Naar het Walhalla, een novelle, Achterblijvers en hoe het Alya vergaat

Het is intussen weer hoog tijd voor een update van mijn website, want de meimaand werd voor mij de meest memorabele schrijfmaand ooit, kan ik zonder overdrijving stellen. Het begon met een onverwacht, maar bijzonder leuk bericht van Averbode, mijn Belgische uitgever van de Vlaamse Filmpjes, een al bijna 90 jaar bestaande serie jeugdboekjes voor 10-13 jaar, waarop Vlaamse kinderen zich via hun school kunnen abonneren.
Ik wist al eerder dat ik met mijn Vikingverhaal ‘Naar het Walhalla’ bij de finalisten van de Averbodeprijs 2017 zat en dat mijn verhaal in februari 2019 uit gaat komen, opnieuw met illustraties van Luc Vincent, die ook de prachtige zwartwittekeningen maakte voor ‘IJstijd’, mijn eerste Vlaams Filmpje uit 2010. Maar nu werd het nog veel mooier… Bij de Franse tegenhanger van de Vlaamse Filmpjes, de Récits Express, hadden ze voor het komende schooljaar nog een historisch verhaal nodig. Daarvoor ging de Franstalige redactie te rade bij hun Vlaamse collega’s en zo kwamen ze uit bij mijn Vikingverhaal, dat in de loop van dit jaar dus vertaald wordt in het Frans. Het komt uit in november, dus vóór de Vlaamse versie met als Franse titel ‘En route pour le Valhalla’. Daarom moet de illustrator dus een viertal maanden eerder dan oorspronkelijk gepland aan de slag…
Zie de link naar het jaarprogramma 2018-2029 van de Récits Express: http://www.averbode.be/Pub/recits-express/La-collection/2018-2019.html

Voor 2019 zit er voor mij nóg een nieuwigheid in het vat. Ik schreef en publiceerde al verhalen in de meest uiteenlopende lengtes, van ministukjes van exact 55 woorden tot en met mijn historisch tweeluik (‘Alya’ en het in september uitkomende ‘Alya’s keuze’) dat in totaal zo’n 150.000 woorden gaat tellen. Daar gaat in 2019 een eerste historische novelle bijkomen. Een sluitende definitie daarvan bestaat niet, maar meestal wordt een novelle omschreven als het midden houdend tussen een kort verhaal en een echte roman met een lengte van ongeveer 20.000 tot 30.000 woorden. Natuurlijk ligt die grens niet vast. Het duidelijkst is nog om te zeggen dat een novelle te lang is om het een kort verhaal te noemen en te kort om een roman te mogen heten. Waar ik dat aan te danken heb? Daarvoor moet ik iets over de voorgeschiedenis vertellen. Een andere uitgeverij waar ik in de afgelopen jaren vier korte historische verhalen in drie bundels publiceerde is Historische Verhalen. Die uitgeverij startte als digitaal uitgeefplatform, waarop elke twee weken een kort historisch verhaal werd gepubliceerd. Al snel besloten ze om de verhalen van elk kalenderjaar te gaan bundelen en daarnaast met regelmaat historische themabundels uit te gaan geven. Tot nu toe waren dat bundels over de oudheid, over de Gouden Eeuw en de middeleeuwen. Die laatste komt in juni uit.
Aan mijn resultaten in een deel van die bundels, met name mijn tweede plaats bij de Gouden-Eeuw-wedstrijd met het verhaal ‘Chan-mi’, dat in het 17e-eeuwse Korea speelt, heb ik de uitnodiging te danken om een novelle te schrijven die in de tijd van het kolonialisme speelt met als thema de botsing tussen verschillende culturen. Daar heb ik gelijk ja op gezegd, want het is een onderwerp dat mij op het lijf geschreven is. Het is de bedoeling dat drie auteurs elk een novelle van 15.000 tot 20.000 woorden, spelend in verschillende werelddelen, gaan schrijven, zodat die als een ‘novellenbundel’ uitgegeven kunnen worden.
Link naar de webwinkel van uitgeverij Historische Verhalen:
https://www.historischeverhalen.nl/winkel/

