het moment dat je denkt (terecht of onterecht) dat je schrijfsels rijp genoeg zijn om ze voor de leeuwen te gooien, kortom als je aan een echte publicatie gaat denken, dan komt onherroepelijk de vraag aan de orde in welk genre je dat gaat doen. De reden is heel concreet. Veel wedstrijden (gelukkig niet alle) zijn gebonden aan een bepaald genre. Je wordt geacht een literair, humoristisch, romantisch, fantastisch, erotisch, historisch, dystopisch of nog een ander soort verhaal te schrijven. Hetzelfde geldt voor uitgeverijen, al is het daar soms minder duidelijk, omdat de grotere vaak met allerlei fondsen en imprints werken, waardoor je er toch met meerdere genres terechtkunt.
Waar het om gaat, is dat je in veel gevallen toch voor een keuze komt te staan. Dat geldt niet voor iedereen. Wie helemaal idolaat is van één specifiek genre, zal het niet in zijn of haar hoofd halen om iets anders dan dat te gaan schrijven. Dan is het enkel zaak om op zoek te gaan naar de wedstrijd en/of uitgeverij die bij je persoonlijke voorkeur past.

Hoe zit dat nu bij mijzelf? Als ik na zo’n vijftien jaar schrijven de balans opmaak, zie ik dat ik verhalen van allerlei lengtes en in uiteenlopende genres gepubliceerd heb. Toch zijn er twee genres die er duidelijk uitspringen; namelijk fantastische en historische verhalen, waarbij het zwaartepunt in de loop der jaren steeds meer van dat eerste naar het tweede genre is verschoven. Niet toevallig is van mijn twee zelfstandige publicaties tot op heden er één historisch en één geheel in fantastische sferen.
Maakt dat bij het schrijven nu echt veel uit? Voor mijn gevoel is dat niet zo. Bij mijn historische verhalen kies ik namelijk bewust of onbewust vrijwel altijd voor een setting in een ver verleden, waarover maar weinig gedetailleerde bronnen bestaan. Natuurlijk moet wat je schrijft blijven kloppen met wat wél met zekerheid bekend is, maar daarnaast houd je heel veel ruimte over om je verhaal vanuit je eigen fantasie verder in te vullen. Aan de andere kant ben je ook in een fantastisch verhaal verplicht om het allemaal op zijn minst geloofwaardig en begrijpelijk te houden, waardoor je vaak uitkomt bij een setting die niet heel veel van die van een historisch verhaal hoeft te verschillen. Zo spelen veel van de klassieke fantasyverhalen (denk aan auteurs als R.R. Martin, Robin Hobb, Robert Jordan of Tad Williams) zich af in een middeleeuws aandoende verhaalwereld.
Ik ga dat hieronder illustreren met een paar fragmenten. Ja, de goede lezer begrijpt intussen dat mijn blogs ook bedoeld zijn om mijn eigen schrijfsels te promoten. Daar schaam ik mij ook in het geheel niet voor. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat de onderstaande fragmenten beide van mijn eigen hand zijn.
Het eerste is het begin van ‘Tar’,  een verhaal uit ‘Traisha en het Ei’, de in 2014 bij uitgeverij  EigenZinnig gepubliceerde fantasybundel. Daaronder volgt een kort fragment uit ‘Alya’, mijn eerste (lange…) historische roman die in januari of februari 2018 bij uitgeverij Mozaïek uit gaat komen.


Fragment uit ‘Tar’: in ‘Traisha en het ei’ – 2014

Tar wachtte op zijn beurt om voor Al-Ar-Kah, Heer van de Vlakte, geleid te worden. De man voor hem, een hevig zwetende paleisdienaar, jammerde als een klein  kind toen de wachten hem wegsleurden. Tar voelde geen spoor van mededogen. Waarom zou hij ook? Wie zou straks een traan om hém laten bij zijn onvermijdelijke gang naar het hakblok?
Een dreunende gongslag gaf aan dat de volgende beklaagde aan de beurt was. Terwijl de aanklager zijn naam oplas, was Tar al onderweg naar de rode tegels voor de trappen die naar Al-Ar-Kah’s kolossale troon voerden. Hij knielde rustig neer, boog en drukte zijn voorhoofd tegen de koude steen.

Al-Ar-Kah sprak. Zijn stem klonk zacht en zalvend. Toch was elk woord, door de perfecte akoestiek van het gewelf achter hem, duidelijk verstaanbaar.
 ‘Aha, ik zie hier een van mijn eigen lijfwachten. Dat gebeurt bepaald niet elke dag. Marukh, fris mijn geheugen op en vertel ons wat deze man misdaan heeft.’
De aanklager, een lange, magere man met een kromme neus en borstelige wenkbrauwen, stond op een kleine verhoging die geheel in het niet viel bij de troon van de heerser. Marukh ontrolde een stuk perkament en las op luide toon de aanklacht voor.
 

Fragment uit ‘Alya’ (komt begin 2018 uit bij uitgeverij Mozaïek)

