Nieuwe koppen

Stap een bij de nieuwe opzet van mijn blog was de indeling. Eerst wilde ik voor een geheel nieuw thema kiezen, maar bij nader inzien zag ik daar van af. Vanaf mei 2012 gebruik ik al hetzelfde thema en dat bevalt me eigenlijk nog altijd prima. Daarom laat ik het nu bij een andere invulling van de vier pagina’s.
Ik laat voortaan alle uitweidingen over mijn leven en schrijven achterwege (wie daarover iets wil weten, mag mij alles vragen…) en beperk me vanaf nu tot wat de meeste mensen toch op een auteurswebsite zoeken, namelijk een overzicht van wat iemand heeft geschreven en van wat er nog in de pijplijn zit.

Oké, na dat besluit kon ik gaan nadenken over nieuwe koppen voor mijn vier pagina’s. Daarbij ben ik simpelweg van de lengte uitgegaan, dus eerst mijn twee romans, dan de novelles, dan de jeugdboeken (die gemiddeld 7000 woorden tellen) en ten slotte mijn korte verhalen, waarvan een enkel meer dan die 7000 woorden telt, maar waarvan de meeste toch ergens tussen de 1000 en 5000 woorden zitten.

Zijn er andere keuzes mogelijk? Natuurlijk. Ik kan er met gemak nog drie opsommen. Zo had ik bijvoorbeeld uit kunnen gaan van de genres waarin ik met enige regelmaat iets schrijf, zoals historische verhalen, fantasy, SF, dystopieën en Young Adult. Daar zitten echter heel wat haken en ogen aan. Om te beginnen had ik dan aan vier pagina’s niet genoeg gehad. Maar een groter probleem is de vraag waar je de grens trekt tussen die verschillende genres. Daar begin ik maar niet aan. Het lijkt me ook niet nodig. Als ik iets over de inhoud van een publicatie vertel, kan de goede lezer het genre en de doelgroep over het algemeen prima zelf invullen. Dan ben ik van dat probleem verlost… 😉

Ik had bij de indeling van de pagina’s ook van de leeftijd uit kunnen gaan waarvoor ik een verhaal schreef. Maar dan loop je ook tegen problemen aan. Dat kan ik het beste aan de hand van mijn tweeluik (‘Alya’ en ‘Alya’s keuze’) bij Mozaïek duidelijk maken. Het verhaal van Alya bedoelde ik toen ik het bedacht en schreef zelf als Young Adult, maar de uitgever vond het ook wel geschikt voor volwassenen en gaf de twee boeken daarom zonder dat YA-etiket uit. NBD-Biblion, de organisatie die de recensies voor de bibliotheken verzorgt (tegenwoordig via een recensierobot, maar dat terzijde) was het met mij eens en gaf als leeftijdsgrens 15+ aan, wat dus ongeveer met die YA-doelgroep overeenkomt. Al met al staat mijn tweeluik in de bibliotheken nu soms bij de historische romans voor volwassenen, soms bij YA/15+ en in een aantal gevallen zelfs bij 12+.

Ten slotte zie je ook wel eens dat schrijfsels op publicatievorm worden ingedeeld. Dan ga je dus uit van het onderscheid tussen papieren boek, luisterboek en e-book. Dat heb ik geen moment overwogen, want voor mij moet het altijd om de inhoud van je schrijfsels gaan. Bovendien kan die vorm veranderen. Zo zal mijn eerste novelle (zie onder die kop bij de pagina’s) waarschijnlijk eerst als e-book uitkomen en wie weet daarna ook als luisterboek en/of papieren boek. Dat beslist je uitgever en hangt af van hoe je verhaal wordt ontvangen. Zo hoort dat ook. Ieder verhaal moet zichzelf zien te bewijzen…

Tot slot, deze toelichting op de nieuwe indeling van mijn website en pagina’s is ergens toch weer een soort blog geworden, zodat ik mijn vorige bericht misschien beter ‘Mijn voorlaatste blog’ had kunnen noemen. 😉
Hoe dat ook zij, voortaan plaats ik op deze homepagina alleen nog maar berichten over splinternieuwe publicaties. Voor 2022 zitten er daar nog minimaal vier van in de pijplijn, namelijk één novelle en drie korte verhalen. Wordt vervolgd dus…

Mijn laatste blog

Mijn laatste blog? Dat klinkt nogal dramatisch, maar als ik eerlijk ben koos ik die kop vooral om de aandacht te trekken, niet omdat ik het zo letterlijk bedoel.
Toch is die kop niet helemaal onzin. Ik heb deze website ooit ‘Hay’s schrijfblog’ genoemd. Maar… op een gegeven kwam ik tot de ontdekking dat ik niet echt voor bloggen in de wieg ben gelegd. O ja, ik weet best af en toe een leesbaar en voor sommigen interessant stukje te schrijven. Als je dat niet kunt, ben je ook geen auteur. Maar er is meer nodig om jezelf ook een blogger te noemen. Dan moet je het namelijk op kunnen brengen om jaar in jaar uit met grote regelmaat met een kersverse blog te komen. In het begin lukte me dat nog wel, maar de afgelopen paar jaar niet meer. Wie wil weten wat ik bedoel, hoeft maar even omlaag te scrollen naar mijn vorige blogs… De laatste is dus dik twee jaar oud…

Er speelt nog iets anders mee. Ook als ik opnieuw de zelfdiscipline op zou kunnen brengen om wekelijks of minimaal maandelijks een nieuwe blog te produceren, dan houd ik nog een probleem. Een goede en interessante blog schrijven kost namelijk veel tijd, tijd die ik eigenlijk liever in een nieuw verhaal steek.
Ik kan dat probleem op twee manieren oplossen. Of ik kap helemaal met mijn website óf ik ga het over een heel andere boeg gooien. Het zal niemand verbazen dat ik voor optie twee kies. Als auteur heb je gewoon een website nodig. Uitgevers verwachten steeds meer dat je als auteur een actieve bijdrage levert aan de promotie van je schrijfsels en een auteurswebsite is daar nog altijd een onderdeel van.

De volgende vraag is dan hoe je de website zo aan kunt passen dat je er weinig tijd in hoeft te steken, maar dat die desondanks actueel en informatief blijft. Om niet opnieuw het wiel uit te vinden ben ik maar eens bij een rits bekende en populaire auteurs (nee, ik noem geen namen…) gaan kijken hoe die het aanpakken. De conclusie is dan heel duidelijk. Het gros van de auteurs gebruikt de persoonlijke website vooral of zelfs uitsluitend als overzicht van hun oude en als uithangbord voor hun nieuwe publicaties.
Zo ga ik dat dus ook doen. Dan weten jullie meteen waarom het hier nog een paar weken een ratjetoe is. Bij werk in uitvoering kan dat nu eenmaal niet anders. Ik val jullie pas weer lastig met een nieuw stukje (nee, ik noem dat geen blog meer…) als ik de renovatie van de website naar tevredenheid heb afgerond.

Een laatste vraag. Waarom kies ik nu net de zomerperiode voor mijn renovatie? Het eerste antwoord is dat de vakantieperiode/komkommertijd zich daar het best voor leent. Het tweede en betere antwoord is dat er na een rits korte verhalen na de zomer waarschijnlijk weer eens iets langers van mijn hand uitkomt. Wat, hoe en waar? Daar ga ik wijselijk pas op in als het zeker is. Maar hoe dan ook wordt dat een goede aanleiding om tegen die tijd weer een fatsoenlijke website in de lucht te hebben.

Wordt vervolgd…

Update!

Toen ik gisteren het beginfragment van ‘Mare’ plaatste, ontdekte ik tot mijn schande dat mijn voorlaatste post van september 2019 stamde, intussen bijna driekwart jaar geleden…
Een verzachtende omstandigheid was er wel. In die periode was ik vooral gefixeerd op het schrijven van nieuwe historische jeugdverhalen voor 12+ en/of YA. Maar een echt excuus is dat niet. Tegenwoordig moet je als auteur, bij welke uitgever je ook zit, zelf meewerken aan de promotie. Natuurlijk geldt dat vooral als er een nieuw boek aan zit te komen of als dat net uit is, maar ook in die ‘tussenperiodes’ is het goed om af en toe iets van je laten horen. Dat doe ik hieronder door mijn schrijfprojecten en publicaties vanaf de zomer van 2019 op een rijtje te zetten. Om er geen droge opsomming van te maken, begin ik telkens met een afbeelding en een kort beginfragment.

