Wachten op Alya

 

Wie de titel van mijn nieuwe blog leest en weet dat ‘Alya’ (deel een van mijn historisch tweeluik) op 24 april uitkomt bij uitgeverij Mozaïek, zal misschien denken dat ik tot die datum mijn dagen in ledigheid slijt. Niets is minder waar, want het redactieproces is nog in volle gang. Op 1 december ging na twee maanden herschrijfwerk versie drie van ‘Alya’ de digitale snelweg op richting uitgeverij Mozaïek en daar zal het beslist niet bij blijven. Er gaat minimaal nog één herschrijfronde volgen.

Nu ik even een paar dagen wat (her)schrijfgas terug kan nemen, is dat een mooie gelegenheid om eens op een rijtje te zetten wat er zich allemaal afspeelde (of wat zich nog af gaat spelen) tussen het eerste vage verhaalidee dat in mijn hoofd begon te borrelen en het moment dat ik straks het eindproduct, een echt en tastbaar boek, in handen kan houden. Natuurlijk verloopt dat proces bij elke auteur en bij elk boek weer anders. De samenvatting hieronder is dan ook enkel een voorbeeld van hoe het kan gaan. Het is mogelijk (sterker, het is heel waarschijnlijk) dat een andere auteur daar weinig of niets van herkent.
Had ik dit verhaal eerder kunnen vertellen? Nee, dat denk ik niet. Pas als je in de fase komt dat er een contract getekend wordt, bevestig je als auteur en uitgever wederzijds dat je geesteskind levensvatbaar is en dus echt tot een boek gaat leiden. Dan komt er ook een duidelijk eindpunt in zicht. Dat moment was er een paar weken geleden. Nou ja, helemaal waar is dat niet. In mijn geval was de intentie van de uitgever om het verhaal van Alya in principe uit te gaan geven al veel eerder uitgesproken, namelijk ergens in het najaar van 2016. Maar een intentie is geen zekerheid. Als auteur moet je dat eerst nog maar eens waar zien te maken. Dat doe je door niet alleen te laten zien dat je een publicabel verhaal weet te bedenken, maar ook dat je in staat en bereid bent om het hele daarop volgende redactieproces met goed gevolg te doorstaan.

De weg van ‘Alya’ van het eerste idee tot de dag van uitkomen in april 2018:

