‘Alya’ en mijn verdere schrijven – Een update

Eind 2016 kreeg ik het mooie bericht dat uitgeverij Mozaïek met mij en met name met mijn historische roman ‘Alya’ in zee wilde gaan. Uiteraard sprong ik een gat in de lucht. Hoe vaak gebeurt het nu eigenlijk dat een schrijver die pas ver na zijn vijftigste serieus met schrijven begint op een niet meer zo piepe leeftijd (in juni werd ik 68…) alsnog een dergelijke kans krijgt? Hoogst zelden, zo weet ik intussen en daarom tel ik in de allereerste plaats mijn zegeningen en neem voor lief dat het allemaal lang niet zo snel gaat dan ik in eerste instantie verwachtte.
Dat laatste was eerst en vooral mijn eigen schuld. Ik bazuinde meteen op alle mogelijk sociale media rond dat mijn boek er aan stond te komen, zonder me voldoende te realiseren dat bij professionele uitgeverijen een uitgave pas zeker is als je het redactieproces met goed gevolg doorloopt en daarna het contract getekend wordt. Daarbij had ik geen realistisch beeld van de tijd die met een uitgave gemoeid is.
Intussen sta ik weer met beide voeten op de grond. Ja, ik ben nog altijd optimistisch over ‘Alya’. Het boek (het zal afhankelijk van de uitvoering iets tussen de 300 en 400 pagina’s gaan tellen) gaat nu de tweede redactieronde in. Als dat verloopt zoals ik hoop, zou ik waarschijnlijk ergens in de herfst definitief zekerheid kunnen krijgen over de uitgave. Voor wat mijn inschatting waard is denk ik dat vervolgens ergens tussen februari en juni 2018 mijn eerste volwassen historische roman van de persen kan rollen. Ik hoop natuurlijk op februari, maar helaas ga ik niet over de planning bij Mozaïek, hoe graag ik dat ook zou willen…

Nu ik voorlopig af moet wachten hoe het met ‘Alya’ verdergaat, heb ik weer de tijd voor andere schrijfprojecten. Ja, ik ben wel degelijk al met de opvolger van ‘Alya’ aan de gang. Dat verhaal speelt in dezelfde tijd, maar is geen rechtstreeks vervolg. Het eerste hoofdstuk staat, maar ik ga er pas een onafgebroken periode (ik denk aan de komende herfst en winter) mee aan de slag als het contract voor ‘Alya’ getekend is. De reden is simpel. Als dat moment eindelijk gekomen is, ben ik 100% gemotiveerd voor dat tweede boek. Dat helpt enorm bij de ‘flow’ in het schrijven. Zo werkt het althans bij mij.

 

 

Zit ik dan tot die tijd achter de geraniums af te wachten? Bij het idee alleen al gruw ik. De afgelopen maanden en ook de komende zomermaanden juli en augustus houd ik mij vooral bezig met mijn tweede liefde, namelijk de korte verhalen. Toen ik pas schreef, lag daarbij de nadruk op fantasy en schreef ik af en toe ook eens een historisch verhaal. Heel geleidelijk aan is die verhouding precies omgekeerd komen te liggen. Ik ga de lezers van deze blog niet vermoeien met het hoe en waarom en eindig deze post met een opsomming van hoe het er nu met mijn kortere verhalen voorstaat.

  1. Ik blijf met regelmaat korte verhalen schrijven voor de website (en gelijknamige uitgeverij) Historische Verhalen. In het voorjaar verscheen ‘Gilberts oor’, een verhaal dat speelt in het Gent van rond de veertiende eeuw. ‘Hisse’, een tweede verhaal, spelend in het Zweden van de vroege middeleeuwen, zit in de redactiefase en staat voor de komende nazomer of herfst op de rol. In januari 2018 komt er zoals het er nu voorstaat opnieuw een papieren jaarbundel uit met alle verhalen van 2017, ook nu weer aangevuld met een paar pagina’s historische achtergrond.
  2. Voor de schrijfwedstrijd middeleeuwse verhalen ‘Anno Domini 892’ van Godijn Publishing stuurde ik twee verhalen in. Het eerste (‘Umars opdracht’) won de tweede ronde en veroverde daarmee automatisch een plekje in de wedstrijdbundel. Het tweede verhaal (‘Naar Verdun’) staat op de longlist van 40 verhalen. Half juli weet ik of ook dat de bundel haalt.
  3. Op het ogenblik werk ik opnieuw aan een historisch verhaal, deze keer voor de ‘Gouden-Eeuw-wedstrijd’ van Historische Verhalen. Dat moet eerst maar eens af. Meer kan ik er hier niet over zeggen.
  4. In mei was de deadline van de jaarlijkse Averbode verhalenwedstrijd. De twaalf beste verhalen worden als ‘Vlaamse Filmpjes’ in Vlaanderen uitgegeven. Ik zou het erg leuk vinden als ik met mijn inzending een tweede uitgave (na ‘IJstijd’ uit 2010) in de wacht kan slepen. Ik heb daar goede hoop op, voor wat dat waard is uiteraard.
  5. Ja, en dan die fantasy… Na ‘Traisha en het Ei’, mijn in 2014 bij uitgeverij EigenZinnig uitgekomen fantasybundel, heb ik dat genre op een wat lager pitje gezet. Waarom? Mijn bundel kreeg erg mooie recensies, maar verkocht desondanks bepaald niet geweldig. Dat ligt niet alleen aan het genre. Verhalenbundels verkopen in het algemeen slechter dan romans. Toch vind ik fantasy een veel te leuk genre om daar helemaal een punt achter te zetten. Ik zond wat maanden geleden dus twee verhalen in (een herschreven oud verhaal plus een nieuw) voor Ganymedes 17, de jaarbundel voor fantasy en SF. Dat leverde meteen twee primeurs op. Een verhaal verschijnt in augustus/september in Ganymedes, het andere in een van de komende nummers van het tijdschrift Fantastische Vertellingen.