  1. Tuya

Een ijzige noordenwind smoort het eerste sprankje lente in de kiem. Mijn warme adem verandert in een wit bevroren wolkje. Ik ril, sla mijn mantel steviger om me heen en tuur naar de oostelijke horizon, waar een zwakke gloed de nieuwe dag aankondigt.
              ‘Kom, Tuya,’ klinkt moeders stem. ‘Je brengt Sarnai niet terug door daar te blijven staan.’
Ik zucht een keer, draai me om en loop terug naar de joert. De honden willen niet van mijn zijde wijken, maar naar binnen mogen ze niet. Ze gaan naast de ingang liggen en janken zachtjes. Ik voel met ze mee. Ze missen Sarnai. Mijn oudste zus is volgens mij het enige meisje van alle Kereit dat meer van honden dan van paarden houdt.
              Net als ik de zware vilten doek achter me heb dichtgeknoopt, slaan de honden aan. Eerst keffen ze een paar keer. Meteen daarop komen ze overeind en blaffen luid.

Dit verhaal had bij uitgeverij Mozaïek de opvolger van mijn tweeluik (‘Alya’ en ‘Alya’s keuze’) moeten worden. Maar Mozaïek geeft helaas geen YA meer uit en voor die doelgroep had ik Tuya wel geschreven. Ik heb dit verhaal zeker nog niet afgeschreven, maar voorlopig ‘geparkeerd’ ten gunste van twee andere historische jeugdverhalen. Het eerste daarvan was ‘Mare’, maar daarover ging mijn vorige post al. Dat kan ik hier dus even overslaan. Het tweede verhaal volgt hieronder.

2. Wolvenvrouw

De hemel is staalblauw en de lentezon bereikt bijna het hoogste punt. Veel helpt dat Kita niet. Langs de oevers van het snelstromende riviertje groeien te weinig bomen om de gure valwind te breken die de vrieskou uit de besneeuwde bergen naar de vlakte blaast. Al voor ze de stroomversnelling bereikt, heeft ze er spijt van dat ze de waarschuwing van de stammoeder in de wind sloeg. Wanneer ze niet zo eigenwijs was geweest, had ze nu haar gevoerde winterkleding gedragen in plaats van een hemd van elandhuid dat haar armen en benen bijna helemaal bloot laat.
              Tussen de door het water gladgeslepen keien ligt een rij fuiken. Kita bijt op haar tanden en stapt zonder aarzelen in het ijzige water. Zo snel ze kan tilt ze een voor een de uit soepele wilgentenen gevlochten fuiken op. De eerste twee zijn leeg. In de derde fuik zit enkel een kleine baars, die ze met een snelle beweging in de buidel aan haar zij mikt.

Van ‘Wolvenvrouw’ heb ik tot vandaag alleen het eerste hoofdstuk (waarvan dit fragment het begin is) uitgeschreven, maar plot en hoofdstukindeling zijn rond, dus ik kan snel schrijfmeters maken met dit verhaal. Het gaat een soort prehistorische YA-thriller worden met meer moord, doodslag en andere gruwelijkheden dan ik normaal in mijn verhalen stop. Maar deze keer kom ik daar niet onderuit, want dit verhaal heeft het nodig. Ik denk in de loop van de zomer zo ver te zijn dat ik er een uitgever voor kan gaan zoeken.

3. Meiyin

Een streep zonlicht valt door de deuropening van de joert en zet de vilten binnenwand in een gouden gloed. Ik heb er geen oog voor. Al mijn aandacht gaat uit naar mijn Chinese slavin die buiten op haar knieën in de ochtendzon zit. Zonet schraapte ze nog restjes vet en vlees van een schapenhuid. Nu rusten de handen in haar schoot en staart ze met wijd open ogen voor zich uit.      
Meiyin kan me niet goed zien, want ik zit in het donkerste gedeelte van de joert. Ik betwijfel of dat veel uitmaakt, want haar geest is niet hier. Die is ergens in Zhongdu, ver voorbij de Gobiwoestijn en de Grote Muur. Misschien staat Meiyin weer op de stadsmuur van Zhongdu, vlak voordat ze zou springen.Wie weet zit ze opnieuw op haar knieën tegenover mij en drukt ze de handen tegen haar oren om het gejammer van haar stervende vriendinnen niet te horen. Maar het kan ook zijn dat ze terugdenkt aan een gelukkigere tijd, voordat de grote khan besloot om een voorbeeld te stellen en van de Chinese hoofdstad een oord van bloed en knekels te maken.
            ‘Meiyin is al meer dan een jaar hier en je hebt beter voor haar gezorgd dan voor je paarden. Toch is ze nog altijd niet zwanger. Hoeveel geduld heb je nog met haar, Nugai?’
            Het duurt even voordat moeders woorden tot me doordringen…

Voor volwassenen schrijf ik ook, maar dan gaat het (tot nu toe…) in de regel om korte verhalen, meestal historisch, soms meer in de fantastische richting. Mijn nieuwste historisch verhaal kwam begin van het jaar uit bij Uitgeverij Historische Verhalen en wel in jaarbundel nummer vier. Het is echter ook in zijn geheel online te lezen: https://www.historischeverhalen.nl/meiyin-door-hay-van-den-munckhof/

4. Voorbij de storm

Land achter de nevels

De mannen zijn terug …
Azula negeert de pijn in haar geschaafde polsen. Daar beneden, slechts van haar gescheiden door een plafond van ruwe planken, klinkt het jammeren en smeken van de meisjes die er niet in slaagden[HvdM1]  zich te bevrijden.
Als een opgejaagd dier kruipt Azula naar de uiterste hoek van de zolder, maakt zich zo klein mogelijk en drukt de handen tegen haar oren. Het is niet genoeg om de doodskreten buiten te sluiten. Die snijden door haar ziel en dreigen het laatste sprankje hoop te doven dat ze in haar dromen levend wist te houden…

Te lang

In de schaduw van een bemoste ruïne beweegt iets. Opwaaiend stof kan het niet zijn, want de hemel ligt als een loodzware deken over een stille, klamme wereld.
              De man staat stil en legt een pijl op zijn boog. Gevaar boezemt hem geen angst in. Gevaar betekent voedsel of de dood. Het eerste is altijd welkom, het tweede soms nog meer.
              ‘Ik hoop dat je hand nog vast is, oude man. Kom dichterbij. Dan mis je mijn hart niet.’
              Hij laat de boog zakken en loopt langzaam in de richting van de ruïne. Voor het eerst in jaren hoort hij een stem die hem aan zijn jeugd doet denken.
              Naast iets dat ooit een garage moet zijn geweest, zit een uitgemergeld meisje.

‘Land achter de nevels’ en ‘Te lang’ zijn twee korte dystopische verhalen die ik schreef voor de bundel ‘Voorbij de storm’, die binnenkort uitkomt bij uitgeverij Macc. Alle 25 auteurs kregen de vraag een verhaal in fantastische sferen te schrijven dat te maken heeft met klimaatverandering. De opbrengst gaat niet naar auteurs of uitgever, maar naar een goed doel dat met het thema heeft te maken. Het prachtige coverontwerp is van de hand van Tais Teng, die zelf ook een verhaal aan deze bundel bijdroeg.

5. 55 woorden

LOT

De dood staat voor de deur.
‘Dit moet een vergissing zijn,’ stamel ik.
‘Nee,’ zegt de dood.
Ik sprint naar de achterdeur, maar vergeet de emmer midden in de keuken. Mijn hoofd verbrijzelt de ruit. Verbaasd kijk ik naar de helrood kleurende mat.
De dood is nu verblindend wit.
‘Zie je wel,’ zegt hij.

Tot slot mijn kortste publicatie van de laatste tijd, exact 55 woorden, die ik hier dus moeiteloos in zijn geheel kan plaatsen. Ook van deze jaarlijkse bundel gaat de opbrengst naar het goede doel.
Dit soort kortjes zijn niet alleen leuke ‘tussendoortjes’, maar ook prima schrijfoefeningen, want het valt helemaal nog niet mee om binnen 55 woorden een pakkend stukje met een kop, middenstuk en staart te bedenken.