  • Begin 2016:  Na een hele reeks verhalen in diverse bundels of tijdschriften (vanaf 2005) en de publicatie van een fantasybundel (‘Traisha en het Ei’) begon mijn voornemen om eindelijk eens iets langers te gaan schrijven steeds meer te kriebelen. De uiteindelijke trigger werd de maand maart, waarin mijn vaste schrijfgroep, ZinnigerZinnen, elk jaar een schrijfmarathon organiseert. Opdracht: schrijf en post elke dag 750 tot 1000 woorden van een nieuw verhaal, maar neem daarnaast ook de tijd om positieve feedback te geven op de schrijfsels van minimaal drie mededeelnemers. Mijn allereerste idee was een klassiek fantasyverhaal over een personage met een bijzondere gave, die zowel een zegen als een vloek kan zijn. Waarom ik daar op het laatste moment vanaf stapte? Als ik eerlijk ben, was daar geen diepere reden voor, maar gaf mijn gezonde boerenverstand de doorslag. Waarom, zo dacht ik, zou ik gaan proberen om het zoveelste fantasy-epos toe te voegen aan een eindeloze reeks gelijksoortige verhalen? De kans om in het fantastische genre een grote Nederlandse uitgever voor je boek te strikken is immers klein. Die kiezen meestal voor de bekende namen uit de Angelsaksische wereld.
    Daarna was mijn keuze pijlsnel gemaakt. Mijn tweede favoriete genre is namelijk het historische. Niet voor niets was in 2011 mijn eerste zelfstandige uitgave een prehistorisch jeugdverhaal, als ‘Vlaams Filmpje’ uitgegeven door Averbode. Maar… ik vond het eeuwig zonde om mijn eerste verhaalidee zomaar op te geven, omdat ik er al allerlei beelden bij had. Toen bedacht ik plotseling dat een gave zoals ik die voor ogen had bij fantasy gewoonlijk in de magische richting gaat, maar dat je er ook heel goed een draai in de echte wereld aan kunt geven. Diezelfde dag koos ik die gave, namelijk het talent om razendsnel een nieuwe taal te leren en had ik al een globaal beeld van het meisje dat mijn hoofdpersonage zou gaan worden. De rest zou je een kettingreactie kunnen noemen. Waar en wanneer leefde dat meisje en hoe zou ik een gave als haar buitengewone aanleg voor talen kunnen gebruiken om er een logische plot uit te destilleren? Zo kwam ik uit (over het waarom zal ik hier niet uitweiden, al had ik er wel degelijk mijn redenen voor) bij het islamitische Al Andalus van de negende eeuw en bij Alya als dochter van Omar, hofmeester van de emir, die zijn eigen talent in zijn dochter herkent en er alles aan doet om dat verder te stimuleren en ontwikkelen. Maar Omar rekent buiten emir Abd-al-Rahman, die van Alya’s gave hoort en besluit om haar als tolk met een gezantschap naar het verre Navarra te sturen. Dat stukje van het verhaal stond al heel snel vast. Dat het vervolgens van de geplande 30.000 à 40.000 woorden uit zou dijen tot iets van bijna 150.000 woorden (ongeveer 600 boekpagina’s) zodat Mozaïek nu een tweeluik van het verhaal gaat maken, had ik nooit voorzien…
  • Maart 2016. Toen ik op 1 maart 2016 aan die ZZ-schrijfmarathon begon, zat het verhaalbegin (en ook het eindpunt waar ik naartoe wilde schrijven) al zo vast in mijn hoofd dat het van het begin af aan bijna vanzelf leek te gaan. Al schrijvende ontdekte ik wel al snel dat mijn plot, waarin Alya heel wat afreist en in allerhande landen terechtkomt, om een hele stoet nevenpersonages vroeg. Een paar daarvan had ik voorzien, maar de meeste moest ik al schrijvende bedenken. Of dat bij elke schrijver zo werkt? Ik zou het niet kunnen zeggen…
  • April 2016. De schrijfmarathon zat erop en ik had de geplande 30.000 woorden ruimschoots gehaald. Alleen bleek toen dat Alya nog maar net op weg was en dat de novelle die me een maand eerder nog voor ogen stond op zijn minst een complete roman zou gaan worden. Ik besloot om maar gewoon verder te schrijven en de rest van het verhaal alle ruimte te geven die het nodig had.
  • Oktober 2016. Een halfjaar verder (tussendoor werkte ik aan een aantal kortere historische verhalen) zat ik al boven de 70.000 woorden. Ik wist dat er nog heel wat moest volgen, maar was intussen wel op een logisch keerpunt in het verhaal aanbeland (welk punt laat ik in verband met spoilers in het midden), een punt waar in april het eerste deel van mijn tweeluik ook gaat eindigen. Omdat de meeste uitgeverijen tegenwoordig vragen om een verhaalbegin plus synopsis, besloot ik begin oktober 2016 dat het moment was gekomen om het met mijn manuscript bij een paar uitgevers te gaan proberen. Toen, ergens halverwege de maand, nadat mijn manuscript bij de eerste van die twee uitgevers al op de ‘slushpile’ (de torenhoge stapel ongevraagd ingestuurde manuscripten) lag, gebeurde iets buitengewoons, waar ik tot op de dag van vandaag verbaasd over ben. Via messenger kreeg ik een bericht van een redactrice van Mozaïek. Ze had gelezen dat ik aan een manuscript werkte en op basis van de verhalen die ze op internet van mij lazen was de vraag of ik hen dat manuscript toe kon sturen, zodat de redactie kon bekijken of het binnen het fonds van Mozaïek paste. En geloof het of niet, op diezelfde dag was ik bezig met een begeleidende brief en had ik na het (aan helderziendheid grenzende) advies van een medeschrijfster het plan om ‘Alya’ daags daarop, ja juist, naar uitgeverij Mozaïek te sturen… Nadat ik van mijn verbazing over een dergelijk toeval was bekomen, reageerde ik uiteraard meteen en stuurde de eerste helft van ‘Alya’ plus een synopsis van het vervolg. Daarna werd al snel afgesproken dat ik begin 2017 het verhaal af zou ronden en ook de rest in zou sturen. Iedereen zal begrijpen dat die ontwikkeling als een soort doping op mij werkte. Ik liet andere schrijfsels tijdelijk voor wat ze waren, schreef ‘in no time’ de resterende 75.000 woorden van ‘Alya’ en stuurde die in.
  • Februari 2017. Een volgend mooi bericht volgde. Dezelfde redactrice liet weten dat mijn complete manuscript zo goed beviel dat Mozaïek in principe met mij verder wilde. Er volgde een eerste gesprek in Utrecht. Daarbij kreeg ik mijn eerste redactiehuiswerk. Dat werd dus vooral schrapwerk. Alle scènes die niet bijdroegen aan het verhaal, maar het enkel vertraagden, moesten eruit. Echt schrikken deed ik daar niet van. Ik had intussen genoeg van medeschrijvers gehoord om te weten dat zoiets bijna altijd gebeurt. ‘Kill your darlings’, heet dat in schrijversjargon. Iets van tussen de 5 en 10% van mijn verhaal sneuvelde…
  • Zomer 2017. Na die eerste redactiefase bleef het een hele tijd stil. Ook iets waar je als schrijver aan moet wennen. De planning van uitgevers verloopt nu eenmaal niet altijd zoals auteurs het zouden wensen. Maar logisch is dat wel. Je bent echt niet de enige auteur en elk jaar moet een uitgever weer puzzelen en keihard werken om alle nieuwe boeken voor de volgende aanbieding op tijd afgerond te hebben.
  • Herfst 2017. Er volgt een tweede gesprek met een volgende redacteur. Deze keer gaat het niet alleen over de volgende redactieronde, maar ook over heel praktische zaken zoals de cover, een korte tekst voor de boekhandels, het moment van uitkomen en de promotie. En ja, nu is ook het punt gekomen dat alles in een echt boekcontract vastgelegd zal worden.
  • December 2017. Het moment waarop ik nu zit te tikken dus. Versie drie van ‘Alya’ is intussen de deur uit, want de deadline daarvoor was ergens rond 1 december. In de tweede herschrijf heb ik inhoudelijk gelukkig niets aan hoeven te passen, maar ging het vooral om de stijl. Die moest directer en mijn woordgebruik en zinsbouw hier en daar wat minder plechtig. Nou ja, ik had nog wel wat meer huiswerk, maar dat ga ik hier niet allemaal tot in detail vermelden.
  • Begin 2018. In het nieuwe jaar volgt nog minimaal één redactieronde. Weer een andere redacteur of redactrice gaat dan ‘op microniveau’ elke zin en elk woord onder de loep nemen. Daarmee kan ik straks nog een keer aan de slag. Niet erg. Gelukkig heb ik nooit een hekel aan herschrijfwerk. Dat hoort er nu eenmaal bij om je boek zo goed mogelijk te maken. Als ik die laatste ronde naar tevredenheid afrond, komt er daarna ook nog eens een corrector aan te pas om de laatste puntjes op de i te zetten. Die loopt alle ‘kleine dingetjes’ als juiste interpunctie, komma’s, tikfoutjes, spaties, witregels enzovoort na. Ten slotte krijg je als auteur ter controle nog de drukproeven toegestuurd.
  • April 2018. Ja, dan is het eindelijk zo ver. Hoe het op en na 24 april, de dag waarop deel een van ‘Alya’ uitkomt, zal gaan, wordt iets voor een volgende blog. Deze is intussen lang genoeg geworden… 😉