Historische Verhalen – Korte verhalen uit de Oudheid

Auteurs: Marjolijn van de Gender, Denise Michelle Pol, Key Tengeler

verhalenbundel, paperback, 272 pagina’s

Uitgeverij Historische Verhalen, 15 juni 2017

 

Tot op heden heb ik mij op mijn website/blog beperkt tot mijn eigen schrijven en alles daar omheen. Nu ik sinds een paar jaar de focus (niet 100%, maar toch…) van het fantastische naar het historische aan het verleggen ben, ga ik met enige regelmaat op deze plaats ook boeken/bundels in die sfeer bespreken. De ‘Oudheidbundel’ van website en uitgeverij Historische Verhalen bijt bij deze de spits af. 

 

 

Mijn commentaar:

Historische romans die in de Oudheid spelen zijn er genoeg. Denk aan namen als Robert Harris of binnen het Nederlands taalgebied aan iemand als Jan van Aken. Voor korte historische verhalen ligt dat heel anders. Tot voor kort kwam je die weinig tegen. In tegenstelling tot genres als fantasy/SF bestond er tot voor kort ook geen specifiek podium of schrijfwedstrijd voor.

De mensen achter de website van ‘Historische Verhalen’ en de gelijknamige uitgeverij komt de eer toe dat ze als een van de eersten (de jaarlijkse middeleeuwenwedstrijd van Godijn Publishing mag ook niet onvermeld blijven) in dat gat gesprongen zijn. Vanaf begin 2016 verschijnen er ruwweg twee verhalen per maand op de website van HV, verhalen die in de eerste weken van het nieuwe jaar netjes op papier gebundeld worden.

Omdat ik zelf ook van die nieuwe mogelijkheid gebruik maak en er (tot nu toe met redelijk succes) naar streef om een paar keer per jaar een verhaal geplaatst te krijgen, kan ik als recensent natuurlijk nooit voor de volle 100% objectief zijn. Om die reden staat er dan ook ‘mijn commentaar’ en niet ‘mijn recensie’ boven deze bespreking. Ik vind dat je daar eerlijk in moet zijn. Dat neemt niet weg dat ik eenvoudig niet in staat ben om iets over verhalen te zeggen dat ik niet meen en dat (een tikkeltje oneerbiedig uitgedrukt) enkel bedoeld is om medeauteurs een veer in de kont te steken. Wat volgt, is dus gewoon mijn persoonlijke mening, voor wat die waard is…

‘Korte verhalen uit de Oudheid’ is na de jaarbundel 2016 (‘27 korte geschiedenisverhalen’) de tweede papieren uitgave van Uitgeverij Historische Verhalen. De Leidse professor Dr. K. Beerden schreef de inleiding. Beerden ziet als wetenschapper heel scherp waarom een periode als de Oudheid zo aantrekkelijk is voor schrijvers van historische fictie. Over die periode bestaan zo weinig gedetailleerde en betrouwbare bronnen dat je als auteur heel veel ruimte hebt om de lacunes vanuit de eigen fantasie in te vullen. Leuk om dat van een specialiste in dat tijdvak te horen. Haar woorden geven exact weer waarom ik zelf voor mijn historische verhalen ook een voorkeur heb voor prehistorie, Oudheid of de vroege Middeleeuwen. Blijkbaar heb ik dat met de drie auteurs van deze bundel gemeen.