Mare

Hieronder het eerste hoofdstuk van ‘Mare’, een historische jeugdroman voor 12+, die speelt in de Vikingtijd. Het moet de opvolger worden van mijn historisch tweeluik voor YA (‘Alya’ en ‘Alya’s keuze’), dat in 2018 uitkwam bij uitgeverij Mozaïek.
‘Mare’ ligt nu (21 mei 2020) bij een uitgever. Als er witte rook komt, verwacht ik dat het ergens in 2021 gepubliceerd zal worden en kan ik natuurlijk ook de naam van die uitgever onthullen. In een volgende blog zal ik ook het beginfragment plaatsen van ‘Wolvenvrouw’, het prehistorisch jeugdverhaal, waar ik nu aan werk. Wie het nu al wil lezen, verwijs ik naar mijn auteursblog op Hebban:
https://www.hebban.nl/blogs/wolvenvrouw

Witla – 836 na Christus

  1. Vragen

Wanneer we vertrekken naar de kreek om de fuiken te legen, grijpt Almer allebei de riemen. Verbaasd kijk ik mijn broer aan, want normaal roeien we altijd samen. Volgens de oude Eirik, die Almer leert zwaardvechten en mij tot in den treure laat oefenen met mijn werpmessen, is dat goed voor mij. Hij zegt dat ik zo sterker word dan alle andere Friese meisjes in Witla, ook al zijn die stuk voor stuk groter. Of dat echt waar is, weet ik niet, maar ik ben zo aan de oude Deen gehecht, dat ik alles wat hij beweert graag geloof.
              Voor deze ene keer laat ik Almer begaan. Het geeft mij de kans om op mijn gemak om me heen te kijken en na te denken over het rare gedrag van mijn broer. De hele dag doet Almer al anders dan anders en ik heb geen idee waarom. Meestal is hij heel gezellig. Soms kletst hij me zelfs de oren van het hoofd. Al word ik daar wel eens moe van, dat zeg ik nooit hardop. Almer is nu eenmaal Almer. Zelfs als wat hij vertelt nauwelijks nog tot me doordringt, luister ik graag naar zijn stem. Maar vandaag is Almer stil en roeit hij met lange halen verder. Het lijkt of hij helemaal is vergeten dat ik vlak achter hem in de boot zit.

Halverwege onze weg naar de fuiken ben ik Almers zwijgen beu. Bijna had ik aan zijn donkere haar getrokken, dat hij met een leren riempje tot een staart heeft gebonden. Ik bedenk me, kuch een keer en leg een hand op zijn schouder. Almer laat een slag lopen en kijkt met een verwonderde blik achter zich. Ik vraag niets. Ik glimlach enkel.
              ‘Het spijt me, Mare,’ zegt Almer. ‘Ik zat te dromen. De rest van de dag zal ik wat gezelliger zijn.’ Gelijk begint hij aan een lang verslag van de laatste boottocht die hij met vader naar de markt van Dorestad maakte. Ik luister ademloos. Alles wat ik over de wereld buiten Witla hoor, vind ik razend interessant, zeker als het te maken heeft met schepen uit verre landen die in de haven van Dorestad af en aan varen en er de meest fantastische goederen aan wal brengen. Ik vergeet dan ook helemaal om Almer te vragen waarover hij zat te dromen.

De houten bak waarin we onze vangst bewaren, blijft ook na het legen van de derde fuik akelig leeg. Op de bodem spartelt tussen twee zeekrabben slechts een enkele vis die het meenemen waard is.
              ‘Als dat zo doorgaat, moeten we maar kokkels en strandkrabbetjes meenemen,’ moppert Almer, ‘dan kan moeder in ieder geval soep koken.’
              Ik moet lachen om het zure gezicht dat mijn broer trekt. Hij maakt er nooit een geheim van dat hij meer van vlees en gevogelte houdt dan van vis of schaaldieren.
              ‘In de buurt van de volgende fuik zitten vaak ganzen op de oever,’ zeg ik. ‘Misschien heb ik aan één worp wel genoeg. Dan krijg je vanavond toch nog iets lekkers te eten.’
              ‘Gebruik je messen alleen als er niemand in de buurt is,’ zegt Almer. ‘Beloof me dat.’
              Ik antwoord niet en laat het bij een vluchtige knik. Mijn broer, die nog geen jaar ouder is dan ik, doet soms net of ik zijn kleine, onwetende zusje ben. Hij weet best dat zijn opmerking overbodig is. Wel vraag ik me de laatste tijd steeds vaker af waarom het zo belangrijk is dat ik me aan die afspraak houd. Ik ken geen enkel ander meisje in Witla dat een mes snel en trefzeker kan werpen. Ik weet zelfs vrij zeker dat geen van hen ooit een werpmes heeft gezien. Maar waarom zou het erg zijn als een van hen me toevallig zo’n mes ziet gooien? En waarom is dat voor Almer dan zo anders? Mijn broer hoeft er helemaal geen geheim van te maken dat hij kan zwaardvechten. Alleen dat hij bijna dagelijks met Eirik oefent, mag hij van vader aan niemand vertellen.
              Zoals meestal raadt Almer wat ik denk. ‘Kijk niet zo beledigd, Mare,’ zegt hij, ‘natuurlijk weet je dat je die messen verborgen moet houden. Ik vraag me net zo vaak als jij af waar al die geheimzinnigheid voor nodig is en waarom Eirik bijna iedere dag met ons gaat oefenen. Toen ik vader vanmorgen in de smidse hielp met de blaasgalg, vroeg ik hem daar voor de zoveelste keer naar.’
              ‘En, kreeg je een antwoord?’
              ‘Ja,’ antwoordt Almer.
              Ik maakte net aanstalten om koers te zetten naar de volgende fuik. Meteen laat ik mijn roeiriem weer los. Met grote ogen kijk ik Almer aan. Zou het echt waar zijn? Krijg ik dan eindelijk antwoord op de vragen die me soms midden in de nacht bezighouden? Het moet wel. Almers ogen schitteren en de uitdrukking op zijn gezicht vertelt de rest.
              De adem stokt in mijn keel. ‘Asjeblieft, Almer, vertel het mij ook.’
              ‘Dat kan niet,’ zegt Almer, ‘want ik weet nog niets. Vader wil het ons samen vertellen. Moeder moet daar ook bij zijn.’
              Ik verbijt mijn teleurstelling. ‘Wanneer?’
              ‘Meteen als we terug zijn.’
              ‘Waarom zei je dat niet eerder?’ Nu weet ik waarover Almer zat te dromen…
              ‘Dat had ik eigenlijk nog niet mogen doen,’ antwoordt Almer. ‘Vader weet dat jij nog meer vragen hebt dan ik. Hij vond het daarom beter dat ik je niets vertel voordat we terug zijn. En moeder zei dat je gelijk om zou keren, met of zonder vis.’
              Om dat laatste moet ik lachen. ‘Moeder had gelijk,’ zeg ik. ‘Als er in de volgende fuik opnieuw weinig te halen valt, gaan we terug. Dan nemen we toch maar wat krabbetjes mee.’
              ‘Goed,’ zegt Almer meteen.
              Bij de volgende fuik hebben we meer geluk. Daarin vinden we drie zeekrabben en een paar grote vissen, waaronder een vette paling. Zo gauw we die bij onze vangst hebben gevoegd, gooi ik de rest van de visjes en krabbetjes snel terug in het water. Op onze weg naar huis trekt Almer zo hard aan zijn roeiriem dat de boot ons niet langer in een rechte lijn terugvoert, maar een haakse bocht maakt en bijna aan de grond loopt.

Mijn hart maakt een sprongetje als ik een eind voor de aanlegplaats zie dat vader, moeder en ook de oude Eirik ons al tegemoet lopen…

Onderhoud website

 

Op 9 september zijn ook de laatste zomerschoolvakanties van 2019 verleden tijd; een mooie gelegenheid om mijn website op de schop te nemen. Dat is om twee redenen hard nodig. Ten eerste had ik er tot mijn schande veel te lang veel te weinig mee gedaan.
De tweede reden is dat ik als schrijver nu in een andere situatie zit dan voor de zomervakantie, een situatie die gevolgen heeft voor de inhoud van mijn website. Daar ga ik in een volgende post op in. Nu houd ik het even praktisch en concreet.