Dan is er ook nog eens nieuws van het fantasyfront. Al schrijf ik de laatste jaren vooral historische verhalen in allerlei lengtes, mijn tweede lievelingsgenre is en blijft fantasy. Daarom heb ik me voorgenomen om als het even kan minimaal een keer per kalenderjaar naast het historische werk ook iets in fantasysferen gepubliceerd te krijgen. Vorig jaar lukte me dat via mijn eerste verhalen in Ganymedes en het tijdschrift Fantastische Vertellingen. Dit jaar deed ik mee aan de wedstrijd ‘Achterblijvers’ van Godijn Publishing. En… vorige week bleek dat ik met ‘Naya’, een door de Griekse mythologie geïnspireerd verhaal over een verdwaalde naiade niet alleen de wedstrijdbundel haalde, maar zelfs de eerste plaats uit het vuur sleepte. Een leuke opsteker en zeker ook nuttig als een stukje promotie voor een schrijver als ik die maar moeilijk kan kiezen tussen het historische en fantastische genre. Gelukkig hoeft dat kiezen niet altijd en kan het soms ook en…en.. zijn…
Hier de link naar een van de eerste recensies:
https://ikhouvanhorrorfantasyenspanning.wordpress.com/2018/05/28/achterblijvers/

En ja, waar ik de hele maand mei natuurlijk allereerst naar uitkeek was de vuurdoop van Alya op donderdag 31 mei bij boekhandel Dekker van de Vegt in Nijmegen. De presentatie van je debuutroman is sowieso iets bijzonders en al helemaal als je dat als ‘pensionado’ nog mee mag maken. Het is gezien de stroom aan romans die elke week opnieuw uitkomen ook bepaald niet vanzelfsprekend dat je bij een grote boekhandel een plekje krijgt tussen een rij bekende namen. Ik heb de avond van 31 mei verteld over hoe ik tot lezen en later tot schrijven kwam en natuurlijk ook over het idee voor en de achtergrond van Alya’s verhaal. Uitweiden daarover doe ik niet. Ik laat het bij een paar foto’s en de volgende link naar Facebook:
https://www.facebook.com/hayvandenmunckhof?hc_ref=ARRUonNk_re8waqQNRRDF7cdAq3edyOX1Jc1YzmQgd7gAYoGCOzqxWULDjfntlkLAk0&fref=nf

 

Interview Qreative minds – 2 mei 2018

Even bijkomen…

 

Dinsdag 24 april is een dag die ik niet snel zal vergeten. De eerste exemplaren van ‘Alya’ had ik al wat daagjes in huis en de boekpresentatie is pas voor eind mei gepland, om precies te zijn op donderdag 31 mei van 19.00 tot 21.00 uur bij Dekker vd Vegt in Nijmegen. Zie daarvoor het evenement op mijn Facebook-pagina.
Ik dacht in al mijn onschuld dat de dag waarop ‘Alya’ (de papieren versie) uit ging komen redelijk rustig voorbij zou hobbelen. Niets bleek echter minder waar…  Ik had buiten al mijn schrijfvrienden(vriendinnen) gerekend, die deze dag op allerlei sites en in verschillende Facebook-groepen massaal aangrepen om recensies te plaatsen, een eerste winactie te houden, een interview aan te kondigen en al mijn berichten op de sociale media te delen. Dan heb ik het nog niet over alle felicitaties, vragen en opmerkingen die ik zo goed en zo kwaad mogelijk bij probeerde te houden.
Daarnaast arriveerde vanmiddag via het Centraal Boekhuis ook nog eens een eerste doos met twintig auteursexemplaren en zorgde de plaatselijke Panningse boekhandel gelijk voor een prominent plekje voor mijn eerste stapeltje van vijf Alya’s tussen de nieuw uitgekomen boeken.
Tot ’s avonds laat was ik in de weer om op alles te reageren, zodat er van iets nieuws schrijven (wat ik wel heel serieus gepland had) niets terecht kwam.

In de loop van deze of volgende week zorg ik voor een wat uitgebreider verslag van hoe het Alya op die eerste levensdagen verging en vergaat. Nu moet ik eerst even naar adem happen en bijkomen… 😉

‘Alya’ is er als ebook

Dat ebooks de strijd met het ‘echte’ papieren boek aan het verliezen zijn, had een paar jaar geleden niemand verwacht. Toen luidden de voorspellingen andersom. In dit digitale tijdperk zou een gewoon boek al snel net zo ouderwets worden als een cassettebandje of grammofoonplaat. Maar niets daarvan is gebeurd. Integendeel, steeds meer muziek wordt weer op vinyl uitgebracht en zelfs die rare cassettebandjes worden nog altijd verkocht. Laatst heb ik er zelf nog wat bijbesteld. ;-)
Het is dan ook niet meer dan logisch dat uitgeverijen bij het uitkomen van een boek nog altijd uit blijven gaan van de papieren versie. In het geval van ‘Alya’ is dat op 24 april, nu over twee weken dus.
Maar… het ebook van ‘Alya’is op alle bekende webshops vanaf vandaag (10 april dus) al verkrijgbaar. Dat wilde ik even melden voor de groep lezers die zweren bij hun ereader, tablet of soms zelfs smartphone om een boek te lezen.