Marjolijn van de Gender, Denise Michelle Pol en Key Tengeler namen samen de 22 verhalen voor hun rekening. Wat mij na lezing van de bundel allereerst opviel, is dat ze alle drie veel energie in de historische achtergrond gestoken hebben. Na elk verhaal wordt die achtergrond in enkele pagina´s beschreven en verantwoord. Waar en wanneer speelde het verhaal zich af? Welke bronnen zijn gebruikt? Wat in het verhaal steunt op die bronnen en welk deel is aan de fantasie van de auteur ontsproten? Bij de meeste historische boeken of verhalen ontbreekt dat soort informatie. Voor lezers die niet alleen in het verhaal, maar ook in de geschiedenis zelf zijn geïnteresseerd, is het absoluut een verrijking. En ja, wie enkel een boeiend verhaal wil lezen, kan het natuurlijk ook overslaan, al zou ik dat persoonlijk eeuwig zonde vinden…

Gelukkig is de bundel geen eenheidsworst geworden. De auteurs laten ieder een duidelijke eigen stem horen. Key Tengeler stopt zoals ik het lees de meeste historische achtergrond en informatie in zijn bijdragen. Dat is niet vreemd. Niet voor niets is hij een historicus die zich heeft gespecialiseerd in de Oude Geschiedenis. Marjolijn van de Gender en Denise Michelle Pot verwaarlozen het historische beslist niet, maar zijn bij het schrijven volgens mij net iets meer van het verhalende uitgegaan. Er zit naar mijn idee gemiddeld genomen wat meer plot in hun verhalen. Ook dat is verklaarbaar, want Marjolijn is allereerst taalwetenschapper en neerlandica, terwijl Denise weliswaar ook historica is, maar ook al een aantal historische of fantastisch getinte verhalen schreef.

Over de verhalen zelf ga ik niet al te veel zeggen. Dat leidt al snel tot spoilers. Maar natuurlijk heeft elke lezer zijn eigen favorieten, voor wat het waard is, want zeker in dit genre leest niet iedereen een verhaal met dezelfde bril. Laat ik zeggen dat ik bijna alle verhalen met plezier las, niet zo vreemd natuurlijk voor iemand die al zijn hele leven van historische verhalen houdt en ze de laatste jaren ook zelf schrijft.

Om ook een puntje van kritiek te noemen, in enkele van de 22 bijdragen lag de nadruk voor mij net iets te veel op het beschrijvende, waardoor ze voor mijn gevoel te veel een verslag van de gebeurtenissen en te weinig een echt verhaal werden. Maar dat waren de uitzonderingen. Over het geheel kon ik de bundel bijzonder waarderen. Voor mij zou het dan ook vier van de vijf sterren krijgen.

Ik sluit af met de verhalen die er voor mij het meest uitsprongen. Voor Key Tengeler was dat zijn laatste bijdrage, ‘Rechter van steen’ omdat hij in dat verhaal, in elk geval voor mij, op een fraaie manier historie met een stuk emotie combineert. Bij Marjolijn van de Gender sprak juist haar eerste verhaal ‘Een vuurrode nacht’ mij het meest aan. De twee verhaallijnen (de historische gebeurtenissen en hoe hoofdpersoon Teremun die ervaart) zijn heel mooi verweven en ook nog eens fraai onder woorden gebracht. Ongeveer hetzelfde vond ik van ‘Liefde en eer’ van Denise Michelle Pol, de afsluiter van de bundel. Het verhaal van Leonidas en zijn driehonderd Spartanen is overbekend en meer dan eens verfilmd, maar Denise weet er vanuit het perspectief van een jonge krijger die niet alleen maar dapper en keihard is een mooie persoonlijke draai aan te geven.

 

Ik kijk uit naar de volgende bundel van Historische Verhalen en ga die zeker ook weer bespreken. Nou ja, niet helemaal zeker.  Mocht ik daar zelf een plekje in bemachtigen, dan moet ik een oordeel toch echt aan anderen overlaten…

Hisse (historische serie in 15 x 120 woorden)