Wat ga ik aanpassen en waarom? De belangrijkste verandering wordt dat ik mijn website in de eerste plaats als uithangbord voor mijn verhalen wil gaan gebruiken. Veel frequenter dan in de voorgaande jaren ga ik dan ook geen losse fragmenten, maar complete verhalen plaatsen. Vanavond (8 september) ben ik met de aanpassingen begonnen. Het gaat nog wel een paar dagen duren voordat ik alles rond heb. Tot dan laat mijn website misschien een wat chaotische indruk achter. Dat kan niet anders. Waar gewerkt wordt, vallen nu eenmaal altijd spaanders…

 

Madeliefje

Tussen mijn schrijfblogs door ga ik hier met enige regelmaat een verhaal of verhaalfragment plaatsen, soms een ouder verhaal, soms iets van recenter datum. Niet alles wat ik ooit schreef, kan ik daar zonder meer voor gebruiken. Soms heeft een uitgever voor een bepaalde tijd het publicatierecht op een verhaal. Het komt ook voor dat je met de samensteller van een bundel afspreekt om je verhaal voor een bepaalde tijd, meestal een half of een heel jaar, niet elders (dus ook niet op je eigen blog) te publiceren. Dan nog blijven er genoeg verhalen over om er hier met enige regelmaat een te plaatsen. Reacties zijn welkom, want (opbouwende) feedback is altijd nuttig voor een auteur.
Het eerste verhaal in de reeks (hoe lang die wordt, weet ik nog niet…) is ‘Madeliefje’. Met dat verhaal won ik vorig jaar de wedstrijd SweekStars2018 in de categorie kort verhaal. Wie wil weten wat Sweek is en hoe dat digitaal verhalenplatform werkt, kan zich eenvoudig via de volgende link registreren: https://sweek.com/nl/ Nodig is dat niet, want het verhaal volgt hieronder.

Madeliefje

Vroeg in de morgen kom ik aan in het stadspark. Met mijn fototas loop ik naar de vijveroever. Gisteren lag ik hier in de late zomerzon te lezen. Toen ik van mijn boek opkeek, zag ik kort een diamanten schittering. Eerst dacht ik aan een libel, maar libellen maken geen menselijk klinkende geluiden. Ik durf te zweren dat iets of iemand mij in mijn gezicht uitlachte en er daarna als een schicht vandoor ging.
Waar gistermiddag mijn boek lag, zet ik nu een ministatief neer. Ik ga liggen en stel mijn telelens scherp op een groene kikker, die luidkeels zit te kwaken. Als de slijmerige herriemaker even zijn bek houdt, trekt een tinkelend geluidje mijn aandacht. Vlak voor mij, op een waterlelieblad, zit een feeëriek wezentje met goudblonde lokken, de benen gekruist en de handen op haar knieën. Ze kijkt mij aan en treft mij recht in het hart.
Als de camera klikt, lacht ze een verleidelijk lachje, werpt mij een kushandje toe en schiet weg als een zoemende bij, haar fluorescerende vleugels glinsterend als duizend minuscule saffieren.

Na die dag spookt het feetje door mijn dromen en beheerst ze mijn gedachten. Mijn vrienden zie ik niet meer en mijn studie verwaarloos ik. Steeds vreemdere smoezen bedenk ik om mijn ouders uit te leggen waarom ik er zelfs bij hondenweer elke dag op uit trek, om pas uren later terug te keren, soms doornat en tot op het bot verkleumd. Twee keer zie ik een flits van het feetje, maar dat kan mij niet troosten. Integendeel, ik raak steeds meer van zinnen. Zo kan ik niet verder leven…
Ten einde raad ga ik met mijn kostbaarste schat, de foto van het feetje, naar de enige persoon die mij misschien kan helpen. In heel de stad staat zij bekend als Trees de Heks, maar zelf noemt zij zich natuurlijk niet zo. ‘Trees Petuna’ staat er op het naambordje naast de voordeur en ‘Praktijk voor holistische bloesemtherapie’. Haar huis ligt pal achter de parkvijver en heeft een tuin vol uitbundig bloeiende planten.
Trees leidt mij naar de keuken. Een bezem zie ik nergens, maar op de magnetron zit wél een zwarte kater, die vervaarlijk blaast en met een geklauwde poot naar mij uithaalt.
Ik negeer het beest en laat mijn foto zien. ‘Al mijn spaargeld heb ik over voor een spreuk die haar menselijke afmetingen geeft, mevrouw,’ bezweer ik haar.
Trees lacht kakelend. ‘Zeg maar gewoon tante Petunia,’ zegt ze. ‘Dat doet mijn hele familie. Maar, mijn beste jongen, dacht jij werkelijk dat je de eerste bent ? Ik zal je uit de droom helpen. Dit jaar ben jij nummer honderddertien. En dan nog iets. Wat je ook biedt, ik kan en wil geen feetjes groter maken dan ze zijn. Maar… misschien kan ik je toch helpen. Voor het geld dat je bij je hebt, kan ik wél het tegenovergestelde met jóu doen.’

Vol verwachting spring ik in de vijver en zwem naar het blad waar het feetje zit. Meteen vliegt zij op. Als ik me op het blad gehesen heb, schreeuw ik het uit van frustratie. Dat had ik beter kunnen laten. Vlak voor mij breekt iets door de waterspiegel. Ik kijk in de ogen van de groene kikker. Een projectiel schiet op mijn hoofd af. Om de kikvorstong te ontwijken, spring ik in een reflex opzij en duik onder. Als een lijkkleed sluit de gifgroene waterspiegel zich boven mij. Een luide plons klinkt achter mij… Panisch zwem ik weg van het amfibische monster. Tegen een mansdikke rietstengel kom ik tot stilstand. Ik negeer de pijn en verberg mij erachter. Net op tijd! Een reusachtige schaduw doemt op en glijdt langs de stengel.
Mijn longen dreigen te barsten. Ik móet omhoog. Als ik proestend bovenkom, zie ik het feetje op haar knieën aan de kant zitten. Ze steekt haar hand uit.
‘Snel,’ roept ze. ‘Hierheen! Moeder vergeeft het me nooit als dat beest je opvreet.’
In enkele slagen ben ik bij haar. Ze pakt mijn handen en trekt uit alle macht. Als ik hijgend op de kant lig, sleept ze me een stuk verder weg van de oever. Als ik omkijk, weet ik waarom.
Waar ik zo net bovenkwam, zie ik nu een groene kikkerkop …
‘Hoe heet je?’ vraag ik, als ik weer een beetje op adem ben.
‘Madeliefje,’ antwoordt ze. Ze zet haar handen in de zij en kijkt me schalks aan.
‘Waarom is je moeder zo bezorgd om mij?’
‘Daar zul je snel genoeg achter komen,’ zegt Madeliefje. ‘Maar voordat ik je aan haar voorstel, moet je er eerst een beetje toonbaar uitzien. Trek die vieze kleren uit.’
Ik ben zo overdonderd dat ik zonder protest gehoorzaam. Als mijn bemodderde spullen voor mij op de grond liggen, duiken er vanuit het niets twee andere feetjes op.
‘Geneer je niet,’ zegt Madeliefje. ‘Aster en Viooltje zijn mijn zussen. Wij doen altijd alles samen.’
Dat blijkt. In een mum van tijd smeren ze mijn lichaam in met zeepkruid. Daarna tronen ze mij mee naar een kleine waterval en spoelen me zorgvuldig af.
‘Ga staan,’ zegt Madelief. Precies tegelijk keren de drie zussen me de rug toe. Met hun razendsnel vibrerende gazen vleugeltjes drogen ze mij in een mum van tijd.
Als we het verborgen dorp achter de vijver binnenlopen, ben ik voldoende bij zinnen om me af te vragen wanneer ik nieuwe kleren krijg. Maar al word ik door iedereen aangestaard, niemand schijnt het raar te vinden dat ik in mijn blootje aan kom wandelen.
Op het dorpsplein staan tafels klaar en iets dat op een grote barbecue lijkt. Een baardige dwerg met een koksmuts komt ons tegemoet.
Pas als ik hoor wat Madeliefje roept, begint er in een hoekje van mijn geest langzaam iets te dagen.
‘Kijk eens wat ik hier heb! Nummer honderdveertien, alleen al dit jaar. Tante Petunia heeft het weer gefikst. Stook het vuur maar op, Glim. We hebben hem zonet van top tot teen gewassen. Hij is brandschoon.’
Nu pas zie ik de bijl aan de riem van de dwerg …

