Leesfragment ‘Alya’s keuze’ – Hoofdstuk 1

Mijn uitgever plaatst (meestal) ergens in de maand voor het uitkomen van een nieuw boek de eerste hoofdstukken online, onder andere op de bekende webshops. Bij ‘Alya’, deel een van mijn tweeluik, waren dat hoofdstuk een en twee, in totaal zo’n twintig boekpagina’s.             

Vooruitlopend daarop begin ik op mijn website met een wat bescheidener fragment van ‘Alya’s keuze’, namelijk met hoofdstuk 1, wat ongeveer acht boekpagina’s beslaat. Het lijkt mij ruim voldoende om al iets van de sfeer te proeven, die toch net iets anders is dan in deel een, omdat Alya in het slotdeel niet als een slavin, maar als een vrije vrouw door het leven gaat. Die vrijheid is overigens betrekkelijk, maar meer dan dat verraad ik natuurlijk niet…

 

PS: Wie eerst deel een wil lezen, kan onderstaand fragment beter nog even overslaan!

 

 

 1

 

In mijn hoofd is enkel nog plaats voor pijn. Het licht dat me omhult, is zo fel dat ik mijn ogen stijf dichtknijp. Dit moet een boze droom zijn. Als ik wakker word, ben ik thuis in Qurtuba en lig in mijn eigen bed. Straks komt Oncha om me te wassen, te kammen en te helpen met aankleden. Daarna ga ik samen met vader ontbijten.
Vlak onder me klotst water. Dat hoort natuurlijk ook bij die droom. Toch lijken mijn voeten nu echt nat te worden. Moeizaam open ik mijn ogen. Tegen de strakblauwe hemel boven me zweven twee grote meeuwen voorbij. Maar er zijn helemaal geen meeuwen in Qurtuba. Alleen in de haven van Qadis heb ik die als kind ooit gezien.
Een doordringende geur van bloed en zweet vult mijn neusgaten en beneemt me bijna de adem. Moeizaam draai ik mijn hoofd een stukje en kijk omhoog. Een lange, rossige baard vult mijn blikveld.
‘Hoe krijgt Hamar dat toch voor elkaar,’ klinkt een stem heel dichtbij. ‘Zelfs als hij bijna afgemaakt wordt, lukt het hem om de mooiste meisjes aan de haak te slaan. Ze komen op hem af als vliegen op de stront. Deze hier was niet bij hem weg te slaan.’
‘Dat laatste was anders precies wat je deed,’ klinkt een tweede stem. ‘Ze had geluk dat Hamar nog bij kennis was.’
‘Zij misschien wel,’ moppert de roodharige krijger, ‘maar ik niet. Ik mag haar nu meesjouwen naar het schip.’
Die woorden helpen me terug te keren in de echte wereld. Alsof ergens in mijn geest een luikje wordt geopend, komen een voor een de beelden van het Friese strand weer naar boven. Hoe ik Hamar vond en erin slaagde om hem te verbinden, hoe de twee wolfshonden zich op Rimbert stortten en hem de strot doorbeten, en ja, vooral het moment waarop ik me realiseerde dat er geen weg terug meer was naar mijn leven bij Alfgarde en dat ik haar waarschijnlijk nooit meer zou zien. Waar kwam toch die plotselinge drang vandaan om tegen elke prijs het leven van die Vikingjongen te redden?
Opnieuw word ik me bewust van de kloppende pijn in mijn achterhoofd, het bewijs dat die tweede krijger de waarheid sprak. Als dank voor mijn hulp sloeg die roodharige bruut me neer toen hij me naast Hamar aantrof.
Hoe zou het nu met Hamar zijn? Heeft hij misschien te veel bloed verloren om te overleven? Er komt een nogal zelfzuchtige gedachte bij me op. Wat zijn Hamars woorden nog waard als hij dood is?
‘Leeft Hamar nog?’ vraag ik. Waarom zou ik verzwijgen dat ik hun taal spreek?
Ook al zijn we bijna bij de drakar, toch staat de man die me draagt na mijn woorden meteen stil. Voor het eerst kijkt hij me aan. Zo kan ik eindelijk zijn hele gezicht zien. Dat straalt een en al verbazing uit.
‘Hamar overleeft het wel,’ antwoordt de roodharige man, ‘een krijger uit Vestfold moet je minstens twee keer doden voordat hij sterft.’
Hij richt zich tot iemand naast hem. ‘Hoe is het mogelijk?’ zegt hij. ‘Er zijn genoeg Friezen die naar Kaupang reizen om er handel te drijven en de meesten van hen spreken ook onze taal, maar als dit meisje een Friezin is, ben ik een paard.’
Ik probeer mijn hoofd wat verder opzij te draaien om te zien waar Hamar is. Een nieuwe pijnscheut flitst door mijn hoofd. Voor mijn ogen dansen bonte vlekken die langzaam overgaan in een diep zwart. Opnieuw sluit ik mijn ogen.
Dan zijn er handen die mijn armen vastpakken en me omhoog sleuren. Mijn blote benen schuren pijnlijk langs een hard, ruw oppervlak. Overal om me heen hoor ik stemmen, maar ik wil er niet naar luisteren, laat staan erop reageren. Ik wil alleen maar dat die handen me snel weer loslaten. Als ze me gewoon ergens neerleggen en me verder met rust laten, dan wordt die vreselijke hoofdpijn misschien wat minder.
Even later gebeurt dat waarop ik hoop. Ik voel een harde bodem onder mijn rug, laat alle gedachten los en glijd opnieuw weg in vergetelheid.