Het wordt tijd om op mijn website weer eens teken van (schrijf)leven te geven. Mensen die mij volgen, vragen zich misschien af hoe het intussen met ‘Alya’ staat, mijn eerste ‘volwassen’ historische roman, waarvan ik hier in 2016 al een paar fragmenten plaatste.  Daarover kan ik melden dat er door omstandigheden vertraging is opgetreden in het uitgeefproces (wie weet zelfs een half jaar), maar dat het verder verloopt zoals ik hoopte. De eerste ruwe versie werd door de uitgever (Mozaïek) positief ontvangen. Intussen heb ik het commentaar van de redactrice verwerkt en een tweede versie ingeleverd. In dat proces zijn er van de oorspronkelijke 165.000 woorden al een kleine 20.000 gesneuveld. Dat schijnt bepaald niet uitzonderlijk te zijn. Ik verwacht dan ook dat er in de volgende redactieronde(s) ook nog hier en daar gesneden zal worden.
Uitstel is nooit leuk, maar ik heb geleerd dat het bij meer uitgaven zo verloopt en dat  ik gewoon heel geduldig moet zijn. Ik zie het dan ook van de zonnige kant. Het is best wel bijzonder om op mijn  niet meer ‘zo heel erg piepe leeftijd’ alsnog zo’n mooie uitgeefkans te krijgen. Overigens heb ik die buit beslist nog niet binnen. Dat is pas zo ver als ik alle redactierondes goed doorsta en daarna het definitieve fiat van de uitgever krijg. Ik heb er alle vertrouwen in dat het goedkomt, maar zekerheid is er dus nog niet. 

Na de eerste redactieronde van ‘Alya’ had ik een tijd de handen vrij om weer eens wat korte verhalen te schrijven, ook weer in historische sferen trouwens. Dat leverde vorige maand al vast één leuk resultaat op. Mijn verhaal ‘Umars opdracht’ won de tweede ronde van een historische schrijfwedstrijd voor korte verhalen tot maximaal drieduizend woorden, namelijk ‘Anno Domini 892’ van Godijn Publishing. Dat betekent in ieder geval vast dat het komend najaar in de wedstrijdbundel gepubliceerd wordt. 

Af en toe schrijf ik ook nog altijd ultrakorte verhalen van exact 120 woorden op de website 120w.nl. Deze keer heb ik daar in de loop van enkele weken een feuilleton van 15 opeenvolgende stukjes (jawel, ook nu weer historisch) geplaatst met als titel ‘Hisse’. Het handelt over een Fries meisje dat in de negende eeuw als slavin in het Zweedse Birka belandt en aan haar lot probeert te ontsnappen. Prijzen vallen er met zo’n feuilleton niet te verdienen, maar ik kreeg er wel veel leuke reacties op. Vandaar dat ik hieronder het hele feuilleton van in totaal 15 x 120 = 1800 woorden een plekje geef. 

 

HET SPOOR (HISSE 1)

‘Leif!’ roept Hedda, ‘Je Friese slavin is er met je boog vandoor.’
Hisse? Dat zal ze bezuren. Ik ga meteen achter haar aan.’
‘Het is nog erger dan je denkt. Hisse vertelde mij dat ze een kruis bij het graf van haar broer ging plaatsen.’
‘Bij Odin, dat gaat haar de kop kosten.’
‘Doe niet zo stom, Leif. Een portie zweepslagen is genoeg.’
Leif luistert niet, maar roept Bor. De wolfshond volgt Hisses spoor, staat stil bij het kruis en jankt zachtjes.
Vol verbazing kijkt Leif naar de pijl die uit zijn borst steekt.

Hisse laat zich uit de boom zakken, pakt Leifs zwaard en streelt de hond over zijn kop.
‘Knap werk, Bor. Kom. Samen redden wij ons wel.’

 

HET WOUD (HISSE 2)

Hisse trekt de pijl uit de borst van haar voormalige eigenaar en wrijft het bloed er met de zoom van haar hemd af.
‘Je had van mij af moeten blijven, Leif,’ zegt ze ernstig.
De wolfshond heft zijn kop en jankt opnieuw.
‘Rouw je om hem, Bor? Dat verdient hij niet. Kom, we moeten hier weg.’

Een voor een lossen de stammen op in de duisternis. Als een stille geest scheert een uil over haar hoofd. Hisse staat stil en huivert. Waar zij in Friesland leefde, kende zij plassen, moerassen en zompige weiden, maar geen woud.
Tussen de wortels van een oude eik maakt ze een nest van dorre bladeren. Met Bors kop op haar borst valt ze in slaap.

 

HET EERSTE ONTWAKEN (HISSE 3)

Hisse denkt de zee te horen. Als ze haar ogen opent, zucht ze van teleurstelling. Een gestage regen daalt neer op het woud. De sprankelend groene wereld van gisteren oogt nu grauw, kil en levenloos.
Ergens in de verte klinkt een geluid dat Hisse niet meteen herkent, maar Bor wel. Hij komt overeind, schraapt zijn poten en spitst de oren. Als bevroren blijft hij staan. Dan hoort Hisse het ook. Geblaf en luide kreten…

Hisse weet van wie de stemmen zijn. Knut en Bjorn vonden hun broer en weten wie hem doodde. Ze komen eraan om Leif te wreken. Hisse hoort doodsbang te zijn voor wat ze met haar zullen doen. Maar zij glimlacht enkel en streelt Bors ruige vacht.