 

Schrijfjaar 2018 – een jaar vol primeurs

In de eerste week van het nieuwe jaar is het passend om met een terugblik van start te gaan. En ja, ik heb mijn website niet voor niets ‘Hay’s schrijfblog’ gedoopt. Ik ga het dus niet over het weer, de politieke ontwikkelingen of onze vakanties hebben. Ik laat het hieronder bij een overzicht (aan de hand van de covers) van wat 2018 me als schrijfjaar heeft gebracht. Dat waren de volgende zes publicaties:

Van links naar rechts:

1. Historische Verhalen Verzamelbundel II
In februari 2018 kwam de tweede jaarbundel van uitgeverij Historische Verhalen uit met de verhalen die in 2017 op de gelijknamige website zijn verschenen. Deze keer droeg ik twee van de twintig verhalen bij. Ze blijven allebei online te lezen:
Gilberts oor: https://www.historischeverhalen.nl/gilberts-oor-hay-munckhof/
Hisse: https://www.historischeverhalen.nl/hisse-hay-munckhof/

2. Alya
En toen werd het lente en kwam in april mijn eerste historische roman uit. Dat zie ik toch wel als het mooiste moment uit mijn schrijfleven, dat nu een jaar of vijftien geleden (ja, dus ná mijn vijftigste)van start ging met een schrijfcursus bij het LOI. Natuurlijk telt ook mijn eerste zelfstandige publicatie (dat was in 2010 het Vlaams Filmpje ‘IJstijd’) en ben ik ook nog altijd blij met ieder verhaal in een mooie bundel, maar een allereerste ‘echte’roman heeft toch net iets meer. Niet voor niets bedoelt men in het schrijfwereldje met het woord debutant in het algemeen iemand die zijn of haar eerste roman publiceert.

3. Achterblijvers
Op dit moment sta ik (niet ten onrechte) te boek als iemand die vooral historische verhalen en romans schrijft, met af en toe een uitstapje in de fantasyrichting. Maar toen rond het jaar 2005 mijn eerste korte verhalen uitkwamen, was die verhouding precies omgekeerd. Dat waren op een enkele uitzondering na fantasyverhalen. Tot 2014, toen ‘Traisha en het Ei’ bij uitgeverij EigenZinnig uitkwam, een bloemlezing uit mijn eerder gepubliceerde fantastische verhalen, is dat zo gebleven.
Waarom ik daarna de bakens in historische richting ging verzetten? Dat wordt in dit overzicht een te lang verhaal. Daar kan ik dus beter t.z.t. een nieuwe blog aan wijden. Laat ik het er hier op houden dat ik het schrijven van fantasy veel te leuk vindt om er helemaal mee te stoppen. Het helpt daarbij dat ik nog altijd af en toe een leuk ‘fantasysuccesje’kan vieren. Met ‘Naya’ het verhaal van een verdwaalde naiade (ik meng die fantasy graag met een scheut mythologie…) en mijn enige gepubliceerde fantasyverhaal van 2018 won ik in mei gelijk de jaarlijkse genrewedstrijd van Godijn Publishing.

4. Odi et Amo
Mijn verhaal in de jaarlijkse historische bundel van Godijn Publishing was in zekere zin ook een primeur. In 2017 won ik namelijk de schrijfwedstrijd waaruit elk jaar de verhalen voor de bundel worden geselecteerd. Vanwege de drukte rond mijn eerste romans haalde ik in 2018 de deadline niet. De uitgeefster loste dat op door me (uiteraard buiten mededinging) een extra verhaal te laten schrijven. Zo werd ‘De muren van Zhongdu’ mijn allereerste (misschien ook wel allerlaatste…) bonusverhaal.

5. Alya’s keuze
Dat hoort eigenlijk gewoon bij nummer twee, dus bij ‘Alya’. Ik schreef mijn tweeluik namelijk in eerste instantie als één verhaal. Dat uitgeverij Mozaïek (in goed overleg) besloot om er toch twee delen van te maken, had vooral praktische redenen waar ik hier verder niet over uitweid. Ook dat is meer iets voor een aparte blog. Hetzelfde geldt voor de reacties op mijn tweeluik. Ik beperk me er hier toe om te melden dat ik erg blij ben met de vele positieve recensies in een aantal boekenblogs, op Hebban en last but not least van NBD-Biblion.

6. Voyage au Valhalla
In de laatste maand van 2018 was er nog een leuke en bijzondere uitsmijter in de vorm van mijn eerste (hopelijk niet laatste…) vertaalde verhaal. Dat ging als volgt. Eind 2017 wist ik al dat ‘Naar het Walhalla’, een onvervalst vikingverhaal voor 10-13-jarigen, mijn tweede ‘Vlaams filmpje’ bij het Belgische Averbode zou worden. De Nederlandstalige versie komt in februari 2019 uit. Maar … de serie ‘Vlaamse Filmpjes’ (die intussen bijna 90 jaar bestaat!) heeft in een meertalig land als België een Franstalige tegenhanger, namelijk de ‘Récits Express’. En laat de redactie daarvan nu uitgerekend een historisch verhaal tekortkomen… In de regel laten ze die door Franstalige auteurs schrijven, maar in dit geval werd het dus een vertaling. Weer een primeur dus!

Als afsluiter een van de fraaie illustraties in ‘Voyage au Valhalla’ van de hand van Michael Vincent. Zie voor Michaels website: http://www.michaelvincent.be/

walhalla 03 - naar kaupang b

De recensie van NBD-Biblion

Het wachten op de NBD-Biblion-recensie van een nieuw boek is voor auteurs iedere keer opnieuw weer een spannend moment. Lezers begrijpen het waarom niet altijd. Daarom hieronder nog eens de twee belangrijkste redenen:

1. De meeste bibliotheken baseren hun bestellingen op de inhoud van die NBD-Biblion-recensie. Is die positief en is er een grote doelgroep voor het betreffende genre (in mijn geval historisch), dan volgt in de regel een flinke bestelling. Vooral voor debutanten is dat erg belangrijk, want het is een prima manier om wat meer naamsbekendheid te krijgen en zo op den duur ook via boekhandel en/of webshops meer boeken te verkopen.

2. Ook rechtstreeks heeft die recensie invloed, want de meeste grote webshops zoals de ‘dikke blauwe’ plaatsen ze meteen bij het boek. Op die manier is de NBD-Biblion-recensie waarschijnlijk de meest gelezen recensie van Nederland. Heel wat lezers weten ook dat het een objectieve (voor zo ver dat bestaat…) recensie is, terwijl sommige van die andere reacties (maar beslist niet allemaal…) uit het netwerk van de auteur komen en meer als steunbetuiging dan als een echte beoordeling gelezen moeten worden, iets wat trouwens ook bij een site als Hebban.nl speelt. Daar zie je ook vaak grote verschillen tussen de beoordeling van de Hebban-recensent en de reacties van andere lezers.

Mijn laatste roman (‘Alya’s keuze’) is nu acht weken uit. Dat is zo’n beetje de gemiddelde tijd, die je op de recensie moet wachten, dus ik verwacht die in de loop van deze week te zien verschijnen.
Gelukkig heeft NBD-Biblion er wel iets op gevonden om de recensie meteen digitaal voor de bibliotheken te verwerken, zodat die een titel desnoods dezelfde dag nog kunnen bestellen (zie infographic van NBD-Biblion hieronder).