 

´Alya´ gaat in twee delen verschijnen

Botanische tuin in Al Andalus (het huidige Andalusië)

 

In overleg met Uitgeverij Mozaïek is deze week besloten om ‘Alya’ niet als één boek, maar in twee delen uit te geven. Waarom? Ook na de eerste redactieronde, waarbij ongeveer 10% van de oorspronkelijke tekst sneuvelde (dat is bepaald niet ongewoon…) zou het boek 600 of meer pagina’s gaan tellen. Dat vond men wat veel van het goede. Het worden nu twee delen van elk rond de 300 pagina’s, een wat meer gangbare omvang.
Deel een, dat voor april 2018 is gepland, blijft gewoon ‘Alya’ heten. Deel twee komt dan een halfjaar later uit, rond oktober 2018 dus. Dat geeft mij ruim de tijd om over een passende titel na te denken.
Gelukkig is het goed mogelijk om het verhaal in twee delen op te splitsen. Ergens halverwege zit een ‘kantelpunt’ dat zich daar heel goed voor leent. In verband met mogelijke spoilers ga ik daar verder natuurlijk niets over zeggen…
Ik ben erg blij met het vertrouwen dat Mozaïek in mij stelt, want het is absoluut niet vanzelfsprekend dat ze van een debutant (niet wat korte verhalen betreft, maar wel als het over romans gaat) meteen twee boeken binnen één kalenderjaar uitgeven. Op deze manier zou het trouwens zomaar tot een serie van drie of meer boeken kunnen leiden. Een volgend deel zit namelijk in grote lijnen al in mijn hoofd, een titel is er intussen en de eerste hoofdstukken zijn uitgeschreven. Maar dat zeg ik met een paar fikse maren… Om te beginnen heb ik vanaf nu tot diep in 2018 het grootste deel van mijn schrijftijd nodig voor de redactie van de eerste twee delen, zodat er van verder schrijven even niet zo veel gaat komen. En ook als ik dat derde verhaal wel afgerond heb, ben ik natuurlijk nog lang niet zeker van een volgende uitgave. Mozaïek zal het goed moeten keuren. Zelfs als ze vinden dat het kwaliteit genoeg heeft, zal ongetwijfeld meewegen hoe de twee delen van Alya ontvangen worden. Zo gaat dat en zo hoort het ook te gaan. Met elk boek moet je jezelf bewijzen. Ik zie het dan ook als een uitdaging en bepaald niet als iets dat ik wel eventjes ga doen…

Wordt vervolgd dus. Wie weet kan ik in een volgende blog al iets meer over cover, achterflap en al dat soort bijkomende (maar wel degelijk belangrijke) zaken vertellen. In elk geval zal de cover met een kernachtige omschrijving rond 1 december klaar moeten zijn, want dan komt de voorjaarsaanbieding van Mozaïek uit, waarin de nieuwe uitgaven voor de periode februari tot en met juni 2018 aangekondigd worden.

PS:
Ik dacht er eventjes over om hier als afsluiter nog een stukje uit het begin van deel een te plaatsen, maar dat zou dubbelop zijn. Wie het geduld opbrengt om terug te scrollen naar mijn blog van 12 april 2016 (dat gaat een stuk sneller als je eerst rechts op ‘april 2016’ klikt) kan daar als voorproefje vast twee fragmenten uit de eerste hoofdstukken lezen. De werktitel van mijn verhaal luidde toen nog ‘Schaduwlanden’. Die titel sneuvelde al snel omdat die niet uniek bleek te zijn, wat een nadeel is als iemand online naar je uitgaven wil zoeken. In de loop van 2017 is het dan ook simpelweg ‘Alya’ geworden naar het hoofdpersonage van mijn verhaal , de (in het verhaalbegin) veertienjarige dochter van de hofmeester.