‘Vrede zij met allen die hier bijeen zijn om de wil van Abd Al-Rahman aan te horen.’
In de grote paleiszaal klinkt vaders stem vreemd hol, alsof hij van een enorme afstand tot ons spreekt. Maar dat is helemaal niet zo. Van de plek voor de estrade, waar ik op eerbiedige afstand achter de drie gezanten neerkniel op de koude mozaïekvloer, kan ik zijn gezicht duidelijk zien, ja zelfs de neutrale hofmeesterblik waarmee hij naar ons kijkt.
Vanuit mijn gebogen houding waag ik het om een korte blik te werpen op de lege troon. In gedachten herhaal ik vaders woorden van vanmorgen.
Emir Abd Al-Rahman is een man van beschaving. Heb daarom geen angst in zijn nabijheid, Alya. Bedenk wel dat hij zelden andere vrouwen ziet dan die in zijn harem of hun slavinnen. Als hij de gezanten toestaat om overeind te komen, blijf jij waar je bent. Richt je alleen op als Abd Al-Rahman dat beveelt. Ik verwacht niet dat hij jou vragen zal stellen. De emir kent je talenten. Hij zal waarschijnlijk enkel zijn gezanten toespreken om hen zijn instructies mee te geven. Mocht hij je toch aanspreken, dan zul je weten hoe te antwoorden, Alya. Je bent mijn dochter.
Een dreunende gongslag… Ik druk mijn voorhoofd tegen de koude steen en wacht op wat komen gaat. Terwijl het geluid tergend langzaam wegsterft, bonst mijn hart zo luid dat ik me afvraag of de gezanten voor mij het zullen horen.
Voetstappen doorbreken de stilte. Even nadat ze ophouden klinkt een stem.
‘Jullie mogen staan.’ Meer niet.
Ik hoor de drie gezanten overeind komen. Geen van hun gezichten herkende ik toen ik achter hen de paleiszaal werd binnengeleid. Naar hun namen kan ik enkel gissen. Vader zal hen ongetwijfeld kennen, maar ook hij wist tot op dit ogenblik niet wie de emir zou uitkiezen om in het verre Navarra namens hem te spreken.
‘Jij ook, Alya.’
Als verdoofd gehoorzaam ik. Ik sta op, maar houd mijn blik op de vloer gericht.
‘Kijk mij aan,’ zegt Abd Al-Rahman. ‘Ik wil de gezichten van al mijn gezanten kunnen zien.’
Bedoelt de emir mij? Al ben ik natuurlijk geen gezant, op de een of andere manier denk ik van wel. Voorzichtig richt ik mijn hoofd op en kijk naar de troon.
Ik had het bij het rechte eind. Abd Al-Rahmans ogen zijn recht op mij gericht. Ze zijn helderblauw… Dat zie ik zelfs van deze afstand. Hoe is dat mogelijk? Meteen hoop ik heel erg dat hij mijn verbazing niet opmerkt.
 
Is er een duidelijk verschil tussen de bovenstaande fragmenten? Kan iemand aangeven wat er fantastisch of historisch is en waarom? Ik ben benieuwd of daar reacties op komen.

Mijn volgende blog zal gaan over de wonderbaarlijke wijze hoe ik voor het lange verhaal van Alya een uitgeverij vond, of beter gezegd hoe een uitgeverij mij vond…

Eerste papieren bundel Historische Verhalen

De website ‘Historische verhalen’ is nu ruim een jaar ‘in de lucht’. Om dat te vieren verscheen vorige week de eerste jaarbundel met de 27 verhalen die in 2016 gepubliceerd werden. Het is een prachtige bundel geworden. De eerste recensie (meteen vijf sterren!) verscheen op
http://www.graaggelezen.blogspot.nl/2017/01/historische-verhalen-2016.html

omslag-bundel-hv-1-jpg

 

Mijn verhaal, ‘De laatste dagen van een god’, speelt in het Rome van de eerste eeuw na Christus en is hier te vinden: http://www.historischeverhalen.nl/laatste-dagen-god/

Begin februari volgt op de website een tweede verhaal van mijn hand. De titel is ‘Gilberts oor’ en het speelt zich af in het Gent van de late middeleeuwen.

Wie mijn vorige blog gelezen heeft, is misschien nieuwsgierig naar de vraag hoe het er intussen met ‘Schaduwlanden’ voor staat. Om te beginnen gaat die titel sneuvelen, omdat die niet uniek is. Wat het wel wordt, is nog even afwachten. Ik laat het op deze plaats en op mijn Facebookpagina weten als het zo ver is. Ik verwacht wel dat in elk geval de naam van mijn hoofdpersonage (Alya dus) er in voor gaat komen. Verder blijft het ook voor mij nog even afwachten. Ik heb de ruwe versie van het complete manuscript namelijk afgelopen maandag naar de uitgever gestuurd. Natuurlijk wordt mijn verhaal daar eerst uitgebreid bekeken voordat er definitief witte rook oftewel groen licht komt. Ik zou het zelf ook niet anders willen.
Zo gauw er meer bekend is (bijvoorbeeld de beoogde publicatiedatum) wijd ik er een wat langere blog aan.
Wordt vervolgd!

Schaduwlanden – Het beginidee

800px-cloudsshadow

 

Schaduwlanden komt er echt, had ik al bijna boven dit blog geschreven. Maar ik mag niet liegen en houd daarom toch maar de noodzakelijke slag om de arm. Ik heb er wel degelijk alle vertrouwen in dat Schaduwlanden ergens in 2017 uitgegeven wordt, maar definitief wordt dat pas als de uitgeverij (Mozaïek dus) na de eerste redactieronde het groene licht geeft. Ik moet het in dat redactieproces dus wel nog even waar gaan maken…

Op Facebook had ik het nieuws dat een uitgeverij mijn verhaal in principe adopteert al eerder gemeld. Binnen een dag kreeg ik zo’n honderd reacties, deels van familie en kennissen, maar toch vooral van mensen die zelf ook schrijven. Het bewijst nog eens ten overvloede dat schrijvers sociaal zijn, dat ze elkaar willen helpen en vooral dat ze elkaar iets gunnen, zeker als het om een nieuwe uitgave gaat.
Via dit blog ga ik mijn volgers, schrijvers of niet-schrijvers, met enige regelmaat op de hoogte houden van het schrijf- en uitgeefproces van Schaduwlanden, vanaf het eerste idee voor het verhaal (intussen een paar jaar geleden) tot aan het eerste berichtje van de uitgeverij (nu drie weken geleden) en alles wat daarop gaat volgen. Dat is veel te veel voor één enkele blog en over wat gaat volgen weet ik natuurlijk nog lang niet alles. Ik begin dus maar gewoon bij het begin, stop als het voor vandaag lang genoeg is en ga in een volgende blog vrolijk verder waar ik gebleven was…

Het eerste idee
Als mensen weten dat je schrijft is (althans in mijn geval) de meest gestelde vraag ‘Hoe kom je op het idee?’ of ‘Hoe begin je aan een verhaal?’ Misschien is dat meteen ook wel de zinnigste vraag. Bijna elk verhaal wordt immers geboren uit een allereerste ingeving, die al dan niet een vervolg krijgt, vaker niet dan wel. Bij mij sterven minstens negen van de tien ideeën (en waarschijnlijk meer) een vroegtijdige dood. Ik vergeet ze simpelweg óf ik sla ze op in mijn digitaal archief als ik denk er ooit nog iets mee te kunnen doen.