Als ik voor de tweede keer ontwaak, is de ergste pijn verdwenen. Enkel een zwaar, bonkend gevoel ergens achter in mijn hoofd herinnert er nog aan. Ik neem me voor om me voorlopig zo min mogelijk te bewegen. Liever gebruik ik alle energie om mijn gedachten te ordenen en mijn zintuigen weer normaal te gebruiken. Om de paar tellen is er onder in mijn maag een vreemd, wee gevoel. Dan lijkt het heel even of ik zweef.
Ik wil weten wat die rare gewaarwording veroorzaakt en open mijn ogen. De boeg van de drakar rijst en daalt in een vast ritme op en neer, waardoor ik de ene keer de hemel zie en de andere keer een donkergroen stuk water vol schuimkoppen. Dan moeten we dus op volle zee zijn. Daar was ik al een keer eerder, op het slavenschip dat me samen met Yanti uit Barcelona naar het land van de Franken voerde. Maar dat was heel anders, toen was de zee rustig en leken we bijna over het water te glijden.
Stemmen hoor ik nog maar af en toe, en niet langer op luide toon. De boorden links en rechts zijn heel dichtbij. Blijkbaar lig ik vlak bij de voor- of achtersteven. Boven me is de hemel niet langer blauw, maar loodgrijs. Waarschijnlijk varen we dus al een hele tijd, want een heldere hemel betrekt niet van het ene moment op het andere. Zou ik een hele dag geslapen hebben? Dat zou best kunnen, want ik heb vreselijke dorst. Ik laat mijn tong over mijn lippen glijden. Die voelen ruw en kurkdroog aan.
Naast me kreunt iemand. Meteen staan al mijn zintuigen op scherp. Als dat geluid van Hamar komt, leeft hij in elk geval nog. Deze keer draai ik heel langzaam en voorzichtig mijn hoofd. Het gaat al een stuk beter dan bij mijn vorige poging.
Het is inderdaad Hamar die naast me ligt. Hij ziet bleek, maar is wel bij kennis. Zijn ogen zijn open en hij kijkt naar de hemel. Blijkbaar heeft hij mijn blik niet opgemerkt.
‘Hamar…’ Ik schrik van mijn rasperige stem. Zelfs dat ene woord bezorgt me al een hoestbui.
Hamar draait nu ook zijn hoofd, zodat we elkaar in de ogen kunnen kijken. Hij zwijgt en kijkt me een tijd onderzoekend aan. Zou hij nog wel weten wie ik ben?
‘Alaja,’ zegt hij ten slotte.
‘Alya, ik heet Alya,’ reageer ik meteen. Ik ben bang dat hij het nooit meer goed uitspreekt als ik hem niet meteen corrigeer. Naast Yanti’s kraal en de restanten van mijn kleding is die naam het enige dat ik nog bezit.
‘Alya, waar komt dat bloed vandaan?’
Bloed? Waar heeft Hamar het over? Bedoelt hij zijn eigen verwondingen? Maar hij kijkt wel degelijk naar mij. Als ik voorzichtig aan mijn wang voel, weet ik waarom. Mijn huid is daar ruw en korrelig. Ik bekijk mijn vingertoppen. Die zijn roodbruin van het geronnen bloed.
‘Ik geloof dat iemand me sloeg toen ze ons vonden,’ antwoord ik.
‘Dat kan alleen maar Knut geweest zijn. Die gebruikt eerst zijn vuisten en denkt dan pas na. Zo gauw ik weer op mijn benen kan staan, zet ik het hem betaald.’
‘Dat hoeft niet,’ antwoord ik. ‘Knut heeft me daarna naar het schip gedragen.’
Hamar lacht zwakjes om mijn woorden. ‘Dat deed hij anders bepaald niet vrijwillig.’
Nu ben ik er bijna zeker van dat hij zijn verwonding gaat overleven. Wie de dood in de ogen kijkt, praat niet zoals Hamar doet.
Iemand loopt naar ons toe. Het is Knut, de roodharige krijger die mij in opdracht van Hamar tegen zijn zin naar het schip droeg. Zou hij ons gehoord hebben? In dat geval heeft hij een onwaarschijnlijk scherp gehoor.
‘Ik sloeg haar alleen maar om te voorkomen dat ze ervandoor ging,’ zegt hij. ‘Ze leek me de moeite waard om mee naar Vestfold te nemen. Je waarschuwde me net iets te laat, Hamar.’
Ik krijg niet bepaald de indruk dat Knut veel spijt heeft van zijn rake klap. Dat hij er zich desondanks voor verontschuldigt, bewijst dat Hamar ondanks zijn jeugdige leeftijd de positie heeft om hem te straffen. Ik vermoed dat Hamar de zoon van een belangrijke aanvoerder is.
Hamar kijkt Knut aan en grijnst zowaar even. ‘Leuke poging,’ zegt hij, ‘maar zo makkelijk klets je jezelf er niet uit. Voor straf mag je de rest van de reis voor ons eten en drinken zorgen.’
Meteen na die woorden sluit hij zijn ogen en laat zijn hoofd weer op het dek zakken. Niet alleen bloed, maar ook het meeste van Hamars kracht lijkt op dat Friese strand te zijn weggevloeid.
Knut kijkt me nu nog nieuwsgieriger aan. Hij zal het wel vreemd vinden dat Hamar zich druk maakt om een meisje dat in zijn ogen enkel krijgsbuit is. Hij loopt naar het midden van de drakar, waar de meeste krijgers rustig zitten te praten. Het schip wordt niet langer geroeid. De wind zal inmiddels uit de juiste richting komen.
Al snel is hij terug met een kruik, twee houten kommen en een paar donkere plakken die ik niet meteen thuis kan brengen. Eerst gaat hij naar Hamar. Daarna zet hij een kom water naast mij neer en reikt me een van die plakken aan. Het blijkt een stuk gedroogde vis te zijn. Dat leg ik voorlopig in mijn schoot. Voorzichtig pak ik de kom en zet die aan mijn lippen. Al heb ik nog zo’n dorst, ik drink langzaam en met kleine slokjes om te voorkomen dat mijn maag het niet verdraagt en ik alles weer uitspuug. Wanneer mijn ergste dorst is gelest, pak ik de vis en knabbel er voorzichtig aan. Het smaakt erg zout, maar ik verwacht niet dat ik de rest van de reis iets beters zal krijgen. Ondanks mijn weerzin eet ik alles achter elkaar op. Gelukkig heb ik wat water bewaard, zodat ik het zout uit mijn mond kan spoelen.