 

Witte rook voor Alya

De witte rook waarop ik bijna een jaar zat te wachten is een paar dagen geleden dan eindelijk gekomen. Uitgeverij Mozaïek gaat ‘Alya’ opnemen in de voorjaarsaanbieding, wat inhoudt dat het ergens in de periode februari t/m juni 2018 uit zal komen.

Natuurlijk sprong ik bij dat nieuws een gat in de lucht. Al gebeurt het bij een reguliere uitgeverij zoals Mozaïek zelden dat een manuscript waarin al tijd (en dus geld) gestoken is op de route naar publicatie alsnog sneuvelt, mogelijk is het wel degelijk. Er kunnen altijd onvoorziene omstandigheden roet in het eten gooien. Daarbij moet je als auteur het in je gestelde vertrouwen tijdens de diverse redactierondes waar blijven maken. Geen enkel manuscript is meteen perfect en al helemaal niet als het, zoals in mijn geval, het allereerste manuscript van romanlengte is. In theorie zou ik het tijdens de volgende redactierondes (een heb ik er al achter de rug) dus alsnog kunnen verknallen, maar dat laat ik natuurlijk niet gebeuren…

Ik kreeg ook nog ander nieuws, namelijk dat Mozaïek definitief besloten heeft om ‘Alya’ niet als young adult, maar als een historische roman voor volwassenen uit te gaan geven. Op de redenen daarvoor ga ik hier nu verder niet in. Dat is misschien iets voor een van de volgende blogs, als ik daar meer over gehoord heb. Nu gaat het mij even om de gevolgen, niet enkel voor de komende redactieronde(s), maar ook voor de promotie, de cover, de flaptekst en nog wel wat zaken meer.
Ik moest echt wel even nadenken over de vraag of ik wel of niet blij moest zijn met de keuze van de uitgever. Daar ben ik intussen wel uit. Als ik alles op een rijtje zet, denk ik dat het bij een historische roman heel goed uit kan pakken. Heel wat volwassen lezers zullen boeken met een ‘YA-stempel’ aan zich voorbij laten gaan. Andersom speelt dat volgens mij veel minder. In cultuur en geschiedenis geïnteresseerde jongeren die graag en veel lezen zullen ook wel voor een ‘volwassen’ boek kiezen als het onderwerp hen interesseert en de recensies (hopelijk…) meehelpen.

Hoe gaat het nu verder? Dat is snel verteld. Volgende week heb ik een gesprek met de redacteur, waarbij het vooral over de volgende redactieronde zal gaan. Met wat ik dan hoor, ga ik weer met frisse moed aan de slag. Gelukkig heb ik bepaald geen hekel aan herschrijfwerk. Integendeel. Ik weet waarvoor ik het doe en ik realiseer me dat het boek er altijd beter door zal worden.
Wordt vervolgd… 😉

‘Alya’ en mijn verdere schrijven – Een update

Eind 2016 kreeg ik het mooie bericht dat uitgeverij Mozaïek met mij en met name met mijn historische roman ‘Alya’ in zee wilde gaan. Uiteraard sprong ik een gat in de lucht. Hoe vaak gebeurt het nu eigenlijk dat een schrijver die pas ver na zijn vijftigste serieus met schrijven begint op een niet meer zo piepe leeftijd (in juni werd ik 68…) alsnog een dergelijke kans krijgt? Hoogst zelden, zo weet ik intussen en daarom tel ik in de allereerste plaats mijn zegeningen en neem voor lief dat het allemaal lang niet zo snel gaat dan ik in eerste instantie verwachtte.
Dat laatste was eerst en vooral mijn eigen schuld. Ik bazuinde meteen op alle mogelijk sociale media rond dat mijn boek er aan stond te komen, zonder me voldoende te realiseren dat bij professionele uitgeverijen een uitgave pas zeker is als je het redactieproces met goed gevolg doorloopt en daarna het contract getekend wordt. Daarbij had ik geen realistisch beeld van de tijd die met een uitgave gemoeid is.
Intussen sta ik weer met beide voeten op de grond. Ja, ik ben nog altijd optimistisch over ‘Alya’. Het boek (het zal afhankelijk van de uitvoering iets tussen de 300 en 400 pagina’s gaan tellen) gaat nu de tweede redactieronde in. Als dat verloopt zoals ik hoop, zou ik waarschijnlijk ergens in de herfst definitief zekerheid kunnen krijgen over de uitgave. Voor wat mijn inschatting waard is denk ik dat vervolgens ergens tussen februari en juni 2018 mijn eerste volwassen historische roman van de persen kan rollen. Ik hoop natuurlijk op februari, maar helaas ga ik niet over de planning bij Mozaïek, hoe graag ik dat ook zou willen…

Nu ik voorlopig af moet wachten hoe het met ‘Alya’ verdergaat, heb ik weer de tijd voor andere schrijfprojecten. Ja, ik ben wel degelijk al met de opvolger van ‘Alya’ aan de gang. Dat verhaal speelt in dezelfde tijd, maar is geen rechtstreeks vervolg. Het eerste hoofdstuk staat, maar ik ga er pas een onafgebroken periode (ik denk aan de komende herfst en winter) mee aan de slag als het contract voor ‘Alya’ getekend is. De reden is simpel. Als dat moment eindelijk gekomen is, ben ik 100% gemotiveerd voor dat tweede boek. Dat helpt enorm bij de ‘flow’ in het schrijven. Zo werkt het althans bij mij.