Bij mij werkt het zo dat als ik eenmaal een beginidee heb dat me bevalt er al snel een soort kettingreactie op gang komt. Welk hoofdpersonage koppel ik aan dat idee? Een man? Een vrouw? Jong? Oud? Welk eerste beeld krijg ik van dat personage? Daarop volgt bij mij pas de setting van het verhaal en nog later de uitwerking van een plot.
Er zijn ook schrijvers die in grote lijnen omgekeerd werken. Ze hebben eerst en vooral een bepaalde setting voor ogen en gaan dan pas nadenken over de vraag  welke personages ze in hun zelfgeschapen verhaalwereld loslaten en welke problemen die voor hun kiezen krijgen. Bij fantasy werkt dat nogal eens zo. Niet voor niets wordt in dat genre vaak over ‘world building’ gesproken. Eerst wordt er een wereld bedacht met alles er op en er aan, is dan in grote lijnen de gedachte. Daarna zien we wel verder. Al heb ik ook fantasy geschreven en zelfs een bundel in dat genre uitgebracht, zo deed ik het tot nu toe nooit en doe ik het ook niet bij Schaduwlanden.
Toch heeft die fantasy in zekere zin tot mijn beginidee voor Schaduwlanden geleid. Dat ging als volgt. In de jaren 2013 en 2014 schreef ik in tegenstelling tot nu meer fantastische dan historische verhalen, ook met het oog op mijn fantasybundel die eind 2014 verscheen. Na het uitkomen daarvan nam ik mij voor om naast al die korte verhalen nu eindelijk ook eens aan een verhaal van romanlengte te beginnen, een heel oud plan, waar ik al jaren mee rondliep, maar waar het om de meest uiteenlopende redenen nooit van gekomen was.
Toen ik eenmaal de knoop had doorgehakt en mijzelf de opdracht gaf om eindelijk eens de daad bij de gedachte te voegen, was de eerste vraag die ik mijzelf stelde welk genre ik zou kiezen. Dat lijkt best een lastige vraag te zijn, want er bestaan vele genres en subgenres. In mijn geval viel het erg mee omdat al die genres op twee na pijlsnel afvielen. Aspiraties voor een ‘literaire roman’ had en heb ik niet. Thrillers en misdaadverhalen liggen dan wel erg goed in de markt, maar ik lees ze zo goed als nooit. Dan is het waarschijnlijk geen goed idee om ze wel te gaan schrijven. Ik zou daar met 99 % zekerheid geen potten mee gaan breken, Om een lang verhaal kort te maken, er bleven slechts twee genres over, genres die ik graag lees en waarin ik het liefste schrijf. Ik zou dus óf een fantastisch óf een historisch verhaal gaan schrijven.

Uiteindelijk was die keuze snel gemaakt. Zelfs een schrijver moet af en toe ook een beetje praktisch kunnen denken. Dat deed ik dan ook. Toen ik me afvroeg in welk van die twee genres de kans het grootst was om een aansprekende uitgever te vinden, kwam ik eigenlijk meteen bij een historisch verhaal uit en wel om twee redenen. Ten eerste is het een genre dat zeker in Nederland beter in de markt ligt dan fantasy, ondanks al die succesvolle boeken en verfilmingen van Tolkien, Rowling of Martin. De tweede en voor mij minstens zo belangrijke reden om niet voor fantasy te kiezen was dat de grote Nederlandse uitgevers vooral voor de zekerheid van bekende namen uit de Angelsaksische landen kiezen, enkele uitzonderingen zoals Natalie Koch of Thomas Olde Heuvelt daargelaten. Voor historische verhalen is dat in veel mindere mate het geval.
Goed, dat besluit was genomen. Het zou dus een historisch verhaal gaan worden. Is het zo simpel? Ja en nee. Natuurlijk is het schrijven van een goed boek, dat ook nog eens goed verkoopt, helemaal niet simpel. Maar bij mij is het wel zo dat het probleem niet zo zeer in de ideeën zit; die heb ik meer dan waar ik ooit iets mee zal kunnen doen, maar simpelweg in het oppakken en uitwerken van een van die ideeën en daarna niet meer ophouden met schrijven tot het verhaal er staat. Is het zo eenvoudig? Ja, soms wel…

Maar… nu heb ik van alles verteld, maar nog altijd niet wat die fantasy nu eigenlijk met mijn idee voor een historisch verhaal van doen heeft. Dat zit zo. Fantasyverhalen worden in veel gevallen gedragen door een zogenaamd ‘magisch element’. Soms wordt dat op een wel erg simpele manier ingezet en trekt eenvoudigweg de magiër met de beste toverstaf en de krachtigste spreuken uiteindelijk aan het langste eind. Natuurlijk is dat een karikatuur van het genre. Een goede fantasyschrijver weet er iets heel wat originelers en vooral boeienders van te maken. In welk genre dan ook kun je nu eenmaal goede of slechte, ingenieuze of onnozele verhalen schrijven. Waar het hier om gaat, is dat je in een historisch verhaal je hoofdpersoon niet zoals bij fantasy een magische gave mee kunt geven waarmee hij of zij zich uit elke netelige situatie kan redden, bijvoorbeeld door zich op elk gewenst moment onzichtbaar te maken. Doe je zoiets toch, dan ben je fantasy in een historisch jasje aan het steken. Dat kan absoluut een leuk en lezenswaardig verhaal opleveren, maar dat mag je in geen geval nog een historische roman noemen.

Na mijn besluit om te kiezen voor een historische roman, ging ik nadenken over de mogelijkheid om geen toverkunsten, maar een weliswaar zeldzame, maar toch normale gave in te zetten. Die zou ik mijn hoofdpersoon dan mee kunnen geven om onderweg naar de ontknoping met meer kans op succes allerhande bedreigingen het hoofd te bieden. Ik overwoog en verwierp allerlei mogelijkheden, van acrobatische gaven tot een fotografisch geheugen. Pas toen ik bedacht dat ik een historisch verhaal wilde schrijven waarin veel gereisd wordt (vraag mij niet waarom!), viel het kwartje. Wie lang reist, bezoekt in de regel meerdere landen en heeft al gauw meerdere talen nodig om te kunnen communiceren. Dat werd mijn ei van Columbus. Mijn hoofdpersoon moest dat op kunnen lossen met de gave om binnen de kortste keren een nieuwe taal te leren. Dat komt slechts sporadisch voor, maar het is wel degelijk een gave die bestaat en die dus ongetwijfeld ook in een ver verleden bestaan zal hebben. Dat gegeven werd een van mijn startpunten voor de plot van Schaduwlanden.