Wedstrijd rond ‘Alya’ en ‘Alya’s keuze’ – looptijd 21 oktober t/m 21 december

Nu de donkere weken van november en december voor de deur staan, traditioneel de beste tijd voor de boekenverkoop, wordt het tijd om de promotie van mijn tweeluik (‘Alya’ en ‘Alya’s keuze dus) serieus aan te pakken.
Mijn idee: Een variant op een winactie, deze keer in wedstrijdvorm.

De spelregels zijn als volgt:

• Schrijf over een of beide delen van mijn tweeluik (‘Alya’ en/of ‘Alya’s keuze dus) een originele en boeiende bespreking. Natuurlijk mag je het ook een recensie noemen, al ben ik zelf altijd een beetje voorzichtig met dat woord. Een recensie hoort voor mij zo objectief mogelijk te zijn. Als, zoals in dit geval, het doel de promotie van een boek is, kun je nog altijd eerlijk zijn, maar echt objectief? Ik denk het niet…

• Natuurlijk moet je hiervoor deel een (‘Alya’) en/of deel twee (‘Alya’s keuze) gelezen hebben. Dat kan ook via de bibliotheek. Het is wel mogelijk dat je dan moet reserveren, want enig googelwerk leert mij dat de meeste bibliotheken, met name de grotere, beide delen al in hun collectie hebben, maar ook dat daarvan continu zo’n 80% is uitgeleend. Dat is misschien lastig, maar voor mij als auteur natuurlijk ook mooi om te weten. 😉

• De lengte is vrij. Iedereen kan bedenken dat je met een bespreking van een of twee zinnen niet veel kans zult maken, maar verder gaat het me meer om kwaliteit dan kwantiteit. Een aansprekende, nieuwsgierig makende en originele bespreking van tien zinnen maakt dus absoluut meer kans dan een lang en ‘vlak’ verhaal. Verder moet het vooral eerlijk overkomen. Je verdient dus géén extra punten door ‘Alya’ en/of ‘Alya’s keuze’ kritiekloos de hemel in te prijzen…

• Plaats die bespreking op een plek waar het lezers bereikt. Dat kan op een lezerswebsite als Hebban of Goodreads, maar ook op ieder ander geschikt digitaal platform, zoals een van de bekende boekenwebshops zoals de ‘dikke blauwe’. Het kan ook een eigen blog zijn, mits je dat dan wel met regelmaat gebruikt om nieuwtjes en/of recensies over boeken te plaatsen. Besprekingen die alleen jou en je directe kennissenkring bereiken, bijvoorbeeld als ze alleen op je persoonlijke facebookpagina staan, tellen dus niet mee. Bij twijfelgevallen roep ik de hulp van mijn vrouw in om de knoop door te hakken. 😉

• Stuur de link of links (als je gaat voor de bonusprijs; zie hieronder) naar je geplaatste bespreking/recensie naar het volgende emailadres: hayvandenmunckhof@ziggo.nl

• De wedstrijd loopt tot en met vrijdag 21 december. De uitslag volgt zo snel mogelijk, maar in ieder geval vóór het nieuwe jaar.

• Wanneer precies je de bespreking in de komende twee maanden plaatst, doet er niet toe. Het mag meteen al, maar alles is goed zolang ik maar op 21 december voor 24.00 uur je mail met link(s) binnenkrijg.

• Iedere deelnemer stuur ik na ontvangst van de inzending zo snel mogelijk een bevestigingsmail.

• De uitslag plaats ik voor 1 januari 2019 hier, dus op mijn website, en daarnaast in elk geval op mijn FB-pagina. De vier winnaars krijgen daarnaast persoonlijk bericht.

• Naam en adresgegevens zijn pas nodig als je bij de winnaars hoort. Uiteraard zijn de portokosten dan voor mijn rekening.

De prijzen:

1e prijs
Drie boeken (zie afbeelding en toelichting onder de post) naar keuze.

2e prijs
Twee boeken naar keuze

3e prijs
Een boek naar keuze

Bonusprijs
Drie boeken naar keuze.
De bonusprijs gaat naar de deelnemer die zijn/haar bespreking op de meeste digitale platforms (zie het derde punt van de spelregels) heeft geplaatst. Bij een eventuele gelijke stand laat ik de kwaliteit van de bespreking de doorslag geven. Wie voor de bonusprijs in aanmerking wil komen, moet alle betreffende links in één mail naar hayvandenmunckhof@ziggo.nl sturen. Als dat in een serie losse mails gebeurt, wordt het namelijk erg onoverzichtelijk en brengt het te veel werk met zich mee.

Tot slot:
Op veel plekken waar je een recensie/bespreking plaatst moet je ook een beoordeling in sterren geven, in de regel van minimaal een tot maximaal vijf sterren. Denk vooral niet dat je meer kans maakt als je ‘Alya’ of ‘Alya’s keuze’ overal vijf sterren geeft, al mag dat uiteraard wel… Ik hecht veel meer waarde aan een eerlijke, originele en onderbouwde bespreking dan aan dat aantal sterren.

En o ja, het delen van deze wedstrijd, op welk platform dan ook, wordt natuurlijk op prijs gesteld…

Hieronder de negen boeken waaruit de prijswinnaars kunnen kiezen, met daaronder de link naar een recensie.

1. Alya – Uitgeverij Mozaïek 2018
http://www.cravingpages.com/review/alya-van-hay-van-den-munckhof/

2. Alya’s keuze – Uitgeverij Mozaïek 2018

3. Historische verhalen uit de Gouden Eeuw – Uitgeverij Historische Verhalen 2017
https://www.hebban.nl/boeken/historische-verhalen-gouden-eeuw
4. Historische verhalen – jaarbundel 1 2016 – Uitgeverij Historische Verhalen 2017
https://www.hebban.nl/boeken/historische-verhalen-27-korte-geschiedenisverhalen-nienke-pool
5. Historische verhalen – jaarbundel 2 2017 – Uitgeverij Historische Verhalen 2018
https://www.hebban.nl/boeken/historische-verhalen
6. Anno Domini 892 – Godijn Publishing 2017
https://www.hebban.nl/boeken/anno-domini-892
7. Odi et Amo – Godijn Publishing 2018
https://conniesboekenblog.nl/2018/10/13/boekpresentatie-odi-et-amo/
8. Achterblijvers – Godijn Publishing 2018
https://www.hebban.nl/boeken/achterblijvers
9. Traisha en het Ei – Uitgeverij EigenZinnig 2014
https://www.hebban.nl/recensies/tanja-krone-over-traisha-en-het-ei
10. Ganymedes 17 – Stichting Fantastische Vertellingen 2017
https://www.hebban.nl/recensies/johan-klein-haneveld-over-ganymedes-17

In de drie bundels van ‘Historische verhalen’ (nummer 3. 4 en 5) staan vier van mijn korte historische verhalen. ‘Historische verhalen uit de Gouden Eeuw’ was ook een schrijfwedstrijd, waarbij ik met het verhaal ‘Chan-mi’ met een tweede plaats in de prijzen viel.

Nummer 6 en 7 zijn ook wedstrijdbundels, in dit geval met enkel verhalen die in de middeleeuwen spelen. In 2017 deed ik met twee verhalen mee. Die haalden allebei de bundel ‘Anno Domini 892’. Met het verhaal ‘Umars opdracht’ won ik die editie van de wedstrijd. Daarom mocht ik voor de editie van 2018 een bonusverhaal schrijven. Dat is ‘De muren van Zhongdu’ geworden, het enige verhaal in de bundel dat niet in Europa speelt, maar in het Mongolië en China ten tijde van Djengis Khan.

Nummer 8, 9 en 10 zijn echte titels voor de fantasyliefhebbers. De oudste van de drie is de verhalenbundel Traisha en het Ei, meteen mijn enige zelfstandige publicatie voor volwassenen tot aan mijn tweeluik van dit jaar. In die bundel heb ik mijn beste verhalen uit mijn fantasyperiode verzameld. Helemaal waar is dat niet, want al schrijf ik nu vooral historisch, het fantastische genre vind ik te leuk om het helemaal te laten liggen. Een of twee keer per jaar schrijf ik daarom nog een verhaal voor een fantasywedstrijd die me de moeite waard lijkt. De wedstrijd ‘Achterblijvers’ won ik dit jaar zelfs met een door de Griekse mythologie geïnspireerd verhaal over een verdwaalde naiade. Tot slot had ik vorig jaar een primeur met mijn eerste verhaal in Ganymedes, het al vanaf de jaren ’70 uitgegeven jaarboek voor Nederlandse verhalen in het fantastische genre.