 

 

Zit ik dan tot die tijd achter de geraniums af te wachten? Bij het idee alleen al gruw ik. De afgelopen maanden en ook de komende zomermaanden juli en augustus houd ik mij vooral bezig met mijn tweede liefde, namelijk de korte verhalen. Toen ik pas schreef, lag daarbij de nadruk op fantasy en schreef ik af en toe ook eens een historisch verhaal. Heel geleidelijk aan is die verhouding precies omgekeerd komen te liggen. Ik ga de lezers van deze blog niet vermoeien met het hoe en waarom en eindig deze post met een opsomming van hoe het er nu met mijn kortere verhalen voorstaat.

  1. Ik blijf met regelmaat korte verhalen schrijven voor de website (en gelijknamige uitgeverij) Historische Verhalen. In het voorjaar verscheen ‘Gilberts oor’, een verhaal dat speelt in het Gent van rond de veertiende eeuw. ‘Hisse’, een tweede verhaal, spelend in het Zweden van de vroege middeleeuwen, zit in de redactiefase en staat voor de komende nazomer of herfst op de rol. In januari 2018 komt er zoals het er nu voorstaat opnieuw een papieren jaarbundel uit met alle verhalen van 2017, ook nu weer aangevuld met een paar pagina’s historische achtergrond.
  2. Voor de schrijfwedstrijd middeleeuwse verhalen ‘Anno Domini 892’ van Godijn Publishing stuurde ik twee verhalen in. Het eerste (‘Umars opdracht’) won de tweede ronde en veroverde daarmee automatisch een plekje in de wedstrijdbundel. Het tweede verhaal (‘Naar Verdun’) staat op de longlist van 40 verhalen. Half juli weet ik of ook dat de bundel haalt.
  3. Op het ogenblik werk ik opnieuw aan een historisch verhaal, deze keer voor de ‘Gouden-Eeuw-wedstrijd’ van Historische Verhalen. Dat moet eerst maar eens af. Meer kan ik er hier niet over zeggen.
  4. In mei was de deadline van de jaarlijkse Averbode verhalenwedstrijd. De twaalf beste verhalen worden als ‘Vlaamse Filmpjes’ in Vlaanderen uitgegeven. Ik zou het erg leuk vinden als ik met mijn inzending een tweede uitgave (na ‘IJstijd’ uit 2010) in de wacht kan slepen. Ik heb daar goede hoop op, voor wat dat waard is uiteraard.
  5. Ja, en dan die fantasy… Na ‘Traisha en het Ei’, mijn in 2014 bij uitgeverij EigenZinnig uitgekomen fantasybundel, heb ik dat genre op een wat lager pitje gezet. Waarom? Mijn bundel kreeg erg mooie recensies, maar verkocht desondanks bepaald niet geweldig. Dat ligt niet alleen aan het genre. Verhalenbundels verkopen in het algemeen slechter dan romans. Toch vind ik fantasy een veel te leuk genre om daar helemaal een punt achter te zetten. Ik zond wat maanden geleden dus twee verhalen in (een herschreven oud verhaal plus een nieuw) voor Ganymedes 17, de jaarbundel voor fantasy en SF. Dat leverde meteen twee primeurs op. Een verhaal verschijnt in augustus/september in Ganymedes, het andere in een van de komende nummers van het tijdschrift Fantastische Vertellingen.

Hisse (historische serie in 15 x 120 woorden)

Het wordt tijd om op mijn website weer eens teken van (schrijf)leven te geven. Mensen die mij volgen, vragen zich misschien af hoe het intussen met ‘Alya’ staat, mijn eerste ‘volwassen’ historische roman, waarvan ik hier in 2016 al een paar fragmenten plaatste.  Daarover kan ik melden dat er door omstandigheden vertraging is opgetreden in het uitgeefproces (wie weet zelfs een half jaar), maar dat het verder verloopt zoals ik hoopte. De eerste ruwe versie werd door de uitgever (Mozaïek) positief ontvangen. Intussen heb ik het commentaar van de redactrice verwerkt en een tweede versie ingeleverd. In dat proces zijn er van de oorspronkelijke 165.000 woorden al een kleine 20.000 gesneuveld. Dat schijnt bepaald niet uitzonderlijk te zijn. Ik verwacht dan ook dat er in de volgende redactieronde(s) ook nog hier en daar gesneden zal worden.
Uitstel is nooit leuk, maar ik heb geleerd dat het bij meer uitgaven zo verloopt en dat  ik gewoon heel geduldig moet zijn. Ik zie het dan ook van de zonnige kant. Het is best wel bijzonder om op mijn  niet meer ‘zo heel erg piepe leeftijd’ alsnog zo’n mooie uitgeefkans te krijgen. Overigens heb ik die buit beslist nog niet binnen. Dat is pas zo ver als ik alle redactierondes goed doorsta en daarna het definitieve fiat van de uitgever krijg. Ik heb er alle vertrouwen in dat het goedkomt, maar zekerheid is er dus nog niet. 