De schemering valt en het wordt snel kouder, zeker als in de loop van de middag de wind aantrekt. De meeste mannen hebben een mantel omgeslagen. Een paar van hen staat op en wijst naar ons. Even later komt Knut aanlopen met een grote deken.
‘Ik heb iets gevonden wat groot genoeg is voor jullie beiden,’ zegt hij met een brede grijns. In een vloeiende beweging drapeert hij de deken over ons heen. ‘Kruip maar lekker tegen hem aan, meisje. Dan kun je er vast aan wennen dat het jouw taak wordt om hem ’s nachts warm te houden.’
Ik reageer niet. Tijdens mijn tocht met Einirs drakar over de Rijn heb ik genoeg gehoord om niet langer van dat soort ruige praat te schrikken.
Pas als de deken tot aan mijn kin over me heen ligt, merk ik hoe verkleumd en stijf ik ben, zeker nu mijn benen nog steeds bloot zijn, omdat ik Hamar met de stof van mijn broekspijpen heb verbonden. Ik klappertand en sla de armen om mijn lichaam. De planken onder mijn rug lijken wel een klomp ijs. Het zou al een beetje helpen als ik een stuk van die deken onder mijn rug kon krijgen. Ik probeer het, maar daarvoor is de deken niet groot genoeg. Ik zou hem van Hamars lichaam trekken.
Dan rest me dus maar één ding. Gewoon doen wat Knut voorstelde… Nu lig ik nog een eind van Hamar af. Als ik me tegen hem aan nestel, profiteer ik van zijn warmte. Dat idee gaat zo in tegen alles wat ik was en wat ik nog altijd denk te zijn, dat het me heel even de adem beneemt. Bewegingloos staar ik naar de donkere hemel. Vergeefs… al pijnig ik mijn hersenen nog zo, het levert geen enkele bruikbare gedachte op.
Mijn lichaam besluit zomaar ineens om het van mijn geest over te nemen. Ik draai me op mijn zij en werk me langzaam naar Hamar toe. Hij ligt op zijn rug en ademt zwaar, maar regelmatig. Aan welke arm had hij die wond ook weer? Als ik mijn ogen sluit en me inspan om het beeld terug te halen van die bloedende jongen in het duinzand, weet ik het weer. Het is zijn rechterarm. De snee begon bij zijn schouder en eindigde vlak boven zijn elleboog. Op zijn zij liggen, zeker op zijn rechterzij, mag hij nu niet. Ik hoop maar dat hij zich in zijn slaap niet onbewust naar die kant draait.
Hamar beweegt eventjes. Ik ben nu zo dichtbij dat zijn linkerhand langs mijn buik strijkt. Het is maar heel licht en toch veroorzaakt het een tinteling die door mijn hele lijf trekt. Mijn verstand schreeuwt me toe dat dit niet kan, niet mag en dat ik snel weer weg behoor te schuiven. Als ik door een man overweldigd word, kan ik daar weinig tegen beginnen, maar Allah verbiedt het zijn dochters streng om zich vrijwillig over te geven aan iemand die niet in de boodschap van zijn profeet gelooft, in dit geval niet eens een jood of een christen, maar iemand die vreemde, duivelse goden aanbidt. Het eeuwige hellevuur wacht me als ik toegeef aan wat mijn lichaam zo overduidelijk wil: zich stevig tegen de heiden naast me aan vlijen.
Hamar trekt zijn hand terug. Ik zou opgelucht moeten zijn en Allah danken voor zijn onverwachte hulp. Maar zo gaat het helemaal niet. Er is enkel en alleen een allesoverheersende teleurstelling.
Dan is Hamars hand er opnieuw en blijft op mijn bovenbeen rusten. Ik draai me onmiddellijk op mijn rechterzij en sla mijn linkerarm over Hamars borst. Ik zet al mijn aarzelingen opzij, kruip tegen hem aan en werk met mijn andere hand het stuk deken dat daardoor vrijkomt onder mijn lichaam.
Net als dat van Knut ruikt Hamars lichaam naar bloed en zweet, maar het is bovenal heerlijk warm. Met een zucht laat ik mijn hoofd op zijn ongeschonden schouder zakken. Het ritme van zijn ademhaling is rustgevend. Ik dein erop mee…

 

Alles op een rijtje 3 – Mijn historische verhalen

Gisteren kondigde ik het al aan. Bij de laatste van mijn drie blogs, waarin ik mijn historische verhalen de revue laat passeren, zou ik meer vooruit dan achteruit kijken. Over wat ik de afgelopen jaren aan historische verhalen produceerde, heb ik immers al een flink aantal blogs volgeschreven. Deze keer laat ik het bij de covers plus een korte toelichting, nu eens niet chronologisch maar per uitgever.

Wat mijzelf opvalt als ik de covers van mijn historische publicaties op een rijtje zie, is dat het allemaal heel overzichtelijk is en ook nog eens perfect aansluit bij mijn schrijfvoornemens voor de rest van dit en de eerste helft van volgend jaar. Verder dan hooguit een jaar vooruit plannen is niet heel erg zinvol, heb ik intussen meer dan eens ervaren. Daarover meer op het eind van deze blog, waar ik een voorzichtige poging doe om toch dat jaar vooruit te plannen, voor wat het waard is dus…

Mijn zelfstandige publicaties en korte verhalen, zowel wat al is uitgegeven als wat nog ‘in de pijplijn zit’, zijn keurig verdeeld over vier uitgevers. Zoals het er nu voorstaat, ga ik die ook alle vier trouw blijven. Sterker, bij alle vier zitten er dit of volgend jaar een of meer nieuwe publicaties aan te komen.  Nu ik toch bezig ben met dat op een rijtje zetten maak ik ook hier maar een overzichtje van:

  1. Uitgeverij Averbode 
    In 2011 werd ‘IJstijd’, een prehistorisch jeugdverhaal, bij de Vlaamse uitgeverij Averbode mijn eerste zelfstandige publicatie. In november 2018 (de Franstalige versie) en in februari 2019 (de Nederlandstalige versie) wordt ‘Naar het Walhalla’, een onvervalst Vikingverhaal, de opvolger. Of mijn kersvers verhaal voor het schooljaar 2019-2020 ook uitgegeven wordt, weet ik nog niet, al heb ik goede hoop. De titel mag ik niet noemen, want Vlaamse Filmpjes (zo heet die serie) worden via een jaarlijkse wedstrijd, de Averbodeprijs geheten, geselecteerd en die wedstrijd loopt nog.
  2. Godijn Publishing
    Vanaf 2015 organiseert Godijn Publishing een wedstrijd voor verhalen die in de middeleeuwen spelen. In 2015 haalde mijn inzending de wedstrijdbundel, Zwaarden van knoflook’ en in 2017 verschenen allebei mijn verhalen in ‘Anno Domini 892’, waarvan ‘Umars opdracht’ tevens de wedstrijd won. Dit jaar verschijnt mijn bijdrage (nu eens een verhaal dat niet in Europa speelt, maar in het Mongolië van Djengis Khan) buiten de wedstrijd om als bonusverhaal. Een leuke bijkomstigheid is dat ik door de uitgeefster ben uitgenodigd om in oktober, bij de feestelijke uitslag en prijsuitreiking in Hoorn, iets te vertellen over het schrijven van historische verhalen.
  3. Uitgeverij Historische Verhalen
    Begin 2016 ging de gelijknamige website van start. Iedere twee weken werd daarop een kort historisch verhaal geplaatst, oorspronkelijk met een maximum van rond de 1500 woorden, wat geleidelijk werd verruimd tot rond de 3000 woorden. Ik was er als de kippen bij om die nieuwe publicatiemogelijkheid voor korte historische verhalen te benutten, zeker toen in de loop van 2016 het besluit viel om na elk kalenderjaar ook een papieren bundel uit te gaan geven. In de bundel van 2016 staat een en in die van 2017 twee van mijn verhalen. Om dat komend jaar te herhalen, moet ik nog wel een nieuw verhaal insturen, maar dat zit intussen al in de uitbroedfase… Sinds vorig jaar geeft Historische Verhalen ook thematische bundels uit. Voor een daarvan, ‘Korte verhalen uit de Gouden Eeuw’ werd een wedstrijd uitgeschreven. Daarbij werd ik tweede met ‘Chan-mi’, het verhaal over een op de kust van Korea gestrande Hollandse scheepsjongen. Voor volgend jaar of het jaar daarop zit er nog meer in het vat. Daarover straks iets meer bij de afsluitende samenvatting van mijn schrijfplannen voor 2018 en 2019.
  4. Uitgeverij Mozaïek
    Over ‘Alya’ en ‘Alya’s keuze’, mijn debuut als schrijver van historische romans, ga ik in deze blog niets meer vertellen. Het waarom heb ik al uitgelegd. Over mijn tweeluik bij Mozaïek heb ik de afgelopen maanden al heel wat blogs geplaatst. Dat ga ik niet nog eens dunnetjes overdoen. Ik laat het bij de mededeling dat ik nu de drukproef van deel twee controleer, dat over een paar dagen af hoop te ronden en dat ik daarna, pakweg vanaf 20 augustus, eindelijk de handen vrij heb voor nieuwe schrijfprojecten.

 

Wie A zegt, moet ook B zeggen. Hieronder volgt dus een manmoedige poging om mijn plannen voor 2018-2019 op een rijtje te zetten:

  1. Het restant van augustus 2018
    Wil ik ook begin 2018 de jaarbundel van Historische Verhalen halen (en ja, dat wil ik…), dan moet ik als de weerga een nieuw verhaal uitschrijven, herschrijven en insturen. Dat zou ook later nog kunnen, maar ja, uitstel wil nog wel eens in afstel uitmonden… Dat zou jammer zijn, want heel stiekem denk ik op termijn aan een eigen bundel met korte historische verhalen. Daar valt waarschijnlijk geen rooie cent mee te verdienen, maar gelukkig is dat niet niet mijn voornaamste motivatie.
  2. September 2018 tot en met januari 2019
    In die vijf maanden wil ik een poging wagen om binnen iets van 100.000 woorden de ruwe versie te voltooien van een volgende historische roman die als werktitel ‘Tuya’ heeft en zich afspeelt in het Mongolië en China van rond 1200. Een begin (de eerste zes hoofdstukken) en een synopsis heb ik al. Dan ben ik er voor mezelf vrij zeker van dat ik op den duur alles tussen dat begin en de al geplande ontknoping krijg ingevuld. De grote maar is natuurlijk of mijn uitgever er straks iets in zal zien. Dan gaat het niet alleen om de kwaliteit van een verhaal, maar ook om de vraag of het in het fonds past. Maar dat zijn vragen die je tijdens het schrijven van je af moet zetten, vind ik. Dat is pas aan de orde als je een verhaal naar tevredenheid hebt afgerond. Ook als een uitgever je vertrouwen geeft door je eersteling uit te geven, dan is dat sowieso nooit een garantie voor volgende verhalen en dat hoort het ook niet te zijn. Kortom, op dit moment kan ik er enkel het beste van hopen.
  3. Februari 2019
    Dit en vorig jaar gebruikte ik tussendoor de ‘stille momenten’ om ‘Winterwende’, een al voltooide prehistorische roman voor de YA-leeftijd, kritisch te herzien om aan een nieuwe, betere versie te gaan werken die als nieuwe werktitel ‘Ashki’ gaat krijgen. De eerste paar hoofdstukken plus de synopsis heb ik al herschreven. Begin volgend jaar wil ik graag de eerste 25.000 woorden van de herziene versie afkrijgen, zodat ik die samen met de ook herziene synopsis bij een uitgever aan kan bieden. Welke? Ik schat in dat het niet echt in het fonds van Mozaïek past, maar proberen kan natuurlijk altijd. Hier wordt mijn planning al meteen behoorlijk onzeker.
  4. Maart 2019
    Over die maand heb ik heel wat minder twijfels. Ieder jaar (nou ja, tot nu toe) schrijft Zinniger Zinnen, de schrijfgroep waar ik nu stiekem al bijna tien jaar lid van ben, in maart de ZZ-Schrijfmarathon uit, waarbij je elke dag van die maand minimaal 750 woorden van een nieuw verhaal moet schrijven. Komend jaar zou dat een perfecte gelegenheid zijn om in de maand maart een novelle van rond de 20.000 woorden te schrijven. Ik ben namelijk door uitgeverij Historische Verhalen benaderd om mee te werken aan een bundel met drie novellen, die waarschijnlijk de botsing tussen culturen als gevolg van het Europees kolonialisme als thema gaat krijgen. De marathon van maart zou me dwingen om dat op tijd af te ronden en verzekert me gelijk van feedback, want behalve schrijven moet je tijdens de maand van die marathon ook dagelijks wat zinnig commentaar leveren op de schrijfsels van een paar mededeelnemers.
  5. April-mei 2019
    De deadline van de Averbodewedstrijd (voor de serie ‘Vlaamse Filmpjes’) is ieder jaar rond 20 mei. Ook voor de editie 2019 wil ik weer een poging wagen om zo’n Vlaams Filmpje, liefst weer in historische sferen, binnen te slepen. Een goede maand zou (met voldoende inspiratie…) voldoende moeten zijn, want het zijn geen lange verhalen. Ze zijn gebonden aan een een maximum van een kleine 7000 woorden.