 

WEERZIEN (HISSE 4)

De roedel wolfshonden vliegt recht op Hisse af. Een tel later wordt ze bijna onder de voet gelopen. De voorste teef springt tegen haar op en likt haar gezicht kletsnat.
‘Mooi dat jullie mij vonden,’ roept Hisse, ‘maar zo is het genoeg. Af!’
Meteen liggen alle honden aan haar voeten.

Knut en Bjorn breken door het struikgewas. Met het zwaard in de hand staan ze stil. Woede en verbijstering strijden op hun gezichten om de voorrang.
‘Hoopten jullie mijn verscheurde lichaam te vinden?’ vraagt Hisse.
Bjorn zwijgt. Hij knikt naar Knut en heft zijn zwaard. Samen stormen ze op haar af.
‘Ga!’ schreeuwt Hisse. Bor springt als eerste…

Langzaam kleurt het mos voor haar voeten helrood. Hisse sluit de ogen.

 

HEDDA (HISSE 5)

Wanneer ze haar ogen opent, is alles voorbij. Vol verwachting kijken de wolfshonden haar aan, hun bekken druipend van het bloed.
Hisse denkt aan Hedda en ze huilt. Is het Hedda’s schuld dat ze een vader heeft die haar aan een wreedaard als Leif uithuwelijkte? Ze huilt ook om de broers. Die moesten Leif wel wreken.

Hisse loopt terug naar het langhuis, al kan dat haar dood betekenen. De honden lopen achter haar, behalve Bor. Die wijkt niet van haar zijde.
Als een standbeeld staat Hedda te wachten. Hisse legt drie zwaarden voor haar voeten. ‘De honden wijzen je de weg,’ zegt ze. ‘Het spijt me, Hedda.’

Hisse keert zich om en verdwijnt in het woud. Alleen Bor volgt haar.

 

HERFST IN HET WOUD (HISSE 6)

De nachten worden kil en vochtig. Spinnenwebben vormen een zilveren krans rond Hisses slaapplaats, als ze ‘s morgens rillend van de kou ontwaakt.
Twee schatten redden haar. De eerste is het mes dat ze van Leifs dode lichaam stal, de tweede haar benen naald. De pelzen van de dieren die ze doodt om zichzelf en Bor te voeden, looit ze met haar eigen urine. Met de linnen draden van haar hemd maakt ze er warme kleding van.

Terwijl de eerste sneeuw valt, denkt Hisse lang na. Een hele winter in het woud zal ze niet overleven. Ze moet verder, maar waarheen? Rechtdoor, besluit ze. Ooit zal ze dan de zee weer zien.

‘Kom Bor,’ zegt ze. ‘We gaan naar Friesland.’

 

ONTMOETING (HISSE 7)

Uit de schaduwen doemt een schim op. Hisse grijpt naar haar boog. Als Bor wel stilstaat, maar niet gromt, bedenkt ze zich.
‘Wat doet een meisje alleen in het woud?’ De man draagt een lange boog, maar geen zwaard.
‘Ik wil naar Friesland. Wie ben je?’
‘Olaf. Een pelsjager.’ Hij wijst naar het oosten. ‘Birka is de dichtstbijzijnde haven.’
‘Nee!’ Hisse schudt heftig haar hoofd. ‘Daar werd ik verkocht.’

Olaf kijkt haar lang aan. ‘Dan moet je naar het westen,’ zegt hij. ‘De Noren in Kaupang handelen ook met Friezen.’
‘Is het ver?’
Hij knikt.
‘Wijs je mij de weg?’
Olaf glimlacht. ‘Waarom niet, mijn pelzen kan ik ook in Kaupang slijten.’
Hij streelt Bor. Die laat het rustig toe.

 

OLAF (HISSE 8)

Levende kleuren lossen op in neerdwarrelende sneeuwvlokken, totdat de wereld enkel nog bestaat uit zwart, wit en vele tinten grijs.
Olaf stopt bij een beekoever en verzamelt wilgentenen. Razendsnel vlecht hij er sneeuwschoenen van.
Terwijl Hisse de hare onderbindt, kijkt ze naar Olaf. ‘Waarom doe je dit?’
‘Vertrouw je mij?’
‘Ja,’ antwoordt Hisse. ‘Bor heeft altijd gelijk.’

Olaf staart in de verte. ‘Vorig jaar had ik een vrouw en een dochter,’ zegt hij. ‘Nu heb ik niets. Ik leefde van dag tot dag, totdat ik jou ontmoette.’
Sprakeloos kijkt Hisse hem aan. Nu pas valt het haar op hoe grijs Olafs haar is en dat zijn gezicht enkel uit rimpels lijkt te bestaan.