Na de eerste redactieronde van ‘Alya’ had ik een tijd de handen vrij om weer eens wat korte verhalen te schrijven, ook weer in historische sferen trouwens. Dat leverde vorige maand al vast één leuk resultaat op. Mijn verhaal ‘Umars opdracht’ won de tweede ronde van een historische schrijfwedstrijd voor korte verhalen tot maximaal drieduizend woorden, namelijk ‘Anno Domini 892’ van Godijn Publishing. Dat betekent in ieder geval vast dat het komend najaar in de wedstrijdbundel gepubliceerd wordt. 

Af en toe schrijf ik ook nog altijd ultrakorte verhalen van exact 120 woorden op de website 120w.nl. Deze keer heb ik daar in de loop van enkele weken een feuilleton van 15 opeenvolgende stukjes (jawel, ook nu weer historisch) geplaatst met als titel ‘Hisse’. Het handelt over een Fries meisje dat in de negende eeuw als slavin in het Zweedse Birka belandt en aan haar lot probeert te ontsnappen. Prijzen vallen er met zo’n feuilleton niet te verdienen, maar ik kreeg er wel veel leuke reacties op. Vandaar dat ik hieronder het hele feuilleton van in totaal 15 x 120 = 1800 woorden een plekje geef. 

 

HET SPOOR (HISSE 1)

‘Leif!’ roept Hedda, ‘Je Friese slavin is er met je boog vandoor.’
Hisse? Dat zal ze bezuren. Ik ga meteen achter haar aan.’
‘Het is nog erger dan je denkt. Hisse vertelde mij dat ze een kruis bij het graf van haar broer ging plaatsen.’
‘Bij Odin, dat gaat haar de kop kosten.’
‘Doe niet zo stom, Leif. Een portie zweepslagen is genoeg.’
Leif luistert niet, maar roept Bor. De wolfshond volgt Hisses spoor, staat stil bij het kruis en jankt zachtjes.
Vol verbazing kijkt Leif naar de pijl die uit zijn borst steekt.

Hisse laat zich uit de boom zakken, pakt Leifs zwaard en streelt de hond over zijn kop.
‘Knap werk, Bor. Kom. Samen redden wij ons wel.’

 

HET WOUD (HISSE 2)

Hisse trekt de pijl uit de borst van haar voormalige eigenaar en wrijft het bloed er met de zoom van haar hemd af.
‘Je had van mij af moeten blijven, Leif,’ zegt ze ernstig.
De wolfshond heft zijn kop en jankt opnieuw.
‘Rouw je om hem, Bor? Dat verdient hij niet. Kom, we moeten hier weg.’

Een voor een lossen de stammen op in de duisternis. Als een stille geest scheert een uil over haar hoofd. Hisse staat stil en huivert. Waar zij in Friesland leefde, kende zij plassen, moerassen en zompige weiden, maar geen woud.
Tussen de wortels van een oude eik maakt ze een nest van dorre bladeren. Met Bors kop op haar borst valt ze in slaap.

 

HET EERSTE ONTWAKEN (HISSE 3)

Hisse denkt de zee te horen. Als ze haar ogen opent, zucht ze van teleurstelling. Een gestage regen daalt neer op het woud. De sprankelend groene wereld van gisteren oogt nu grauw, kil en levenloos.
Ergens in de verte klinkt een geluid dat Hisse niet meteen herkent, maar Bor wel. Hij komt overeind, schraapt zijn poten en spitst de oren. Als bevroren blijft hij staan. Dan hoort Hisse het ook. Geblaf en luide kreten…

Hisse weet van wie de stemmen zijn. Knut en Bjorn vonden hun broer en weten wie hem doodde. Ze komen eraan om Leif te wreken. Hisse hoort doodsbang te zijn voor wat ze met haar zullen doen. Maar zij glimlacht enkel en streelt Bors ruige vacht.

 

WEERZIEN (HISSE 4)

De roedel wolfshonden vliegt recht op Hisse af. Een tel later wordt ze bijna onder de voet gelopen. De voorste teef springt tegen haar op en likt haar gezicht kletsnat.
‘Mooi dat jullie mij vonden,’ roept Hisse, ‘maar zo is het genoeg. Af!’
Meteen liggen alle honden aan haar voeten.

Knut en Bjorn breken door het struikgewas. Met het zwaard in de hand staan ze stil. Woede en verbijstering strijden op hun gezichten om de voorrang.
‘Hoopten jullie mijn verscheurde lichaam te vinden?’ vraagt Hisse.
Bjorn zwijgt. Hij knikt naar Knut en heft zijn zwaard. Samen stormen ze op haar af.
‘Ga!’ schreeuwt Hisse. Bor springt als eerste…

Langzaam kleurt het mos voor haar voeten helrood. Hisse sluit de ogen.

 

HEDDA (HISSE 5)

Wanneer ze haar ogen opent, is alles voorbij. Vol verwachting kijken de wolfshonden haar aan, hun bekken druipend van het bloed.
Hisse denkt aan Hedda en ze huilt. Is het Hedda’s schuld dat ze een vader heeft die haar aan een wreedaard als Leif uithuwelijkte? Ze huilt ook om de broers. Die moesten Leif wel wreken.