Wat nog meer? Dat bewaar ik voor mijn volgende blog, waarin ik het onder andere ga hebben over de tijd en de setting die ik voor mijn verhaal koos en de redenen die ik daarvoor had. Dat gaat een stuk problematischer worden. Waarom? Omdat het lastig is om veel over een verhaal te vertellen zonder van alles bij voorbaat weg te geven. Dan hebben we het dus over die beroemde, beter gezegd beruchte ‘spoilers’ die je moet zien te vermijden. Over dat probleem ga ik eerst maar eens rustig nadenken voordat ik aan die volgende blog begin. 😉

Schaamteloze zelfpromotie voor auteurs

Nee, die titel heb ik dus niet zelf bedacht… Het is de naam van een schrijfworkshop op zondag 15 oktober, waarvoor ik mij zonet heb opgegeven. Waar? Imagicon Ede. Tijd? 11.30-12.30 uur.
Wie het nieuws over die dag miste, maar wel interesse heeft, kan alle informatie vinden op de website en/of facebookpagina van Imagicon.

Dat ‘Schaamteloze zelfpromotie voor auteurs’ (let wel, zónder vraagteken) gaf mij heel wat stof tot nadenken. Ja, ik heb wel eens ergens gelezen dat een schrijver schaamteloos zou moeten schrijven. Daarmee wordt bedoeld dat je je nooit moet laten leiden of zelfs maar beïnvloeden door de angst voor ‘wat men er wel niet van zal zeggen’, maar dat je compromisloos alles moet opschrijven waarvan je vindt dat het in je boek thuishoort, al is het voor jezelf of anderen nog zo confronterend of choquerend.
Of dat voor alle auteurs een wijs advies is, laat ik even in het midden. Laat ik het er op houden dat ik nooit iets heb geschreven en nooit iets verwacht te zullen schrijven waarbij ik werkelijk al mijn schaamte opzij moet zetten…

Hij of zij die de titel van die workshop bedacht heeft, zal de inspiratie denkelijk geput hebben uit die discussie over hoe je zou moeten of mogen schrijven. De impliciete strekking of stelling is dan dat ook bij het promoten van je boek schaamte alleen maar lastig en onnodig is. Gooi al je remmingen overboord, geef je verbeelding alle ruimte en laat je pennenvrucht op elke mogelijke manier op de wereld los. Zoiets…

Waarom wijd ik eigenlijk een blog aan een onderwerp als zelfpromotie? De reden is simpel. Ik schrijf. Ik zou heel graag willen dat wat ik schrijf door zo veel mogelijk mensen gelezen wordt, niet omdat het geld oplevert (dat doet het hoogst zelden), maar omdat het mij het gevoel geeft iets gepresteerd te hebben dat echt de moeite waard is. Dat zoiets banaals mijn belangrijkste drijfveer is om stug verder te schrijven, geef ik schaamteloos toe…
Hoe graag ik ook zou willen dat een goed verhaal (ja, dat vinden we toch allemaal van wat we schrijven…) zichzelf verkoopt, zo werkt het in de regel niet. Zonder de juiste promotie op het juiste moment blijft ook een goed verhaal of boek onbekend en anoniem, begrijp ik uit allerhande interviews met redacteuren van toonaangevende uitgeverijen.

Mijn eerste conclusie is nogal deprimerend. Zelfs als je iets schrijft dat in alle opzichten bijzonder en lezenswaardig is, dan nog ben je nergens zonder een uitgever die iets in je ziet en die weet hoe je de promotie aan moet pakken. Hoe groot is die kans voor een onbekende auteur? Klein. Heel klein. Dat weten we allemaal en toch schrijven we stug door en blijven we hopen, de meesten van ons tegen beter weten in.

Ik heb al wat open deuren over het hoe, wat en waarom van promotie voor je schrijfsels ingetrapt, maar wat vind ik er nu eigenlijk zelf van? Wat doe ik ermee? Nou ja, de wijsheid heb ik niet in pacht, maar voor mijzelf houd ik wel een paar vuistregels in acht. Of die ook voor anderen nuttig zijn? Wie weet. Reacties zijn welkom.

  1. Blijf vooral jezelf. Als je (zoals ik) niet zo’n uitbundig en extravert iemand bent, probeer je dan niet geforceerd anders voor te doen dan je bent. Dat werkt voor geen meter en prettig voel je jezelf daar ook niet bij.
  2. Promoot alleen als er iets te promoten valt. En dan bedoel ik dat je een (reguliere) uitgever gevonden hebt en zeker weet dat je boek (of verhaal) er ook echt gaat komen. Zo lang het niet zo ver is, kun je best af en toe iets vertellen over het schrijfproces of over je zoektocht naar een uitgever, maar dan is het niet slim om hoog van de toren te blazen. Te veel bescheidenheid is misschien lastig, maar te weinig ook. Ik werk nu met enige tussenpozen vanaf februari aan een lang historisch manuscript (ergens tussen de 150.000 en 200.000 woorden) en dan frustreert het soms dat zoiets zo’n extreem lange weg betekent, zeker voor iemand die voorheen vooral korte verhalen schreef. Maar klagen doe ik niet. Voor die weg koos ik nu eenmaal zelf.
  3. Te veel bescheidenheid helpt je niet, maar het tegenovergestelde werkt ook tegen je. Een boek uitbrengen is tegenwoordig geen kunst en zeker geen bewijs dat je een ‘echte’ schrijver bent. Publiceren is door alle technische vernieuwingen veel eenvoudiger en goedkoper geworden. Sterker, als je hoe dan ook je boek gepubliceerd wil zien, lukt je dat altijd wel tegen een redelijke prijs. Maar wat is dat waard? Ik houd (misschien ook weer tegen beter weten in) als principe aan dat een reguliere uitgeverij genoeg brood in mijn verhaal moet zien om het risico van een uitgave op zich te nemen. Moet ik zelf investeren om mijn boek uitgegeven te krijgen, dan hoeft het voor mij niet meer. Dat is geen kwestie van gierigheid, maar van principe. Is er geen behoefte aan wat ik schrijf, dan hoeft het er wat mij betreft ook niet te komen. Maar nu denk ik misschien te star? De tijd zal het leren.