Leesfragment ‘Alya’s keuze’ – Hoofdstuk 1

Mijn uitgever plaatst (meestal) ergens in de maand voor het uitkomen van een nieuw boek de eerste hoofdstukken online, onder andere op de bekende webshops. Bij ‘Alya’, deel een van mijn tweeluik, waren dat hoofdstuk een en twee, in totaal zo’n twintig boekpagina’s.             

Vooruitlopend daarop begin ik op mijn website met een wat bescheidener fragment van ‘Alya’s keuze’, namelijk met hoofdstuk 1, wat ongeveer acht boekpagina’s beslaat. Het lijkt mij ruim voldoende om al iets van de sfeer te proeven, die toch net iets anders is dan in deel een, omdat Alya in het slotdeel niet als een slavin, maar als een vrije vrouw door het leven gaat. Die vrijheid is overigens betrekkelijk, maar meer dan dat verraad ik natuurlijk niet…

 

PS: Wie eerst deel een wil lezen, kan onderstaand fragment beter nog even overslaan!

 

 

 1

 

In mijn hoofd is enkel nog plaats voor pijn. Het licht dat me omhult, is zo fel dat ik mijn ogen stijf dichtknijp. Dit moet een boze droom zijn. Als ik wakker word, ben ik thuis in Qurtuba en lig in mijn eigen bed. Straks komt Oncha om me te wassen, te kammen en te helpen met aankleden. Daarna ga ik samen met vader ontbijten.
Vlak onder me klotst water. Dat hoort natuurlijk ook bij die droom. Toch lijken mijn voeten nu echt nat te worden. Moeizaam open ik mijn ogen. Tegen de strakblauwe hemel boven me zweven twee grote meeuwen voorbij. Maar er zijn helemaal geen meeuwen in Qurtuba. Alleen in de haven van Qadis heb ik die als kind ooit gezien.
Een doordringende geur van bloed en zweet vult mijn neusgaten en beneemt me bijna de adem. Moeizaam draai ik mijn hoofd een stukje en kijk omhoog. Een lange, rossige baard vult mijn blikveld.
‘Hoe krijgt Hamar dat toch voor elkaar,’ klinkt een stem heel dichtbij. ‘Zelfs als hij bijna afgemaakt wordt, lukt het hem om de mooiste meisjes aan de haak te slaan. Ze komen op hem af als vliegen op de stront. Deze hier was niet bij hem weg te slaan.’
‘Dat laatste was anders precies wat je deed,’ klinkt een tweede stem. ‘Ze had geluk dat Hamar nog bij kennis was.’
‘Zij misschien wel,’ moppert de roodharige krijger, ‘maar ik niet. Ik mag haar nu meesjouwen naar het schip.’
Die woorden helpen me terug te keren in de echte wereld. Alsof ergens in mijn geest een luikje wordt geopend, komen een voor een de beelden van het Friese strand weer naar boven. Hoe ik Hamar vond en erin slaagde om hem te verbinden, hoe de twee wolfshonden zich op Rimbert stortten en hem de strot doorbeten, en ja, vooral het moment waarop ik me realiseerde dat er geen weg terug meer was naar mijn leven bij Alfgarde en dat ik haar waarschijnlijk nooit meer zou zien. Waar kwam toch die plotselinge drang vandaan om tegen elke prijs het leven van die Vikingjongen te redden?
Opnieuw word ik me bewust van de kloppende pijn in mijn achterhoofd, het bewijs dat die tweede krijger de waarheid sprak. Als dank voor mijn hulp sloeg die roodharige bruut me neer toen hij me naast Hamar aantrof.
Hoe zou het nu met Hamar zijn? Heeft hij misschien te veel bloed verloren om te overleven? Er komt een nogal zelfzuchtige gedachte bij me op. Wat zijn Hamars woorden nog waard als hij dood is?
‘Leeft Hamar nog?’ vraag ik. Waarom zou ik verzwijgen dat ik hun taal spreek?
Ook al zijn we bijna bij de drakar, toch staat de man die me draagt na mijn woorden meteen stil. Voor het eerst kijkt hij me aan. Zo kan ik eindelijk zijn hele gezicht zien. Dat straalt een en al verbazing uit.
‘Hamar overleeft het wel,’ antwoordt de roodharige man, ‘een krijger uit Vestfold moet je minstens twee keer doden voordat hij sterft.’
Hij richt zich tot iemand naast hem. ‘Hoe is het mogelijk?’ zegt hij. ‘Er zijn genoeg Friezen die naar Kaupang reizen om er handel te drijven en de meesten van hen spreken ook onze taal, maar als dit meisje een Friezin is, ben ik een paard.’
Ik probeer mijn hoofd wat verder opzij te draaien om te zien waar Hamar is. Een nieuwe pijnscheut flitst door mijn hoofd. Voor mijn ogen dansen bonte vlekken die langzaam overgaan in een diep zwart. Opnieuw sluit ik mijn ogen.
Dan zijn er handen die mijn armen vastpakken en me omhoog sleuren. Mijn blote benen schuren pijnlijk langs een hard, ruw oppervlak. Overal om me heen hoor ik stemmen, maar ik wil er niet naar luisteren, laat staan erop reageren. Ik wil alleen maar dat die handen me snel weer loslaten. Als ze me gewoon ergens neerleggen en me verder met rust laten, dan wordt die vreselijke hoofdpijn misschien wat minder.
Even later gebeurt dat waarop ik hoop. Ik voel een harde bodem onder mijn rug, laat alle gedachten los en glijd opnieuw weg in vergetelheid.