    Of ik dit allemaal ga redden? Nee, natuurlijk niet. Er is slechts één ding zeker. Het gaat zeker weten nooit zoals je dacht… 😉

Alles op een rijtje 2 – Diversen 2005-2018

Tja, wat moet je als lezer van een blog nu met een omschrijving als ‘diversen’? Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid weinig tot niets, dus ik zal maar razendsnel concreet maken wat ik er mee bedoel, om te beginnen door te laten zien wat ik gisteren onder de noemer ‘diversen’ zoal op een rijtje heb gelegd.

Helemaal compleet is bovenstaand rijtje niet. Omdat het oog ook wat wil, heb ik alleen de publicaties in boekvorm en met een ‘echte cover’ uit de jaren tussen 2005 en 2018 vastgelegd. Maar op de keper beschouwd mag ik daar nog vier eerdere publicaties aan toevoegen. Van medio 2002 tot en met 2005 volgde ik namelijk bij het LOI de cursus Creatief Schrijven, wat een gouden zet bleek te zijn, want zoals veel beginnende schrijvers was ik me er veel te weinig van bewust dat je bij schrijven de vorm nooit los kunt zien van de inhoud. Je kunt nog zo’n geweldig verhaalidee hebben, als je de bagage mist om dat idee met de juiste woorden en zinnen een aantrekkelijke vorm te geven, ben je nog nergens. Andersom geldt dat natuurlijk ook. Wie in prachtig en foutloos Nederlands een zouteloos verhaal zonder een greintje spanning vertelt, bereikt net zo min lezers.

Maar ik had het dus over die publicaties… Alle cursisten hadden de mogelijkheid om het resultaat van hun (in totaal dertig) lesopdrachten, meestal een kort verhaal of verhaalfragment, in te sturen voor LEI, de cursistenkrant. Van die mogelijkheid maakte ik vanaf het tweede cursusjaar (ik ben nu eenmaal iemand die eerst even de kat uit de boom kijkt) gretig gebruik en met succes, want van mijn vijf inzendingen werden er vier, in uiteenlopende genres waaronder natuurlijk ook weer fantasy en historisch, geplaatst. Onze docent verzekerde ons dat het wel degelijk om officiële publicaties ging. Waarom? Van elke LEI ging volgens de regels een exemplaar naar de KB om daar tot in lengte van jaren voor het nageslacht bewaard te worden.

Eerlijk gezegd verwacht ik niet om met terugwerkende kracht roem te vergaren met die eerste ‘echte publicaties’. Waarom ik het er dan toch over heb? De reden is dat ik een verrassende ontdekking deed toen ik mijn allereerste afgeronde verhaal in LEI nog eens herlas. Op het einde van de eerste pagina bleek de rode draad in mijn romandebuut, Alya’s gave om razendsnel een nieuwe taal te leren, helemaal niet voor het eerst in mijn hoofd te zijn opgekomen. Sterker, ook de Thaise Sujitra in onderstaand verhaalbegin moet het van dat talent hebben om in een vreemd en nieuw land (Nederland dus) het hoofd boven water te houden. Na ongeveer vijftien jaar was me dat glad ontschoten. Het verschil is het genre. ‘In het web’, met Sujitra dus als hoofdpersonage, is een onvervalst misdaadverhaal, het enige trouwens dat ik ook schreef.

Over de acht covers waarmee ik dit blog begon, zal ik korter van stof zijn. Anders wordt blog 2 zo lang dat een volgende opsplitsing in de vorm van blog 2A en 2B noodzakelijk wordt. 😉

‘Het geheim van de Reiziger’ en ‘Onder dieren’ waren het resultaat van de allereerste schrijfwedstrijden waaraan ik meedeed. Ik was geweldig trots dat mijn bijdragen meteen in de wedstrijdbundels opgenomen werden en voelde me gelijk een echte schrijver. Later hoorde ik bij toeval dat mijn prestatie niet echt wereldschokkend was. Ongeveer de helft van alle inzendingen had namelijk een plekje in die bundels veroverd…

De derde cover in het rijtje, de wedstrijdbundel 2009 van de Schiedamse schrijfwedstrijd Piet Paaltjens (een paar jaar geleden helaas ten grave gedragen) was al een iets noemenswaardiger prestatie, want die ‘twintig beste…’ werden door de jury gekozen uit bijna honderd inzendingen.