Na morgen ben ik net zo benieuwd naar reacties van gewone lezers als naar de eerste recensies. Voor die laatste heb ik al een aantal toezeggingen, zowel op Hebban (waar ‘Alya’ bovendien een leesclubtitel wordt) als op een aantal veelgelezen boekenblogs.
Hoe je die recensies/reacties moet interpreteren is een heel andere vraag, zeker als de waardering wordt uitgedrukt in een tot vijf sterren. Dat lijkt een heel duidelijk systeem, maar in de praktijk ligt dat toch anders. Als je eerste roman in een van de grote kranten drie sterren krijgt, kun je dat rustig als een mooie opsteker beschouwen. Maar krijg je die drie sterren als de gemiddelde reactie van alle lezers, bijvoorbeeld op Hebban, dan is je reactie als schrijver toch meer iets van mwah… Ik vind het dan ook altijd fijn als mensen eerlijk en helder beschrijven wat ze goed of juist minder goed vinden aan een boek. Dat zegt mij meer dan al die sterren bij elkaar…

Alya – leesfragment hoofdstuk een en twee

Nu 24 april nadert, de dag waarop ‘Alya’ uitkomt (het ebook op 10 april, dus binnen een week…), wordt het hoog tijd om met groter regelmaat mijn website te updaten. Bij deze dus…
Vandaag houd ik het heel concreet. Wie echt nieuwsgierig is naar het boek, wil graag het begin lezen om er achter te komen of de inhoud overeenkomt met wat hij of zij van het boek verwacht. In een boekwinkel zal ik zelf ook nooit een roman kopen zonder minimaal de achterflap plus de eerste pagina gelezen te hebben.

Via de PDF (meteen onder de afbeelding van de boekomslag) kan hoofdstuk 1 en 2 gelezen worden.

Alya – PDF hfdst 1-2

Natuurlijk ben ik in dit stadium heel benieuwd naar de eerste reacties. Op Hebban  wordt ‘Alya’ al een paar keer genoemd bij de boekentips van april en mei. De link is te vinden op mijn facebookpagina. Dat maakt het voor mij al een stuk echter. Nu is het wachten op de eerste recensies. Als de bereidheid om het boek te recenseren een graadmeter is, kan ik die redelijk optimistisch afwachten. Van alle recensieverzoeken volgde er tot nu toe slechts één nee, van een boekenblogster die mij heel eerlijk mailde dat ze niets met historische boeken heeft…

Natuurlijk volgt er eind april of begin mei ook een boekpresentatie. Zo gauw locatie, dag en tijd definitief zijn, laat ik het hier en elders weten, ik hoop deze week nog. Op Facebook maak ik er dan ook een evenement van.

Hoe historisch is een historische roman?

Nu 24 april nadert, de dag waarop ‘Alya’, mijn eerste historische roman, door uitgeverij Mozaïek ‘in het diepe wordt gegooid’, denk ik meer dan voorheen na over die vraag hierboven.
Waarom nu pas? Ik denk dat het antwoord simpel is. Je kunt maar één ding tegelijk goed doen. Als je een verhaalidee hebt uitgewerkt tot een plot waarin je gelooft en vervolgens aan het eigenlijke schrijfwerk begint, is er simpelweg geen ruimte over in je hoofd voor dat soort bespiegelende vragen. Dan word je helemaal in beslag genomen door het schrijfproces. Hoe werk ik mijn plot uit? Hoe lang gaat het worden? Loopt mijn verhaal en lopen mijn zinnen? Heb ik extra personages nodig? Klopt de verhaallijn? Ga zo nog maar even door…
Is het verhaal klaar en wordt het (vaak niet, maar in bij ‘Alya’ gelukkig wel) door een uitgever geadopteerd, dan begint na de afronding van de ruwe versie de redactiefase. Is die achter de rug, dan komt de corrector in beeld voor de laatste kleine ‘dingetjes’. Vormgever en zetter hebben intussen ook hun aandeel geleverd. Het gaat namelijk niet om de tekst alleen. Er moet een cover en een achterflap komen, een foto, en o ja, ook nog een kaart, een inleidend citaat, een lijst van personages, een nawoord en een pagina met de boeken die je raadpleegde. Pas als dat allemaal achter de rug is, kun je even uitblazen en vind je de rust om weer eens te reflecteren op wat je geproduceerd hebt.
Om op die beginvraag terug te komen, ik noem ‘Alya’ zelf een historische roman en onder die noemer geeft Mozaïek het ook uit. Maar wat betekent dat precies? Wat moet je onder een historische roman verstaan? Ik ging daar om te beginnen eens naar googelen en vond op Hebban een uitstekend stuk uit november 2015, waarin uitgebreid en met vele voorbeelden uit de doeken wordt gedaan wat een historische roman inhoudt en welke subgenres je kunt onderscheiden:

Zie: https://www.hebban.nl/artikelen/historische-roman-uit-de-schaduw

In dat Hebban-artikel wordt onder andere het volgende geciteerd:
         “Volgens de Historical Novel Society (een genootschap dat zich richt op de promotie van historische romans) moet een roman, om in aanmerking te komen voor een plaatsje in het genre, in ieder geval vijftig jaar na de beschreven gebeurtenissen geschreven zijn, of geschreven zijn door iemand die de gebeurtenissen zelf niet heeft meegemaakt omdat hij nog niet geboren was (en daaruit voortvloeiend dus onderzoek naar de tijdsperiode moet hebben gedaan). Duidelijk is wel dat de romans moeten voldoen aan één eis: ze vertellen een meeslepend verhaal dat tegelijkertijd een goedgeïnformeerd beeld geeft van het verleden. Om de lezer te overtuigen moet de auteur de gekozen tijdsperiode zo waarheidsgetrouw weergeven, zonder anachronismen. Bovendien moeten het fictieve verhaal en de historische setting met elkaar in balans zijn.”

Het is bepaald geen onzin wat hier verteld wordt, maar één ding mis ik, namelijk dat de intenties van auteurs heel erg verschillend kunnen zijn. Aan de ene kant heb je de schrijvers die zich als eerste doel stellen om de historische werkelijkheid zo dicht mogelijk te benaderen, aan de andere kant zij die vooral een verhaal willen vertellen en het verleden daarbij inzetten als een geschikt decor, een decor dat eventueel te vervangen zou zijn door een meer hedendaagse setting. Zo eenvoudig is het natuurlijk nooit. Er zijn zeker ook auteurs die beide benaderingen proberen te combineren en dan heb je ook nog de randgevallen. Mag je bijvoorbeeld Thea Beckmans ‘Kruistocht in spijkerbroek’ of de Reiziger-serie van Diana Gabaldon wel historische romans noemen? Een lastige vraag, omdat het hier duidelijk om een mengvorm van fantasy en historie gaat. Wie van een historische roman vooral eist dat die een zo geloofwaardig en accuraat mogelijk beeld van het verleden schetst, zal die vraag waarschijnlijk ontkennend beantwoorden.

Intussen zullen mensen die dit lezen zich wel afvragen waar ik zelf sta met mijn eerste historische roman. Daar hoef ik niet lang over te twijfelen. Ik zie mezelf in de eerste plaats als een verhalenverteller en niet als iemand die alles op alles zet om de historische werkelijkheid zo dicht mogelijk te benaderen. Waarom? Ik denk dat zo’n streven een illusie is, zeker als het gaat om een lang vervlogen tijd waar we weinig accurate en betrouwbare bronnen over hebben. Hoe je ook je best doet, het beeld dat je zelf in je hoofd vormt en dat je bij de lezer op probeert te roepen blijft altijd een onvolkomen interpretatie, een invulling die je geeft aan iets dat je nooit, zelfs niet bij benadering, terug kunt halen zoals het werkelijk was.
Jazeker, we hebben dankzij de archeologie en vele andere nieuwe onderzoeksmethodes een redelijk compleet beeld van hoe mensen in de negende eeuw (want in die tijd speelt ‘Alya’) leefden; wat ze aten, hoe ze zich kleedden, hoe ze woonden of welke werktuigen ze gebruikten. Maar iets heel belangrijks missen we, namelijk hoe de mensen dachten, met name de gewone bevolking. De geschreven bronnen zeggen daar weinig tot niets over, want schrijven en lezen was voorbehouden aan de elite en vertelde dus vrijwel uitsluitend het verhaal van en over die elite.
Om het samen te vatten, in ‘Alya’ heb ik wel degelijk mijn best gedaan om wat bekend is over het leven in de negende eeuw in mijn verhaal te verwerken, maar als mij gevraagd wordt welk percentage historie en welk percentage fictie is, moet ik heel eerlijk antwoorden dat ik het niet precies weet, maar dat ik inschat dat minimaal 95% pure fictie is. Is ‘Alya’ om die reden dan geen historische roman? Misschien niet, maar als het antwoord ontkennend is, geldt dat denk ik voor het leeuwendeel van de romans in het historische genre. Het probleem is namelijk voor iedere auteur hetzelfde. Hoe knap je ook schrijft, hoe fanatiek je ook de bronnen bestudeerd hebt, je verhaal blijft altijd een gekleurde, fragmentarische en subjectieve poging om weer te geven hoe het ooit geweest zou kunnen zijn. Daarom neem ik het ‘historische’ in welke historische roman dan ook met een fikse korrel zout en lees het allereerst als elke andere roman.