‘Kom,’ zegt hij. ‘Je moet naar Kaupang.’

 

HET GROTE MEER (HISSE 9)

Van enkel dunne huiden en wat stokken maakt Olaf ‘s avonds een tent. Tussen Bor en de oude pelsjager glijdt Hisse weg in een warme, droomloze slaap.

‘s Morgens geeft een azuren hemel de wereld haar kleur terug. Vele dagen achtereen zoeken ze hun weg over een maagdelijk sneeuwdek. Stoppen doen ze enkel als er gejaagd of gegeten moet worden. Al gauw laat Olaf het boogschieten aan Hisse over. Haar blik is scherper en haar hand vaster.

Als ze bij een reusachtig meer aankomen, draait de wind naar het zuiden. Rond het middaguur is de sneeuw veranderd in een modderbrij.
‘Moeten we hierdoor,’ vraagt Hisse bedrukt.
Olaf grijnst en schuift wat takken opzij. Daaronder liggen een kano en twee peddels.

 

DE VISSER (HISSE 10)

Hisse stapt na Olaf in de kano. Bor springt haar achterna.
‘Heb je ooit gepeddeld?’ vraagt Olaf.
Hisse knikt. ‘Ik kom uit Friesland.’

Als een roodoranje zon trillend in het meer verdwijnt, koerst Olaf naar een steiger. Aan de waterkant staat een huis op hoge palen, zoals Hisse die uit Dorestad kent.
‘De visser die hier leeft, is mijn vriend,’ zegt Olaf. ‘Hij heeft een grote boot en kan ons morgen misschien naar de westelijke oever brengen. Dan zijn we al halverwege.’

De visser heet Geir. Ook door hem laat Bor zich gewillig strelen.
‘Geen probleem,’ zegt Geir na Olafs verhaal. ‘Vissen kan ik overal.’
Hij kijkt naar Hisse. ‘Waarom help je haar?’
Olaf zucht. ‘Ze lijkt op mijn dochter.’

 

NAAR KAUPANG (HIISE 11)

‘s Morgens zijn peddels overbodig. Een straffe oostenwind stuwt Geirs zeilboot naar de westkust van het Vänermeer. Halverwege de middag komen ze daar aan.
‘Het ga je goed, Hisse,’ zegt Geir. ‘Je hebt Odins zegen.’ Voordat hij weer scheep gaat, slaat hij Olaf op zijn schouder en aait Bor.

Aan de westoever is de bodem droog. Dat geeft Hisse nieuwe moed.
‘Hoe ver is het nog, Olaf?’
‘Over een dag of drie zien we de zee. Langs de kust ligt een weg die ons naar Kaupang voert.’

Vijf dagen later bereiken ze de top van een heuvel die uitzicht biedt op de haven van Kaupang. Als aan de grond genageld blijft Hisse staan.
‘Wat is er, Hisse?’
‘Drakenschepen…’ fluistert ze.

 

HERINNERINGEN (HISSE 12)

Hisse staart naar de drakenschepen. Ze ademt zwaar. Haar voeten weigeren haar verder te dragen. Pas als Bor haar hand likt, komt ze weer tot zichzelf.
‘Bracht een drakar je naar Birka?’ vraagt Olaf.
‘Nee,’ antwoordt Hisse. ‘Mijn dorp werd door Denen uitgemoord. Alleen mijn broer en mij lieten ze leven. Ze ketenden ons aan de mast van hun drakar en namen ons mee naar Hedeby. Daar verkochten ze ons aan een Zweedse handelaar. Die bracht ons naar de slavenmarkt van Birka.’ Af en toe hapert haar stem.

‘En nu wil je naar Friesland?’
Hisse aarzelt een moment. ‘Ja, dat is mijn thuisland.’
‘Goed,’ zegt Olaf. ‘Dan gaan we naar het huis van de Friezen.’
Verbijsterd kijkt Hisse hem aan.

 

IN KAUPANG (HISSE 13)

‘Weet je zeker dat er Friezen in Kaupang zijn, Olaf?’
‘In elke haven zijn Friezen,’ antwoordt Olaf. ‘Naar Kaupang komen er zo veel dat ze een eigen wijk hebben.’
‘Hoe kan dat?’ vraagt Hisse. ‘De Noren en Denen vallen Friesland bijna ieder jaar aan.’
‘Alle handelaren worden door de koning beschermd,’ zegt Olaf, ‘op voorwaarde dat hij de eerste keus krijgt uit hun goederen. Werkt dat in jouw land dan anders, Hisse?’
Langzaam schudt Hisse haar hoofd. ‘Nee, eigenlijk niet, tenminste niet in Dorestad. Daar leggen ook veel Deense vrachtschepen aan.’