Zomermanuscripten

Grrr… even niet nagedacht. Welke sukkel stuurt nu net bij het uitbreken van de zomervakantie een manuscript naar een uitgever, uitgerekend op een dag waarop het kwik in heel Nederland de dertig graden passeert? Ja, Hay dus… Het is altijd al afwachten geblazen, maar nu al helemaal. Naast alle bekende redenen waarom je in de regel maanden moet wachten komen er nu nog een paar mogelijke reacties van uitgevers/redacteuren bij:

  1. Hay van den Munckhof? Nooit van gehoord. Dat bekijken we ergens in de herfst wel.
  2. Kom op. Vanavond ga ik mijn koffers pakken. Op vakantie lees ik alléén waar ik zin in heb. Wat denken ze wel?
  3. Alles wat in juli of augustus binnenkomt, gaat begin september naar de stagiaires, anders verzuipen we na de vakantie in het werk.

Misschien ben ik nu te somber, maar ik heb mijn twijfels. Niets menselijks is redacteuren vreemd, vrees ik.
Niet dat ik geloof dat het insturen van een manuscript puur een loterij is. Dat verhaal hoor ik nog wel eens, maar ik geloof er geen woord van. Als dat zo was, werkte ik me niet de blubber aan een verhaal van 160.000 woorden. Ik ben er van overtuigd dat als je iets geschreven hebt dat het uitgeven waard is en het niet te snel opgeeft, al die energie ooit iets op zal leveren. En is dat uiteindelijk niet zo? Dan moet je eerlijk genoeg zijn om onder ogen te zien dat je misschien toch net niet goed genoeg bent voor een reguliere uitgever. Zeker is dat dan overigens niet, want helaas krijg je zelden te horen om welke reden je manuscript wordt afgewezen. In de meeste gevallen blijft het bij een standaardmededeling, bij sommige uitgevers gevolgd door het (wat mij betreft hoogst irritante) advies om het maar eens bij Brave New Books te gaan proberen. Nee dus! Ik ga voor een echte uitgave of anders helemaal geen uitgave. Een tussenweg is er voor mij niet, want aan een POD-uitgave begin ik onder geen enkele voorwaarde en aan uitgeven in eigen beheer denk ik ook niet, al ken ik een paar mensen voor wie dat laatste wel degelijk een succesvolle route was. Er bestaat niet één weg die voor ieder voor ons naar Rome leidt en al helemaal niet als het om iets als schrijven gaat.

Wie het bij een reguliere uitgeverij niet redt, is nogal eens geneigd om daar chagrijnig op te reageren. Men denkt dat alleen bekende namen een kans maken of dat er niet serieus naar de manuscripten op de slushpile gekeken wordt. Dat geloof ik niet. Uitgeverijen zijn juist bang om tussen al die kansloze manuscripten dat ene juweeltje van een nieuweling te missen. Natuurlijk, van veel manuscripten worden enkel de eerste pagina’s of zelfs slechts een paar alinea’s gelezen. Maar dat lijkt mij niet meer dan logisch. Waarom zou een redacteur energie en kostbare tijd verspillen aan een verhaal dat taalkundig al in de eerste zinnen rammelt of waar na enkele pagina’s nog altijd geen spoor van een rode lijn in te ontdekken valt?
Kritiek op redacteuren vind ik voor een auteur dan ook verspilde energie en in de meeste gevallen onterecht. Volgens mij zijn zo goed als alle redacteuren van serieuze uitgeverijen (dus niet van POD-uitgeverijen die enkel aan winst denken) bevlogen en betrokken mensen, die niet zonder taal en boeken zouden kunnen leven. Dat moet wel. Anders ben je simpelweg niet geschikt voor zo’n job. Het zijn ook mensen die je haarfijn in enkele zinnen uit zouden kunnen leggen waarom ze je boek al dan niet publicabel vinden. Maar helaas, zoals hierboven al vermeld, dat doen ze bijna nooit. Waarom eigenlijk niet? Soms kunnen enkele zinnen voor de betreffende auteur al heel verhelderend zijn en een stimulans om het niet op te geven. Ik noem er voor de vuist weg een paar:

  • Uw manuscript is verdienstelijk geschreven, maar past helaas niet in ons fonds. Kijk heel goed naar dat fonds als u het bij een andere uitgeverij wilt proberen.
  • Wij achten uw manuscript publicabel, maar helaas krijgen wij elk jaar meer publicabele manuscripten binnen dan wij redelijkerwijs uit kunnen geven. Wij moeten daarom keuzes maken.
  • Helaas achten wij uw manuscript in deze vorm niet publicabel, omdat … (het taalkundig nog niet het vereiste niveau heeft… een duidelijke verhaallijn ontbreekt… enzovoort)

Sommige uitgeverijen nemen af en toe de moeite om een dergelijke korte toelichting te geven. De meeste niet en ik begrijp dat eigenlijk wel. Vooral in het laatste geval (als een manuscript dus duidelijk te licht bevonden wordt) kun je er gif op innemen dat heel wat zich miskend voelende auteurs aan de bel trekken en de redactie met verontwaardigde mails of telefoontjes bestoken.

Wie zo reageert? Nee, ik niet natuurlijk. Ik blijf in dat geval uiteraard de rust zelve… Nou ja… ???