Hisse loopt terug naar het langhuis, al kan dat haar dood betekenen. De honden lopen achter haar, behalve Bor. Die wijkt niet van haar zijde.
Als een standbeeld staat Hedda te wachten. Hisse legt drie zwaarden voor haar voeten. ‘De honden wijzen je de weg,’ zegt ze. ‘Het spijt me, Hedda.’

Hisse keert zich om en verdwijnt in het woud. Alleen Bor volgt haar.

 

HERFST IN HET WOUD (HISSE 6)

De nachten worden kil en vochtig. Spinnenwebben vormen een zilveren krans rond Hisses slaapplaats, als ze ‘s morgens rillend van de kou ontwaakt.
Twee schatten redden haar. De eerste is het mes dat ze van Leifs dode lichaam stal, de tweede haar benen naald. De pelzen van de dieren die ze doodt om zichzelf en Bor te voeden, looit ze met haar eigen urine. Met de linnen draden van haar hemd maakt ze er warme kleding van.

Terwijl de eerste sneeuw valt, denkt Hisse lang na. Een hele winter in het woud zal ze niet overleven. Ze moet verder, maar waarheen? Rechtdoor, besluit ze. Ooit zal ze dan de zee weer zien.

‘Kom Bor,’ zegt ze. ‘We gaan naar Friesland.’

 

ONTMOETING (HISSE 7)

Uit de schaduwen doemt een schim op. Hisse grijpt naar haar boog. Als Bor wel stilstaat, maar niet gromt, bedenkt ze zich.
‘Wat doet een meisje alleen in het woud?’ De man draagt een lange boog, maar geen zwaard.
‘Ik wil naar Friesland. Wie ben je?’
‘Olaf. Een pelsjager.’ Hij wijst naar het oosten. ‘Birka is de dichtstbijzijnde haven.’
‘Nee!’ Hisse schudt heftig haar hoofd. ‘Daar werd ik verkocht.’

Olaf kijkt haar lang aan. ‘Dan moet je naar het westen,’ zegt hij. ‘De Noren in Kaupang handelen ook met Friezen.’
‘Is het ver?’
Hij knikt.
‘Wijs je mij de weg?’
Olaf glimlacht. ‘Waarom niet, mijn pelzen kan ik ook in Kaupang slijten.’
Hij streelt Bor. Die laat het rustig toe.

 

OLAF (HISSE 8)

Levende kleuren lossen op in neerdwarrelende sneeuwvlokken, totdat de wereld enkel nog bestaat uit zwart, wit en vele tinten grijs.
Olaf stopt bij een beekoever en verzamelt wilgentenen. Razendsnel vlecht hij er sneeuwschoenen van.
Terwijl Hisse de hare onderbindt, kijkt ze naar Olaf. ‘Waarom doe je dit?’
‘Vertrouw je mij?’
‘Ja,’ antwoordt Hisse. ‘Bor heeft altijd gelijk.’

Olaf staart in de verte. ‘Vorig jaar had ik een vrouw en een dochter,’ zegt hij. ‘Nu heb ik niets. Ik leefde van dag tot dag, totdat ik jou ontmoette.’
Sprakeloos kijkt Hisse hem aan. Nu pas valt het haar op hoe grijs Olafs haar is en dat zijn gezicht enkel uit rimpels lijkt te bestaan.

‘Kom,’ zegt hij. ‘Je moet naar Kaupang.’

 

HET GROTE MEER (HISSE 9)

Van enkel dunne huiden en wat stokken maakt Olaf ‘s avonds een tent. Tussen Bor en de oude pelsjager glijdt Hisse weg in een warme, droomloze slaap.

‘s Morgens geeft een azuren hemel de wereld haar kleur terug. Vele dagen achtereen zoeken ze hun weg over een maagdelijk sneeuwdek. Stoppen doen ze enkel als er gejaagd of gegeten moet worden. Al gauw laat Olaf het boogschieten aan Hisse over. Haar blik is scherper en haar hand vaster.

Als ze bij een reusachtig meer aankomen, draait de wind naar het zuiden. Rond het middaguur is de sneeuw veranderd in een modderbrij.
‘Moeten we hierdoor,’ vraagt Hisse bedrukt.
Olaf grijnst en schuift wat takken opzij. Daaronder liggen een kano en twee peddels.

 

DE VISSER (HISSE 10)

Hisse stapt na Olaf in de kano. Bor springt haar achterna.
‘Heb je ooit gepeddeld?’ vraagt Olaf.
Hisse knikt. ‘Ik kom uit Friesland.’

Als een roodoranje zon trillend in het meer verdwijnt, koerst Olaf naar een steiger. Aan de waterkant staat een huis op hoge palen, zoals Hisse die uit Dorestad kent.
‘De visser die hier leeft, is mijn vriend,’ zegt Olaf. ‘Hij heeft een grote boot en kan ons morgen misschien naar de westelijke oever brengen. Dan zijn we al halverwege.’