Stil loopt Hisse naast Olaf verder. Pas als kinderen joelen en haar nawijzen, vraagt ze zich af wat men hier van een vies, in dierenvellen gehuld meisje zal vinden.

 

HET HUIS VAN DE FRIEZEN (HISSE 14)

Olaf klopt aan bij het grootste huis. ‘Hier leven de rijke handelaren uit Friesland,’ zegt hij. ‘Als ze je willen helpen, ben je spoedig thuis.’
Een dikke, roodharige man opent de deur. Zijn blik schiet van Olaf naar Hisse en terug.
‘Als je pelzen kunt leveren, valt er te praten, Olaf,’ zegt hij. ‘Aan slavinnen hebben we geen behoefte, zeker niet als ze stinken. Was haar eerst en kleed haar behoorlijk.’

‘Ik kom uit Witla,’ roept Hisse in het Fries. ‘Help mij.’
De handelaar knijpt zijn varkensogen tot spleetjes. ‘Heb je daar familie, meisje?’
Hisse buigt haar hoofd. ‘Nee,’ fluistert ze. ‘De Denen hebben ze allemaal gedood.’
De man grijnst. ‘Geen probleem, kind. Wij vinden wel een echtgenoot voor jou.’

 

EEN NIEUWE FAMILIE – SLOT (HISSE 15)

Hisses ogen spuwen vuur. Ze grijpt naar haar boog. Meteen staan Bors nekharen recht overeind. Met blikkerende tanden springt hij. Net op tijd smijt de handelaar de deur dicht.

Verbluft kijkt Olaf haar aan. ‘Hisse, wil je nog altijd terug naar Friesland?’
Hisse hijgt eerst na. Daarna schudt ze heel beslist haar hoofd.
‘Dan ga ik ervoor zorgen dat je een vrije vrouw wordt.’
Hisses mond valt open van verbazing. ‘Wil je dan echt dat ik jouw vrouw word, Olaf?’
Olaf lacht. ‘Natuurlijk niet,’ antwoordt hij, ‘maar misschien wil je wel voorgoed mijn dochter worden. De enige voorwaarde is dat je een man kiest die jou waard is. Dan heb ik eindelijk ook een zoon.’

Hisse straalt. ‘Afgesproken,’ zegt ze.

Genreperikelen

Toen ik begon met schrijven, nu een jaar of vijftien geleden, maakte ik me nooit druk over de vraag in welk hokje een verhaal thuishoort. Ik schreef simpel dat wat mij inviel en waar op dat moment mijn hoofd naar stond. Nog altijd denk ik dat die houding de beste insteek is voor een beginnende schrijver. Probeer gewoon alles uit, kort of lang, tragisch of humorvol, fantastisch of realistisch, het geeft niet wat; als je maar met hart en ziel schrijft, steek je er altijd iets van op, vooral als je om weet te gaan met kritiek en niet te snel tevreden bent.
Zo lang je in die leerfase zit, is er niets aan de hand. Maar nadert het moment dat je denkt (terecht of onterecht) dat je schrijfsels rijp genoeg zijn om ze voor de leeuwen te gooien, kortom als je aan een echte publicatie gaat denken, dan komt onherroepelijk de vraag aan de orde in welk genre je dat gaat doen. De reden is heel concreet. Veel wedstrijden (gelukkig niet alle) zijn gebonden aan een bepaald genre. Je wordt geacht een literair, humoristisch, romantisch, fantastisch, erotisch, historisch, dystopisch of nog een ander soort verhaal te schrijven. Hetzelfde geldt voor uitgeverijen, al is het daar soms minder duidelijk, omdat de grotere vaak met allerlei fondsen en imprints werken, waardoor je er toch met meerdere genres terechtkunt.
Waar het om gaat, is dat je in veel gevallen toch voor een keuze komt te staan. Dat geldt niet voor iedereen. Wie helemaal idolaat is van één specifiek genre, zal het niet in zijn of haar hoofd halen om iets anders dan dat te gaan schrijven. Dan is het enkel zaak om op zoek te gaan naar de wedstrijd en/of uitgeverij die bij je persoonlijke voorkeur past.