55 woorden-verhalen

Dit jaar ben ik blijkbaar een schrijver van uitersten. ‘Schaduwlanden’ (zie mijn vorige post) dreigt uit te dijen tot ver boven de 100.000 woorden. Ik sta nu op 55.000 woorden en ben denk ik nog niet eens halverwege…
Maar blijkbaar heb ik daarnaast ook enig talent om het superkort te houden. Enkele maanden geleden deed ik mee aan de 55-woordenwedstrijd van Schrijverpunt, Blogger en Take this Script. Tot mijn aangename verrassing sleepte ik tussen meer dan zeshonderd inzendingen een vijfde plaats in de wacht. Vanaf begin mei is de bundel in alle boekhandels verkrijgbaar.

Hieronder de link, in dit geval naar Bol. Zelf haal ik de bundel gewoon bij de plaatselijke boekhandel. Dat is beter, tenminste voor wie het (zoals ik) belangrijk vindt dat er zo veel mogelijk echte boekwinkels blijven!

https://www.bol.com/nl/p/55-woordenverhalen/9200000058098691/

9200000058098691

Ik ga het stukje dat vijfde werd (‘Volgende’) hier niet plaatsen. Veel liever zie ik natuurlijk dat iemand daarvoor de bundel koopt. Een stimulans daarbij is wellicht dat van elk exemplaar een flink deel van de opbrengst bestemd is voor de Stichting Lezen en Schrijven. Daarom moet ik ook als auteur gewoon mijn eigen bundel kopen. Bij andere wedstrijden doe ik niet mee als geplaatste auteurs niet minimaal één gratis exemplaar krijgen. Maar voor het goede doel maak ik uiteraard een uitzondering.

Om mijn volgers toch iets te laten proeven van de wedstrijd en de inhoud van de bundel, plaats ik hieronder een viertal stukjes, die ik ook voor de wedstrijd instuurde, maar die het niet haalden. Dat kon ook niet, want de organisatie besloot om van geen enkele auteur meerdere stukjes te selecteren.

Honger

‘Breng je mij naar het Drakeneiland zonder me op te vreten? Ik weet dat draken nooit liegen.’
‘Akkoord.’
De loeiende wind blaast mij bijna van haar rug. Spoedig zie ik het Drakeneiland opdoemen. Chalyssa koerst op een bergtop af.
‘Waar landen we?’ schreeuw ik.
‘Op mijn horst natuurlijk,’ roept Chalyssa. ‘Mijn kinderen hebben honger.’

Wortelen

‘Ashadrila, hoorde je het? Rauwe mensen zijn giftig voor draken.’
‘Wat! Mijn man lust ze alleen maar rauw.’
‘Mensen zijn aaseters. Ze laten hun vlees dagenlang liggen.’
‘Lichtjes roosteren misschien?’
‘Helpt niet. Je moet ze maandenlang bewaren. Dan hebben ze al dat gif uitgescheten.’
‘Dan gaan ze dood.’
‘Niet als je ze wortelen voert.’

Vamps

‘Carmilla!’
‘Schreeuw niet, mam.’
‘Het wordt al licht!’
‘Ja sorry. Als je aan het drinken slaat, is het lastig om op te houden. Ik ben bij Sangina gebleven, zoals ik beloofde.’
‘Jullie denken al echte vamps te zijn, maar jullie zijn nog maar pubers.’
Ik lach mijn tanden bloot. ‘Maar zijn bloed was zalig…’

Verdwaald

Een zonnestraal!
Verschrikt zoek ik de schaduw op. Wat doe ik hier? Wegwezen…
Doorntakken scheuren mijn jurk aan flarden.
Als de duisternis valt, zie ik een late wandelaar. Ik lik langs mijn gebarsten lippen.
‘Dorst, meisje?’
‘Ja…’
Hij vangt mij op.

Mijn dorst is gelest. Zijn ogen glanzen in het maanlicht.
‘Waarheen?’ vraagt hij. 

Schaduwlanden

Even uitleggen waarom het zo stil blijft op mijn website. De reden is erg simpel. Ik schrijf en wil doorschrijven…
Voor het eerst sinds ik schrijf, besef ik dat als je een verhaal wilt vertellen (en zeker als dat zoals nu een lang verhaal wordt) je dat verhaal achter elkaar op moet schrijven en niet met tussenpozen van weken of zelfs vele maanden, zoals ik voorheen deed. Ik las dat wel in schrijfboeken, maar echt doordringen deed dat advies niet. Nu wel. Natuurlijk is er een reden voor die omslag en die heet de ‘ZZ-Marathon’. Via de website/schrijfgroep Zinniger Zinnen wordt elk jaar in maart een marathon georganiseerd waarbij de deelnemers een maand lang elke dag 750 tot 1000 woorden moeten produceren. Dat is niet alles. Je wordt als deelnemer óók geacht om de verhalen van een aantal ‘medemarathonners’ elke dag opnieuw bij te lezen en van zinnig commentaar te voorzien. Die afspraak blijkt voor mij de perfecte medicijn om mij aan het schrijven te krijgen en aan het schrijven te houden. Ik zit nu (12 april 2016) op iets van 40.000 woorden en denk straks in de buurt van de 80.000 uit te gaan komen. Het plan is om uiterlijk half mei de eerste ruwe versie te hebben staan. Daarvoor moet ik wel nog even vol aan de bak. 😉

Wat voor verhaal gaat het deze keer worden? Wie mij een beetje volgt, heeft misschien al begrepen dat ik van overwegend fantasy geleidelijk de overstap maak naar historische verhalen voor jeugd en/of YA. In dat genre hoort ook ‘Schaduwlanden’ (voorlopig een werktitel) thuis. Het verhaal speelt in het Al Andalus (het emiraat van Cordoba) van de negende eeuw, waar op dat moment Abd Al-Rahman II regeert. Het verhaal draait om Alya, de dochter van de hofmeester, die de zeldzame gave bezit om binnen de kortste keren een nieuwe taal te leren. Die gave is voor een belangrijk deel de ‘motor’ van het verhaal en blijkt behalve een zegen ook een vloek te kunnen zijn…

Hieronder volgen vast twee korte fragmenten om de sfeer te proeven, uiteraard zonder spoilers…   😉

 

WerkInUitvoering

 

 