De visser heet Geir. Ook door hem laat Bor zich gewillig strelen.
‘Geen probleem,’ zegt Geir na Olafs verhaal. ‘Vissen kan ik overal.’
Hij kijkt naar Hisse. ‘Waarom help je haar?’
Olaf zucht. ‘Ze lijkt op mijn dochter.’

 

NAAR KAUPANG (HIISE 11)

‘s Morgens zijn peddels overbodig. Een straffe oostenwind stuwt Geirs zeilboot naar de westkust van het Vänermeer. Halverwege de middag komen ze daar aan.
‘Het ga je goed, Hisse,’ zegt Geir. ‘Je hebt Odins zegen.’ Voordat hij weer scheep gaat, slaat hij Olaf op zijn schouder en aait Bor.

Aan de westoever is de bodem droog. Dat geeft Hisse nieuwe moed.
‘Hoe ver is het nog, Olaf?’
‘Over een dag of drie zien we de zee. Langs de kust ligt een weg die ons naar Kaupang voert.’

Vijf dagen later bereiken ze de top van een heuvel die uitzicht biedt op de haven van Kaupang. Als aan de grond genageld blijft Hisse staan.
‘Wat is er, Hisse?’
‘Drakenschepen…’ fluistert ze.

 

HERINNERINGEN (HISSE 12)

Hisse staart naar de drakenschepen. Ze ademt zwaar. Haar voeten weigeren haar verder te dragen. Pas als Bor haar hand likt, komt ze weer tot zichzelf.
‘Bracht een drakar je naar Birka?’ vraagt Olaf.
‘Nee,’ antwoordt Hisse. ‘Mijn dorp werd door Denen uitgemoord. Alleen mijn broer en mij lieten ze leven. Ze ketenden ons aan de mast van hun drakar en namen ons mee naar Hedeby. Daar verkochten ze ons aan een Zweedse handelaar. Die bracht ons naar de slavenmarkt van Birka.’ Af en toe hapert haar stem.

‘En nu wil je naar Friesland?’
Hisse aarzelt een moment. ‘Ja, dat is mijn thuisland.’
‘Goed,’ zegt Olaf. ‘Dan gaan we naar het huis van de Friezen.’
Verbijsterd kijkt Hisse hem aan.

 

IN KAUPANG (HISSE 13)

‘Weet je zeker dat er Friezen in Kaupang zijn, Olaf?’
‘In elke haven zijn Friezen,’ antwoordt Olaf. ‘Naar Kaupang komen er zo veel dat ze een eigen wijk hebben.’
‘Hoe kan dat?’ vraagt Hisse. ‘De Noren en Denen vallen Friesland bijna ieder jaar aan.’
‘Alle handelaren worden door de koning beschermd,’ zegt Olaf, ‘op voorwaarde dat hij de eerste keus krijgt uit hun goederen. Werkt dat in jouw land dan anders, Hisse?’
Langzaam schudt Hisse haar hoofd. ‘Nee, eigenlijk niet, tenminste niet in Dorestad. Daar leggen ook veel Deense vrachtschepen aan.’

Stil loopt Hisse naast Olaf verder. Pas als kinderen joelen en haar nawijzen, vraagt ze zich af wat men hier van een vies, in dierenvellen gehuld meisje zal vinden.

 

HET HUIS VAN DE FRIEZEN (HISSE 14)

Olaf klopt aan bij het grootste huis. ‘Hier leven de rijke handelaren uit Friesland,’ zegt hij. ‘Als ze je willen helpen, ben je spoedig thuis.’
Een dikke, roodharige man opent de deur. Zijn blik schiet van Olaf naar Hisse en terug.
‘Als je pelzen kunt leveren, valt er te praten, Olaf,’ zegt hij. ‘Aan slavinnen hebben we geen behoefte, zeker niet als ze stinken. Was haar eerst en kleed haar behoorlijk.’

‘Ik kom uit Witla,’ roept Hisse in het Fries. ‘Help mij.’
De handelaar knijpt zijn varkensogen tot spleetjes. ‘Heb je daar familie, meisje?’
Hisse buigt haar hoofd. ‘Nee,’ fluistert ze. ‘De Denen hebben ze allemaal gedood.’
De man grijnst. ‘Geen probleem, kind. Wij vinden wel een echtgenoot voor jou.’

 

EEN NIEUWE FAMILIE – SLOT (HISSE 15)

Hisses ogen spuwen vuur. Ze grijpt naar haar boog. Meteen staan Bors nekharen recht overeind. Met blikkerende tanden springt hij. Net op tijd smijt de handelaar de deur dicht.

Verbluft kijkt Olaf haar aan. ‘Hisse, wil je nog altijd terug naar Friesland?’
Hisse hijgt eerst na. Daarna schudt ze heel beslist haar hoofd.
‘Dan ga ik ervoor zorgen dat je een vrije vrouw wordt.’
Hisses mond valt open van verbazing. ‘Wil je dan echt dat ik jouw vrouw word, Olaf?’
Olaf lacht. ‘Natuurlijk niet,’ antwoordt hij, ‘maar misschien wil je wel voorgoed mijn dochter worden. De enige voorwaarde is dat je een man kiest die jou waard is. Dan heb ik eindelijk ook een zoon.’

Hisse straalt. ‘Afgesproken,’ zegt ze.