De twee eerste bundels uit de onderste rij, beide met de letters ZZ ergens in de cover verborgen, zijn een categorie apart. Vanaf 2009 (schat ik…) ben ik namelijk lid van de besloten schrijfgroep Zinniger Zinnen, waarin een wisselend aantal enthousiastelingen elkaar op alle mogelijke manieren ondersteunt via onder andere een forum, een onderdeel proeflezen, een jaarlijkse schrijfwedstrijd en niet te vergeten de ZZ-Schrijfmarathon in maart. Die laatste was de bakermat van ‘Alya’, want tijdens de schrijfmarathon van 2016 schreef ik de eerste 30.000 woorden van mijn eerste historische roman, waarna ik maar gelijk doorging totdat eind 2016 de teller stilstond bij iets van 140.000 woorden.
Een andere activiteit van Zinniger Zinnen is om periodiek (dus niet ieder jaar) samen een bundel uit te geven met pennenvruchten van ZZ-leden. De oplage is klein, maar als herinnering aan een jaar van samenwerking tussen mensen met allemaal dezelfde ‘schrijftic’ zijn die bundels me desondanks dierbaar.

‘In de voetsporen van de meester’ (de lezer mag aan de hand van de cover raden welke meester) is de voorlaatste cover. Met het verhaal ‘Handsfree’ haalde ik een mooie tweede plaats bij de jaarlijkse schrijfwedstrijd van uitgeverij LetterRijn, nu eens niet met een fantastisch of historisch verhaal, maar bij wijze van uitzondering met een ‘gewoon verhaal’, hoe vaag dat ook mag klinken.

En dan ’55 woorden verhalen’, de allerlaatste cover van het rijtje. Die bundel is een uitvloeisel van mijn gewoonte om tussen het schrijven van langere verhalen door voor de afwisseling af en toe echte kortjes te schrijven, vaak van 120 woorden (via de gelijknamige website; http://www.120W.nl ), maar af en toe nog korter, in dit geval van 55 woorden. In 2016 werd ik met onderstaand stukje vijfde uit een aantal van rond de 500 inzendingen bij de jaarlijkse 55-woordenwedstrijd. Puur rekenkundig bekeken was dat mijn beste (en dus ook kortste…) resultaat tot op heden.

Morgen volgt de derde en laatste blog in deze serie en wel over mijn historische verhalen van 2005 tot 2018, weer met de bijbehorende covers. Maar dat gaat met afstand de kortste blog van de drie worden. Over die historische verhalen, met name mijn tweeluik, heb ik de afgelopen twee jaar namelijk al zo veel blogs geplaatst dat ik al snel in herhalingen zou vallen. Ik denk dat ik daarom maar eens vooruit kijk en het vooral ga hebben over mijn schrijfplannen voor de komende jaren, want ja, die plannen zijn bijna zonder uitzondering ook weer in historische sferen…

 

 

 

Alles op een rijtje 1 – Fantasy 2005-2018

‘Alya,’ mijn eersteling, tenminste als we het over ‘echte romans’ hebben, kwam zo’n vier maanden geleden uit. Over luttele dagen, na de laatste controle van de drukproef, zit ook het werk aan ‘Alya’s keuze’, het slotdeel van mijn tweeluik (verschijningsdatum 25 september) er op. Dat lijkt me een mooi moment om mijn schrijverij onder de noemer ‘Alles op een rijtje’ eens uitgebreid onder de loep te nemen.
Wat ging er zoal aan mijn tweeluik vooraf en welke korte verhalen, novelles of romans zitten er de komende tijd nog meer in het vat? Het antwoord op die eerste vraag is een stuk eenvoudiger dan op die tweede, want wat voorbij is, ligt nu eenmaal vast. Ik zit weliswaar boordevol schrijfplannen voor de herfst van 2018 en voor de jaren daarna, maar wat daarvan realiteit gaat worden is van veel factoren afhankelijk en staat dus nog in de sterren geschreven. Toch ga ik op het einde van deze blog (over twee dagen; zie het naschrift), een manmoedige poging wagen om in elk geval één jaar vooruit te kijken…

Maar… eerst ga ik de publicaties tot en met mijn tweeluik eens uitgebreid op een rijtje zetten. Dat laatste bedoel ik heel letterlijk. Ik heb namelijk (bijna) alles vanaf 2005 op een rijtje op de vloer gelegd en gefotografeerd. Om een duidelijk en ook visueel beeld te geven van wat ik in welke genres schreef, heb ik er drie groepen (en uiteindelijk ook drie blogs) van gemaakt:

 

1. Fantasy (2005-2018)

 