Fragment 1      

Er is iets met vader. Gisteren vermoedde ik dat alleen nog maar. Nu weet ik het zeker. Ik zie het aan de manier waarop hij binnenkomt, aan zijn zwijgen tijdens de maaltijd en bovenal aan de manier waarop hij de laatste dagen naar mij kijkt. Hij maakt zich zorgen, zorgen om mij. Ik voel het in mijn hart. Waarom in Allah’s naam? Ik ben er zeker van dat Omar tevreden is over mijn vorderingen. Berbers en Hebreeuws beheers ik intussen zo goed dat geen enkele woordspeling mij ontgaat. Ik spreek het intussen bijna net zo snel als het Arabisch van Al Andalus. Alleen de taal van de barbaren uit de gebieden ten noorden van de Tajo en Ebro blijf ik lastig vinden. Nou ja, eigenlijk kan ik daar niet zo veel aan doen. Vader schonk mij in het begin van de lente een eigen slavinnetje uit het verre Navarra, niet alleen omdat ik daar intussen met mijn veertien jaar oud genoeg voor ben, maar ook om mij te helpen de taal van haar land te leren. Helaas is Oncha om de een of andere vreemde reden doodsbang voor mij. Hoe ik ook mijn best doe om het meisje op haar gemak te stellen, ze blijft mij maar met haar grote blauwe angstogen aanstaren. In plaats van normaal te praten, zoals ik van haar vraag, mompelt ze maar wat binnensmonds. Oncha moest eens weten wat voor mazzel ze had om voor een zacht prijsje in ons huis opgenomen te worden. De handelaar uit Saragusta die haar meenam naar Qurtuba, bracht haar namelijk eerst naar de eunuchen die de harem van de emir beheren. Om de een of andere reden keurden die haar af. Waarom? Ik zou het niet weten. Oncha is welgevormd en zeker niet lelijk. Bovendien is ze helblond, iets waar de emir net als al zijn voorgangers dol op is. Een keer heb ik Oncha gedwongen om haar sluike goudgele lokken ter vergelijking naast mijn gitzwarte krullen te houden. Het contrast kon werkelijk niet groter zijn. Oncha werd er nog verlegener van dan ze al is, ook al glimlachte ik nog zo vriendelijk naar haar.

 

Titelfoto Schaduwlanden 940x198 pixels

 

Fragment 2

‘Vrede zij met allen die hier bijeen zijn om de wil van emir Abd Al-Rahman aan te horen.’
In de grote paleiszaal klinkt vaders stem vreemd hol, alsof hij van een enorme afstand tot ons spreekt. Maar dat is helemaal niet zo. Van de plek voor de estrade, waar ik op eerbiedige afstand achter de drie gezanten neerkniel op de koude mozaïekvloer, kan ik zijn gezicht duidelijk zien, ja zelfs de neutrale hofmeesterblik waarmee hij naar ons kijkt.
Vanuit mijn gebogen houding waag ik het om een korte blik te werpen op de lege troon. In gedachten herhaal ik vaders woorden van vanmorgen.
Emir Abd Al-Rahman is een man van beschaving. Heb daarom geen angst in zijn nabijheid, Alya. Bedenk wel dat hij zelden andere vrouwen ziet dan die in zijn harem of hun slavinnen. Als hij de gezanten toestaat om overeind te komen, blijf jij waar je bent. Richt je alleen op als Abd Al-Rahman dat beveelt. Ik verwacht niet dat hij jou vragen zal stellen. De emir kent je talenten. Hij zal waarschijnlijk enkel zijn gezanten toespreken om hen zijn instructies mee te geven. Mocht hij je toch aanspreken, dan zul je weten hoe te antwoorden, Alya. Je bent mijn dochter.
Een dreunende gongslag… Ik druk mijn voorhoofd tegen de koude steen en wacht op wat komen gaat. Terwijl het geluid tergend langzaam wegsterft, bonst mijn hart zo luid dat ik me afvraag of de gezanten voor mij het zullen horen.
Voetstappen doorbreken de stilte. Even nadat ze ophouden klinkt een stem.
‘Jullie mogen staan.’ Meer niet.

 

 

Keuzes

Wat een vage titel, zullen heel wat lezers denken. Ons leven bestaat nu eenmaal elke dag opnieuw uit een eindeloze reeks keuzes. Hoe meer vrijheid je hebt, hoe langer de rij beslissingen wordt die je na het opstaan vroeg of laat zult moeten nemen. Dat is al helemaal zo als je zoals ik pensionado bent en elke morgen opnieuw geheel zelf kunt beslissen wat je met die zoveelste nieuwe dag van je leven zult gaan doen. Welke sokken trek ik aan? Ga ik eerst douchen of lees ik eerst de krant? Is het weer goed genoeg voor een fikse ochtendwandeling of regent het en kies ik voor een droog plekje in de sportschool?

Wees gerust, lezers. Ik ga niemand vermoeien met dit soort belangwekkende afwegingen. Ik schrijf op deze plek over schrijven, schrijvers en schrijfsels. Heb ik het hier dus over keuzes, dan doel ik op keuzes waar het schrijven mij voor stelt en niets anders dan dat.
Natuurlijk is er een aanleiding om het daar nu juist vanavond over te hebben. Die aanleiding bestaat uit een heel bijzonder moment. Hoe bijzonder? Dat begrijpen zeker weten alle medeschrijvers die ooit hetzelfde meemaakten. Een uurtje geleden begon ‘Winterwende’, mijn eerste manuscript van romanlengte aan de (in dit geval digitale) weg naar een (mogelijke) uitgever. Een mijlpaal? Jawel, maar niet de eerste en hopelijk ook niet de laatste. Voor mij (en ik zal daarin wel niet de enige zijn) was misschien wel de mooiste mijlpaal in mijn schrijvende leven toen voor de allereerste keer iets dat ik bedacht en opschreef door iemand de moeite waard werd geacht om het in gedrukte vorm de wereld in te sturen; mijn allereerste gepubliceerde verhaal dus. Ach ja, wat later concludeerde ik dat die prestatie niet echt wereldschokkend was, omdat het ging om een schrijfwedstrijd waarin de kans op publicatie de 50% naderde. En toch… dat moment was, hoe onterecht misschien, mooier dan al het volgende, mooier zelfs dan die keer, een paar jaar later, dat ik tweede werd in een wedstrijd met rond de 350 deelnemers.