Wanneer ben je een debutant?

 

‘Alya’, mijn eerste boek bij uitgeverij Mozaïek, wordt in de voorjaarsaanbieding mijn debuutroman genoemd. Dat klopt natuurlijk helemaal, want bij het woord roman denk je al gauw aan een omvang van enkele honderden pagina’s en ‘Alya’ gaat er 304 tellen. Inclusief deel twee (dat komt onder de titel ‘Alya’s keuze’ komende zomer uit) worden het zelfs zo’n 600 pagina’s… En ja, dit wordt inderdaad mijn allereerste verhaal van een dergelijke omvang. Sterker, tot op heden telde geen van mijn verhalen meer dan zo’n 12.000 woorden, wat op veertig à vijftig boekpagina’s neerkomt.
Lastiger is de vraag of ik op 24 april, (dan komt ‘Alya’ uit) dan ook een debutant genoemd moet worden. Als ik de literaire pagina’s van kranten of tijdschriften lees, ben ik geneigd om die vraag met een duidelijk ja te beantwoorden. Waar het over proza gaat, in het bijzonder over fictie, wordt er daar stilzwijgend van uitgegaan dat een debutant iemand is die zijn of haar eerste roman uitbrengt bij een min of meer gerenommeerde uitgeverij.
Maar ervaar je dat als schrijver ook zo? Als ik uitga van mijn eigen ervaringen, dan roep ik meteen nee en ik denk dat ik daar niet de enige in ben. Zet je namelijk je eerste voorzichtige schreden op het schrijverspad, dan is alles wat voor je ligt een avontuur met een ongewisse afloop. Natuurlijk, je hebt van die spreekwoordelijke uitzonderingen die vanuit het niets meteen een meesterwerk schrijven, maar in dit stukje heb ik het nu even over normale stervelingen die het schrijven met vallen en opstaan moeten leren. Pak je dat verstandig aan, dan begin je met een bescheiden en haalbare doelstelling. Haal je die, dan voelt dat als een mijlpaal en wel degelijk ook als een debuut. Misschien is het voor medeschrijvers en natuurlijk ook geïnteresseerde lezers leuk om te volgen hoe vaak, wanneer en hoe ik bij een publicatie het gevoel had een debutant te zijn:

 

  1. Bij mijn eerste verhaal dat werd gepubliceerd (2004)

Pas ergens rond de eeuwwisseling ging ik er serieus over denken om na zo’n vier decennia als veellezer ook zelf ‘iets’ te gaan schrijven. Maar eerst wilde ik er achter komen of ik wel in staat was om mijn verhaalideeën in een vorm te gieten die anderen kon verleiden om het te lezen, niet omdat ze mij zo aardig vonden, maar omdat ze echt geboeid raakten. Daarom schreef ik mij in 2002 in voor de LOI-cursus Creatief Schrijven, die naar mijn weten nog altijd bestaat en ook nu nog een aanrader is. Vier keer per jaar (zie afbeelding) verscheen een krantje, LEI geheten, waarvoor alle cursisten de meest geslaagde verhalen uit hun lesopdrachten in konden sturen. En ja, een van mijn eerste verhalen werd inderdaad geplaatst. ‘Manke broeders’ was meteen een verhaal van het soort dat ik nog altijd met grote regelmaat schrijf, vooral historisch met af en toe een vleugje fantasy of soms ook andersom… Hoofdpersoon was een oude jager in een van de ijstijden, die voordat hij stierf zijn stam nog één keer met een heldhaftig optreden van nut kon zijn.
Vond ik dat mijn debuut als schrijver? Nou, niet meteen eigenlijk, maar toen de cursusleidster vertelde dat LEI wel degelijk gold als een ‘echte’ publicatie en er dus van alle nummers een exemplaar naar de Koninklijke Bibliotheek ging, was ik overtuigd. Wie een eerste publicatie op zijn naam heeft, mag zichzelf een debutant noemen…