Het lijkt me logisch om te beginnen met de fantasy, want van 2005, na de publicatie van mijn eerste verhaal, bleef dat tot rond 2015 mijn hoofdgenre. Is daar een bepaalde reden voor? Jazeker is die er. In de afgelopen halve eeuw las ik alles wat los en vast zat, waaronder heel veel fantasy, met heel af en toe ook wat SF. Bovendien kwam ik in het begin van het millennium bij toeval (?) in contact met verhalenschrijvers die behept waren met hetzelfde virus en die hun hersenspinsels publiceerden in ‘Pure Fantasy’, het toenmalige tijdschrift voor het fantastische genre, dat vier keer per jaar in pocketvorm werd uitgegeven door ene Alex de Jong. Naast ‘Pure Fantasy’ gaf Alex via zijn  uitgeverij ‘Books of Fantasy’ ook een hele reeks bundels uit, soms anthologieën, soms als uitvloeisel van wedstrijden zoals eerst de ‘Unleash Award’ en later de ‘Fantasy Strijd Brugge’, mede georganiseerd en gefinancierd door de cultuurafdeling van de stad Brugge.
De oogst van die periode bestond uit een twaalftal publicaties, waarvan in de bovenste rijen negen covers te zien zijn. In 2014 besloot ik een selectie daarvan te bundelen. Dat leidde tot ‘Traisha en het ei’, uitgegeven door Maaike van EigenZinnig. Daar heb ik uiteindelijk geen cent aan verdiend. Fantasy van eigen bodem doet het helaas, uitzonderingen daargelaten, (ik denk bijvoorbeeld aan ‘Hex’ van Thomas Oldeheuvelt) niet goed in Nederland en al helemaal niet als het om bundels gaat. Maar daar zit ik niet echt mee, want mijn bundel kreeg een rits mooie recensies, onder andere op Hebban. Spijt heb ik dan ook geen grammetje van die uitgave.
Na die bundel, vanaf ongeveer 2015, verliet ik het fantastische genre niet, maar ging de focus wel elk jaar net iets meer op mijn tweede schrijfliefde liggen, namelijk het historische genre. Waarom? Daarover vertel ik overmorgen wat meer in de laatste van dit trio blogs.

In de jaren 2017 en 2018 kon ik op fantasygebied nog drie primeurs noteren, namelijk mijn eerste verhaal in het tijdschrift Fantastische Vertellingen, een eerste verhaal in de klassieke jaarbundel Ganymedes (waarvan de eerste deeltjes al in de jaren ’70 van de vorige eeuw verschenen) en ten slotte mijn eerste overwinning bij een schrijfwedstrijd voor fantastische verhalen, namelijk ‘Achterblijvers’ van Godijn Publishing met ‘Naya’, een door de Griekse mythologie geïnspireerd verhaal over een dolende waternimf.
Nu (augustus 2018) zit ik zo tot over mijn oren in historische sferen dat die fantasy er steeds meer bij inschiet. Maar… ik vind het genre veel te leuk om het helemaal links te laten liggen. Af en toe zal ik dus nog wel eens voor de verleiding bezwijken en een kort verhaal in dat genre schrijven, liefst voor een wedstrijd waaraan een bundel vastzit, want ook nu ik in de ‘romanfase’ verkeer, ben ik nog altijd zielsblij met iedere mooie publicatie, óók als die me geen rooie cent oplevert. Dat laatste is trouwens betrekkelijk. Zonder al die korte verhalen in diverse genres van de afgelopen jaren, waarvan er ook een aantal online verschenen, was het namelijk de vraag geweest of ik voor ‘Alya’ een uitgever had gevonden, want Mozaïek plukte me op basis van die verhalen (met name in historische richting) bijna letterlijk van het internet en adopteerde al snel daarna het verhaal van Alya.

@ Het wordt langzamerhand een heel verhaal, zie ik nu. Ik ga mijn blog daarom in drie afleveringen opsplitsen. Vandaag de fantasy, morgen de categorie ‘diverse genres’ (lekker vaag…) en overmorgen mijn huidige voorkeursgenre, wat ik na het verschijnen van ‘Alya’ en ‘Alya’s keuze’ waarschijnlijk niet meer toe hoef te lichten…

2014: Signeren van ‘Traisha en het ei’ na afloop van de boekpresentatie

Gesprek over ‘Alya’ bij Omroep P & M

Op maandag 6 augustus kreeg ik de kans om via het zomers programma ‘Komkommertijd’ van de plaatselijke Omroep P & M iets over mijn debuutroman en over mijn schrijven in het algemeen te vertellen. Het was een leuke ervaring in een bijzonder zomers sfeertje, want tijdens de opnamen, een paar weken eerder, was er in Limburg al sprake van een echte hittegolf…

Wie alleen het gesprek wil bekijken; dat begint na 4 minuten en 40 seconden…

 

MAANDAG 6 AUGUSTUS IN KOMKOMMERTIJD

 

Hieronder de link via ‘Uitzending gemist’ van Omroep P & M:
(wel even dubbelklikken…)

http://www.omroeppenm.nl/komkommertijd-afl-4/tvgemist/item?auxF65ed5jANvkhdhjllXA==

Alya in de Limburger

Strikt genomen is het artikel van Adri Gorissen in de Limburger van 27 juni geen recensie, maar ik ben er niet minder blij mee, zeker nu in week 29 (eerste week van juli) de Biblion-recensie er aan zit te komen. Dan wordt binnenkort ook duidelijk hoeveel extra exemplaren de Nederlandse (en wie weet Vlaamse) bibliotheken gaan bestellen. Ook zonder die Biblion-recensie waren dat er al zo’n 125 en dat terwijl de meeste bibliotheken toch echt eerst die recensie afwachten. Dat geeft de burger moed. Als het aantal bestellingen meevalt, komt er mogelijk al snel een tweede druk van ‘Alya’, want de eerste verkoopcijfers via boekwinkels en webshops klinken bemoedigend.

Link naar de PDF-versie van het artikel:    Hay van den Munckhof – Alya

 

 

Recensies in het algemeen en recensies van ‘Alya’ in het bijzonder

 

Recensies in het algemeen

Ik ben al wat jaartjes gewend om op recensies te wachten. ‘Alya’ is weliswaar mijn romandebuut, maar vanaf 2004 publiceerde ik al een jeugdboek, een eigen fantasybundel en een dertigtal ‘losse’ verhalen in diverse genres, al lag de nadruk daarbij  wel duidelijk op fantasy, jeugdverhalen en/of historische verhalen. Dat telt allemaal mee en ik was al die jaren dan ook blij met elke positieve recensie. Maar de eerlijkheid gebiedt me om te zeggen dat recensies qua promotie pas zoden aan de dijk zetten als je een eerste roman uitbrengt bij een professionele uitgeverij, in mijn geval ‘Alya’ bij uitgeverij Mozaïek.