Ik dwaal af. Het ging dus over keuzes. En nu ga ik concreet worden. De vraag die mij met regelmaat bezighoudt is of het wel slim is om datgene wat je schrijft enkel en alleen af te laten hangen van wat er toevallig in je opkomt. Jazeker, zullen velen zeggen. In schrijven moet je je gevoel volgen en dus gewoon schrijven wat je wilt schrijven. In mijn geval gaat dat dan al snel de min of meer fantastische kant op. Ik houd gewoon van alles wat exotisch, ver weg of onbekend is. Niet voor niets bestaat mijn eerste langere publicatie uit een bundel pure fantasyverhalen. Spijt heb ik daar absoluut niet van. Die bundel (Traisha en het Ei) kreeg mooie recensies. Maar er is een keerzijde. Om te beginnen lopen verhalenbundels qua verkoop voor geen meter, vergeleken met ‘gewone’ romans. En verder is het in Nederland ongelofelijk lastig om een fantasyboek uit te brengen dat de concurrentie aankan met de stortvloed aan vertaalde Engelstalige titels. Zonder anderen tekort te doen, denk ik dat zoiets de laatste paar jaar alleen Thomas Olde Heuvelt en Natalie Koch een beetje gelukt is.

Om met de deur in huis te vallen, dat alles bracht mij nog niet zo lang geleden tot een duidelijke keuze. Ik laat die fantasy absoluut niet vallen. Daarvoor vind ik het simpelweg een veel te leuk genre. Ik blijf dus zeker weten met regelmaat meedoen aan schrijfwedstrijden in het fantastische genre en zal mijn best doen om daar de komende jaren nog een keer een mooie bundel van uit te brengen.
Maar wél geef ik bij deze voorgoed de illusie op om tussen de stortvloed van lijvige fantasy-trilogieën, al dan niet Engelstalig, iets uit te brengen dat past in het rijtje Hobb-Jordan-Martin-Williams-Goodkind en ga zo maar door.
Gelukkig heb ik een alternatief. Exotisch en ver weg past ook bij een ander genre en wel een dat ik net zo mooi vind als die fantasy. Als ik ‘ver weg’ even vertaal als ‘lang geleden’ kom ik uit bij het genre van de historische roman. Dat is dus bijvoorbeeld ‘Winterwende’, een prehistorische roman, die speelt in de tijd van de rendierjagers. Dat is ook mijn volgende project, een verhaal dat speelt in de negende eeuw en van start gaat in het Emiraat van Cordoba. Meer kan ik daar voorlopig niets over zeggen. Ook dat wordt weer een kwestie van keuzes….

Deadlineschuiverij

Dat ik verschillende maanden op rij niets op dit blog heb laten horen, is absoluut geen toeval. Het was heel bewust. De oorzaak heeft twee verschillende namen. De eerste heet Winterwende, de tweede heet ‘schuivende deadlines’.
Dat vraagt natuurlijk om uitleg. Goed, ik zal mijn best doen…

Zo’n vijf jaar geleden schreef ik tijdens de jaarlijkse schrijfmarathon van de website Zinniger Zinnen de eerste versie van mijn prehistorische YA-roman Winterwende, althans het eerste deel daarvan. Tot nog toe niets aan de hand. Verhalen zijn er nu eenmaal om af te maken, waar of niet. Nu is er niets mis met het een tijdje laten liggen van een verhaal. Dat wordt in schrijfboeken of op sites als Schrijven Online met regelmaat gepropageerd als een probaat middel om afstand van je schrijfsel te nemen en er dan na een maand of wat met een frisse blik weer mee aan de slag te gaan. Oké, zo ga ik dat dus ook doen, dacht ik dus. Er zijn immers zo veel andere schrijfuitdagingen, een schrijfwedstrijd hier, een 120W-verhaaltje daar, een verhalenbundel die je ‘even’ voorrang geeft en ga zo maar door. Het duurde een tijd voordat ik doorhad dat ik mezelf voor de gek hield. Wat is mijn probleem? Ik ben een onverbeterlijke deadlinevoormijuitschuiver. Ik weet elke dag en elke week opnieuw een rechtvaardiging te vinden voor het laten liggen van het verhaal dat ik in mijn eerste plannen al lang voltooid zou hebben. Niet dat ik lui of improductief ben, verre van dat. Het digitaal archief op mijn computer dijt gestaag uit, zo zeer dat ik regelmatig moeite heb om een verhaalaanzet of ander schrijfsel nog terug te vinden. Ook de stapel volgeschreven notitieboekjes groeit en groeit. Het probleem is ook niet echt dat ik nooit iets afrond. Jawel, dat doe ik heus met enige regelmaat en gelukkig ook af en toe succesvol. Alleen… het is zelden datgene wat ik me voorgenomen had, maar net weer iets anders, waar ik in een plotselinge opwelling aan begon.

Er is een sprankje hoop aan de horizon wat mijn probleem betreft. Vandaag tikte ik dan eindelijk de slotzin van Winterwende in. Niet dat het meteen naar uitgeverijen kan. De herschrijf voor ‘al die kleine dingetjes’, zoals dubbele spaties, vergeten aanhalingstekens, onnodige stopwoordjes enzovoort moet er nog overheen. Daarnaast heb ik de slothoofdstukken herschreven en wacht ik zeker weten eerst af wat mijn proeflezers daarvan vinden.
Toch had die allerlaatste punt effect op mij. Ik heb namelijk nog een andere eigenaardigheid. Ik ben beter en hardnekkiger in afronden dan in afmaken. Zo gauw ik een verhaal eenmaal voltooid heb, blijf ik zoeken naar dingen die beter zouden kunnen en of moeten. Dan heb ik niet langer de neiging dat voor mij uit te schuiven. Integendeel, dan bijt ik mij er in vast.
Daarom twee mededelingen. De eerste is dat Winterwende nu echt binnenkort naar een paar uitgevers gaat. De tweede is dat ik dat feit ga vieren door weer minimaal elke maand een blog te schrijven. Zo gauw ik dat laat versloffen, weten jullie hoe laat het is. Dan ben ik bezig aan een nieuw manuscript en ben ik opnieuw aan het schuiven geslagen. ;-(