2. Bij mijn eerste verhaal dat werd opgenomen in een bundel (2006) 

Meteen toen ik die LOI-cursus met goed gevolg (er werd nog heel ouderwets met punten gewerkt) had afgerond, begon ik mee te doen aan schrijfwedstrijden in allerhande genres, want ik wilde me niet gelijk vastpinnen op één enkel genre, nu nog altijd niet trouwens. De eerste wedstrijd waarbij het raak was had ‘reizen’ als thema. Mijn verhaal ‘De laatste dag’ vond een plaatsje in de wedstrijdbundel ‘Het Geheim van de Reiziger’, uitgebracht door uitgeverij Kontrast.
Ook nu weer voelde ik mij een debutant, want nu stond een van mijn verhalen voor het eerst in een ‘echt boek’.

3. Bij mijn eerste zelfstandige publicatie (2010)

In 2009 schreef ik ‘IJstijd’, een prehistorisch verhaal en stuurde het in voor de John Flandersprijs, die tegenwoordig (naar de uitgeverij) de Averbodeprijs heet. Dat is een Vlaamse wedstrijd, waarbij de beste verhalen in boek(jes)vorm worden uitgegeven. Op de Vlaamse basisscholen kunnen de kinderen uit de twee hoogste groepen zich op die serie, ‘Vlaamse Filmpjes’ geheten, abonneren. En ja, ik hoorde meteen bij de gelukkigen die in het daaropvolgende schooljaar een plekje in die serie kregen.
En de lezer raadt het al, weer paste ik mijn definitie aan. Een debutant was voor mij nu iemand die voor het eerst een zelfstandige publicatie op zijn of haar naam heeft staan. Zo had ik opnieuw iets te vieren…

4. Bij mijn eerste eigen boek (2014)

Maar daarmee was de koek nog niet op. Ik was heel trots op ‘IJstijd’, maar realiseerde me naderhand ook wel dat de omvang (minder dan 7000 woorden, waar een roman toch al gauw aan minstens een tienvoud daarvan zit) die van een verhaal en niet van een voldragen boek was. Dat laatste volgde pas bij de publicatie van mijn eerste eigen bundel fantasyverhalen, uitgebracht door uitgeverij EigenZinnig. Deze keer was er ook een echte presentatie en volgden de eerste recensies, natuurlijk van Biblion (voor de bibliotheken), op Hebban en op nog een stuk of vijf andere platforms. Gemiddeld kreeg de bundel vier sterren van de recensenten, waarbij ik reacties van lezers op Hebban, Bol of Goodreads buiten beschouwing laat.
Al was de opbrengst van ‘Traisha en het Ei’ tientjeswerk (dat is bij vrijwel alle bundels z0), toch hield ik aan die uitgave een zeer tevreden debutantengevoel over. Om rijk te worden moet je immers vooral geen schrijver willen worden…

5. Bij ‘Alya’, mijn eerste echte roman (2018)

Ja, daar was ik dus mee begonnen en de cirkel is dus rond. Veertien jaar na mijn eerste publicatie word ik dus debutant in die ‘officiële’ betekenis.
Ik besef heel goed dat een eerste roman bij een mooie uitgeverij als Mozaïek mijn leven waarschijnlijk meer zal veranderen dan die eerste vier ‘debuten’ bij elkaar, al moet ik dat natuurlijk ook weer niet overdrijven. De meeste romandebuten, zo las ik meer dan eens, ook als ze aan de verwachtingen van de uitgever beantwoorden (die is gewend om dat realistisch in te schatten) verlopen vrij geruisloos. Dat kan ook moeilijk anders, want elk jaar komen er alleen al in Nederland duizenden nieuwe romans uit. Voorlopig hoef ik er dan ook niet voor te vrezen dat ik een winkel binnenloop en iemand mij gelijk om een handtekening vraagt. Gelukkig maar, want een dergelijk vooruitzicht was nu niet bepaald mijn drijfveer om te gaan schrijven…