Bij veel (gelukkig niet bij alle) recensies wordt de waardering uitgedrukt in minimaal een tot maximaal vijf sterren, waarbij vaak ook nog eens halve sterren worden gebruikt. Dat wekt een beetje de indruk van een objectief oordeel, zoals je ook een cijfer kunt geven voor een dictee of voor een wiskundeproefwerk. Niets is minder waar. Het oordeel over een verhaal of boek is per definitie subjectief, omdat er nu eenmaal (en gelukkig maar…) duizend-en-een smaken en voorkeuren bestaan. Ja, natuurlijk kun je redelijk objectief beoordelen of een verhaal qua spelling en/of taalgebruik goed in elkaar zit, maar niet of nauwelijks waar het om plot en verdere inhoud gaat. Zo zal ik het wel uit mijn hoofd laten om een recensie te schrijven over een horror- of misdaadverhaal. Ik ben geen groot liefhebber van horror en misdaadverhalen vind ik vrijwel altijd saai omdat de vraag ‘wie het deed’ me totaal niet boeit, al begrijp ik ook wel dat een goed misdaadverhaal meer is dan die vraag alleen. Mijn oordeel bij die twee genres zou nooit een eerlijk oordeel kunnen zijn, waar de auteur iets aan heeft.

Heb je dan niets aan zo’n ‘sterrenrecensie’? Meestal valt dat mee, omdat het gelukkig een goede gewoonte is om je waardering met argumenten en eventueel voorbeelden uit het verhaal te verduidelijken. Dat zegt altijd vele malen meer meer dan het blote aantal sterren, want bij dat laatste speelt naast dat subjectieve van ieder oordeel heel erg mee waar, hoe en waarom die sterren worden gegeven. In een landelijke krant (mocht je boek daar al besproken worden) moet je als debutant in je handjes knijpen met drie sterren, want daar wordt de lat (en terecht) erg hoog gelegd. Drie sterren is gewoonweg goed en vier sterren uitzonderlijk goed. Het maximum van vijf sterren wordt gereserveerd voor zeldzame meesterwerken die echt niet iedere week binnenkomen.
Heel anders gaat het er aan toe bij lezersrecensies op websites zoals Hebban of Goodreads. Daar zijn vijfsterrenbeoordelingen heel gewoon. Soms zie je wel tien boeken achter elkaar voorbijkomen met bijna uitsluitend vijfsterrenbeoordelingen. Allemaal meesterwerken? Nee, natuurlijk niet. Soms zit er zelfs regelrechte bagger tussen, tenminste naar mijn (natuurlijk ook subjectieve) oordeel. Begrijpelijk is het wel. Een echte recensent, of dat nu iemand van een krant is of bijvoorbeeld van een website als Hebban, weet ook wel dat 100% objectiviteit onmogelijk is, maar doet wel zijn of haar uiterste best om zich zo onafhankelijk mogelijk op te stellen. Bij lezersrecensies (die ik zelf daarom veel liever lezersreacties zou willen noemen) ligt het in de meeste gevallen heel anders. Uitzonderingen daargelaten worden die geschreven óf door uitgesproken fans van een auteur, die hem of haar met een jubelend commentaar een hart onder de riem willen steken óf in het tegenovergestelde geval juist door lezers die heel erg kritisch zijn en via een recensie duidelijk willen maken dat en waarom ze een boek maar helemaal niks vinden.
Het resultaat laat zich raden. De ‘echte’ recensenten zijn zuinig met extreme beoordelingen en geven meestal heel gewoontjes twee, drie of vier sterren. De fans van een auteur zijn heel wat royaler en geven soms vier, maar in de meeste gevallen gelijk het maximum van vijf sterren. En wie in het tegenovergestelde geval aan wil geven dat hij een boek echt niet ziet zitten, doet dat in de regel met een of met hooguit twee sterren.
Natuurlijk chargeer ik nu een beetje. Er zijn wel degelijk ook ‘gewone lezers’ (wat je daar dan ook onder mag verstaan) die voor ‘echte recensent’ spelen en hun uiterste best doen om een verhaal los van hun band met de auteur zo eerlijk en zo objectief mogelijk te beoordelen. Zijn dat er veel? Njet, denk ik dan heel oneerbiedig…

Recensies van ‘Alya’

Ik ga hier niet alle recensies van ‘Alya’ plaatsen, want intussen zijn dat er een stuk of twintig, als ik alle lezersrecensies op Hebban meetel zelfs meer. Ik begin met de bespreking in een landelijke krant, in dit geval het Nederlands Dagblad. Sterren geven die niet. De goede lezer zal intussen begrepen hebben waarom ik dat helemaal niet erg vind…

 

Tijdens het schrijven van deze blog trof ik op de Facebook-pagina van Mozaïek nog een erg leuke en kleurrijke ‘minirecensie’ van ‘Alya’ in zomerse sferen aan. Die heb ik meteen maar even tussengevoegd. 😉

 

 

 

Een andere bespreking stond afgelopen week (medio juni) in een blad voor Nederlanders in Spanje. Dat is extra leuk omdat het verhaal van Alya in Zuid-Spanje begint. Ook deel twee, ‘Alya’s keuze’, krijgt straks in september een bespreekplekje in hetzelfde blad.

 

 

 

Wordt vervolgd!

De volgende keer wat minder toelichting, maar wel meer recensies en ook vast een voorproefje van ‘Alya’s keuze’, het slotdeel van mijn tweeluik, dat op 25 september uitkomt. Dan kan ik ook het uitgebreide artikel in de Limburger (onze provinciekrant) meenemen dat waarschijnlijk komende zaterdag, op 23 juni, verschijnt. Ik ben heel benieuwd wat dat oplevert, want het interview (vorige week) was bijzonder leuk en interessant met een verslaggever die zich goed had voorbereid en precies de vragen stelde die ik zelf ook gesteld zou hebben…