Als ik voor de tweede keer ontwaak, is de ergste pijn verdwenen. Enkel een zwaar, bonkend gevoel ergens achter in mijn hoofd herinnert er nog aan. Ik neem me voor om me voorlopig zo min mogelijk te bewegen. Liever gebruik ik alle energie om mijn gedachten te ordenen en mijn zintuigen weer normaal te gebruiken. Om de paar tellen is er onder in mijn maag een vreemd, wee gevoel. Dan lijkt het heel even of ik zweef.
Ik wil weten wat die rare gewaarwording veroorzaakt en open mijn ogen. De boeg van de drakar rijst en daalt in een vast ritme op en neer, waardoor ik de ene keer de hemel zie en de andere keer een donkergroen stuk water vol schuimkoppen. Dan moeten we dus op volle zee zijn. Daar was ik al een keer eerder, op het slavenschip dat me samen met Yanti uit Barcelona naar het land van de Franken voerde. Maar dat was heel anders, toen was de zee rustig en leken we bijna over het water te glijden.
Stemmen hoor ik nog maar af en toe, en niet langer op luide toon. De boorden links en rechts zijn heel dichtbij. Blijkbaar lig ik vlak bij de voor- of achtersteven. Boven me is de hemel niet langer blauw, maar loodgrijs. Waarschijnlijk varen we dus al een hele tijd, want een heldere hemel betrekt niet van het ene moment op het andere. Zou ik een hele dag geslapen hebben? Dat zou best kunnen, want ik heb vreselijke dorst. Ik laat mijn tong over mijn lippen glijden. Die voelen ruw en kurkdroog aan.
Naast me kreunt iemand. Meteen staan al mijn zintuigen op scherp. Als dat geluid van Hamar komt, leeft hij in elk geval nog. Deze keer draai ik heel langzaam en voorzichtig mijn hoofd. Het gaat al een stuk beter dan bij mijn vorige poging.
Het is inderdaad Hamar die naast me ligt. Hij ziet bleek, maar is wel bij kennis. Zijn ogen zijn open en hij kijkt naar de hemel. Blijkbaar heeft hij mijn blik niet opgemerkt.
‘Hamar…’ Ik schrik van mijn rasperige stem. Zelfs dat ene woord bezorgt me al een hoestbui.
Hamar draait nu ook zijn hoofd, zodat we elkaar in de ogen kunnen kijken. Hij zwijgt en kijkt me een tijd onderzoekend aan. Zou hij nog wel weten wie ik ben?
‘Alaja,’ zegt hij ten slotte.
‘Alya, ik heet Alya,’ reageer ik meteen. Ik ben bang dat hij het nooit meer goed uitspreekt als ik hem niet meteen corrigeer. Naast Yanti’s kraal en de restanten van mijn kleding is die naam het enige dat ik nog bezit.
‘Alya, waar komt dat bloed vandaan?’
Bloed? Waar heeft Hamar het over? Bedoelt hij zijn eigen verwondingen? Maar hij kijkt wel degelijk naar mij. Als ik voorzichtig aan mijn wang voel, weet ik waarom. Mijn huid is daar ruw en korrelig. Ik bekijk mijn vingertoppen. Die zijn roodbruin van het geronnen bloed.
‘Ik geloof dat iemand me sloeg toen ze ons vonden,’ antwoord ik.
‘Dat kan alleen maar Knut geweest zijn. Die gebruikt eerst zijn vuisten en denkt dan pas na. Zo gauw ik weer op mijn benen kan staan, zet ik het hem betaald.’
‘Dat hoeft niet,’ antwoord ik. ‘Knut heeft me daarna naar het schip gedragen.’
Hamar lacht zwakjes om mijn woorden. ‘Dat deed hij anders bepaald niet vrijwillig.’
Nu ben ik er bijna zeker van dat hij zijn verwonding gaat overleven. Wie de dood in de ogen kijkt, praat niet zoals Hamar doet.
Iemand loopt naar ons toe. Het is Knut, de roodharige krijger die mij in opdracht van Hamar tegen zijn zin naar het schip droeg. Zou hij ons gehoord hebben? In dat geval heeft hij een onwaarschijnlijk scherp gehoor.
‘Ik sloeg haar alleen maar om te voorkomen dat ze ervandoor ging,’ zegt hij. ‘Ze leek me de moeite waard om mee naar Vestfold te nemen. Je waarschuwde me net iets te laat, Hamar.’
Ik krijg niet bepaald de indruk dat Knut veel spijt heeft van zijn rake klap. Dat hij er zich desondanks voor verontschuldigt, bewijst dat Hamar ondanks zijn jeugdige leeftijd de positie heeft om hem te straffen. Ik vermoed dat Hamar de zoon van een belangrijke aanvoerder is.
Hamar kijkt Knut aan en grijnst zowaar even. ‘Leuke poging,’ zegt hij, ‘maar zo makkelijk klets je jezelf er niet uit. Voor straf mag je de rest van de reis voor ons eten en drinken zorgen.’
Meteen na die woorden sluit hij zijn ogen en laat zijn hoofd weer op het dek zakken. Niet alleen bloed, maar ook het meeste van Hamars kracht lijkt op dat Friese strand te zijn weggevloeid.
Knut kijkt me nu nog nieuwsgieriger aan. Hij zal het wel vreemd vinden dat Hamar zich druk maakt om een meisje dat in zijn ogen enkel krijgsbuit is. Hij loopt naar het midden van de drakar, waar de meeste krijgers rustig zitten te praten. Het schip wordt niet langer geroeid. De wind zal inmiddels uit de juiste richting komen.
Al snel is hij terug met een kruik, twee houten kommen en een paar donkere plakken die ik niet meteen thuis kan brengen. Eerst gaat hij naar Hamar. Daarna zet hij een kom water naast mij neer en reikt me een van die plakken aan. Het blijkt een stuk gedroogde vis te zijn. Dat leg ik voorlopig in mijn schoot. Voorzichtig pak ik de kom en zet die aan mijn lippen. Al heb ik nog zo’n dorst, ik drink langzaam en met kleine slokjes om te voorkomen dat mijn maag het niet verdraagt en ik alles weer uitspuug. Wanneer mijn ergste dorst is gelest, pak ik de vis en knabbel er voorzichtig aan. Het smaakt erg zout, maar ik verwacht niet dat ik de rest van de reis iets beters zal krijgen. Ondanks mijn weerzin eet ik alles achter elkaar op. Gelukkig heb ik wat water bewaard, zodat ik het zout uit mijn mond kan spoelen.

De schemering valt en het wordt snel kouder, zeker als in de loop van de middag de wind aantrekt. De meeste mannen hebben een mantel omgeslagen. Een paar van hen staat op en wijst naar ons. Even later komt Knut aanlopen met een grote deken.
‘Ik heb iets gevonden wat groot genoeg is voor jullie beiden,’ zegt hij met een brede grijns. In een vloeiende beweging drapeert hij de deken over ons heen. ‘Kruip maar lekker tegen hem aan, meisje. Dan kun je er vast aan wennen dat het jouw taak wordt om hem ’s nachts warm te houden.’
Ik reageer niet. Tijdens mijn tocht met Einirs drakar over de Rijn heb ik genoeg gehoord om niet langer van dat soort ruige praat te schrikken.
Pas als de deken tot aan mijn kin over me heen ligt, merk ik hoe verkleumd en stijf ik ben, zeker nu mijn benen nog steeds bloot zijn, omdat ik Hamar met de stof van mijn broekspijpen heb verbonden. Ik klappertand en sla de armen om mijn lichaam. De planken onder mijn rug lijken wel een klomp ijs. Het zou al een beetje helpen als ik een stuk van die deken onder mijn rug kon krijgen. Ik probeer het, maar daarvoor is de deken niet groot genoeg. Ik zou hem van Hamars lichaam trekken.
Dan rest me dus maar één ding. Gewoon doen wat Knut voorstelde… Nu lig ik nog een eind van Hamar af. Als ik me tegen hem aan nestel, profiteer ik van zijn warmte. Dat idee gaat zo in tegen alles wat ik was en wat ik nog altijd denk te zijn, dat het me heel even de adem beneemt. Bewegingloos staar ik naar de donkere hemel. Vergeefs… al pijnig ik mijn hersenen nog zo, het levert geen enkele bruikbare gedachte op.
Mijn lichaam besluit zomaar ineens om het van mijn geest over te nemen. Ik draai me op mijn zij en werk me langzaam naar Hamar toe. Hij ligt op zijn rug en ademt zwaar, maar regelmatig. Aan welke arm had hij die wond ook weer? Als ik mijn ogen sluit en me inspan om het beeld terug te halen van die bloedende jongen in het duinzand, weet ik het weer. Het is zijn rechterarm. De snee begon bij zijn schouder en eindigde vlak boven zijn elleboog. Op zijn zij liggen, zeker op zijn rechterzij, mag hij nu niet. Ik hoop maar dat hij zich in zijn slaap niet onbewust naar die kant draait.
Hamar beweegt eventjes. Ik ben nu zo dichtbij dat zijn linkerhand langs mijn buik strijkt. Het is maar heel licht en toch veroorzaakt het een tinteling die door mijn hele lijf trekt. Mijn verstand schreeuwt me toe dat dit niet kan, niet mag en dat ik snel weer weg behoor te schuiven. Als ik door een man overweldigd word, kan ik daar weinig tegen beginnen, maar Allah verbiedt het zijn dochters streng om zich vrijwillig over te geven aan iemand die niet in de boodschap van zijn profeet gelooft, in dit geval niet eens een jood of een christen, maar iemand die vreemde, duivelse goden aanbidt. Het eeuwige hellevuur wacht me als ik toegeef aan wat mijn lichaam zo overduidelijk wil: zich stevig tegen de heiden naast me aan vlijen.
Hamar trekt zijn hand terug. Ik zou opgelucht moeten zijn en Allah danken voor zijn onverwachte hulp. Maar zo gaat het helemaal niet. Er is enkel en alleen een allesoverheersende teleurstelling.
Dan is Hamars hand er opnieuw en blijft op mijn bovenbeen rusten. Ik draai me onmiddellijk op mijn rechterzij en sla mijn linkerarm over Hamars borst. Ik zet al mijn aarzelingen opzij, kruip tegen hem aan en werk met mijn andere hand het stuk deken dat daardoor vrijkomt onder mijn lichaam.
Net als dat van Knut ruikt Hamars lichaam naar bloed en zweet, maar het is bovenal heerlijk warm. Met een zucht laat ik mijn hoofd op zijn ongeschonden schouder zakken. Het ritme van zijn ademhaling is rustgevend. Ik dein erop mee…