Hoe zit dat nu bij mijzelf? Als ik na zo’n vijftien jaar schrijven de balans opmaak, zie ik dat ik verhalen van allerlei lengtes en in uiteenlopende genres gepubliceerd heb. Toch zijn er twee genres die er duidelijk uitspringen; namelijk fantastische en historische verhalen, waarbij het zwaartepunt in de loop der jaren steeds meer van dat eerste naar het tweede genre is verschoven. Niet toevallig is van mijn twee zelfstandige publicaties tot op heden er één historisch en één geheel in fantastische sferen.
Maakt dat bij het schrijven nu echt veel uit? Voor mijn gevoel is dat niet zo. Bij mijn historische verhalen kies ik namelijk bewust of onbewust vrijwel altijd voor een setting in een ver verleden, waarover maar weinig gedetailleerde bronnen bestaan. Natuurlijk moet wat je schrijft blijven kloppen met wat wél met zekerheid bekend is, maar daarnaast houd je heel veel ruimte over om je verhaal vanuit je eigen fantasie verder in te vullen. Aan de andere kant ben je ook in een fantastisch verhaal verplicht om het allemaal op zijn minst geloofwaardig en begrijpelijk te houden, waardoor je vaak uitkomt bij een setting die niet heel veel van die van een historisch verhaal hoeft te verschillen. Zo spelen veel van de klassieke fantasyverhalen (denk aan auteurs als R.R. Martin, Robin Hobb, Robert Jordan of Tad Williams) zich af in een middeleeuws aandoende verhaalwereld.
Ik ga dat hieronder illustreren met een paar fragmenten. Ja, de goede lezer begrijpt intussen dat mijn blogs ook bedoeld zijn om mijn eigen schrijfsels te promoten. Daar schaam ik mij ook in het geheel niet voor. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat de onderstaande fragmenten beide van mijn eigen hand zijn.
Het eerste is het begin van ‘Tar’,  een verhaal uit ‘Traisha en het Ei’, de in 2014 bij uitgeverij  EigenZinnig gepubliceerde fantasybundel. Daaronder volgt een kort fragment uit ‘Alya’, mijn eerste (lange…) historische roman die in januari of februari 2018 bij uitgeverij Mozaïek uit gaat komen.


Fragment uit ‘Tar’: in ‘Traisha en het ei’ – 2014

Tar wachtte op zijn beurt om voor Al-Ar-Kah, Heer van de Vlakte, geleid te worden. De man voor hem, een hevig zwetende paleisdienaar, jammerde als een klein  kind toen de wachten hem wegsleurden. Tar voelde geen spoor van mededogen. Waarom zou hij ook? Wie zou straks een traan om hém laten bij zijn onvermijdelijke gang naar het hakblok?
Een dreunende gongslag gaf aan dat de volgende beklaagde aan de beurt was. Terwijl de aanklager zijn naam oplas, was Tar al onderweg naar de rode tegels voor de trappen die naar Al-Ar-Kah’s kolossale troon voerden. Hij knielde rustig neer, boog en drukte zijn voorhoofd tegen de koude steen.

Al-Ar-Kah sprak. Zijn stem klonk zacht en zalvend. Toch was elk woord, door de perfecte akoestiek van het gewelf achter hem, duidelijk verstaanbaar.
 ‘Aha, ik zie hier een van mijn eigen lijfwachten. Dat gebeurt bepaald niet elke dag. Marukh, fris mijn geheugen op en vertel ons wat deze man misdaan heeft.’
De aanklager, een lange, magere man met een kromme neus en borstelige wenkbrauwen, stond op een kleine verhoging die geheel in het niet viel bij de troon van de heerser. Marukh ontrolde een stuk perkament en las op luide toon de aanklacht voor.
 

Fragment uit ‘Alya’ (komt begin 2018 uit bij uitgeverij Mozaïek)

‘Vrede zij met allen die hier bijeen zijn om de wil van Abd Al-Rahman aan te horen.’
In de grote paleiszaal klinkt vaders stem vreemd hol, alsof hij van een enorme afstand tot ons spreekt. Maar dat is helemaal niet zo. Van de plek voor de estrade, waar ik op eerbiedige afstand achter de drie gezanten neerkniel op de koude mozaïekvloer, kan ik zijn gezicht duidelijk zien, ja zelfs de neutrale hofmeesterblik waarmee hij naar ons kijkt.
Vanuit mijn gebogen houding waag ik het om een korte blik te werpen op de lege troon. In gedachten herhaal ik vaders woorden van vanmorgen.
Emir Abd Al-Rahman is een man van beschaving. Heb daarom geen angst in zijn nabijheid, Alya. Bedenk wel dat hij zelden andere vrouwen ziet dan die in zijn harem of hun slavinnen. Als hij de gezanten toestaat om overeind te komen, blijf jij waar je bent. Richt je alleen op als Abd Al-Rahman dat beveelt. Ik verwacht niet dat hij jou vragen zal stellen. De emir kent je talenten. Hij zal waarschijnlijk enkel zijn gezanten toespreken om hen zijn instructies mee te geven. Mocht hij je toch aanspreken, dan zul je weten hoe te antwoorden, Alya. Je bent mijn dochter.
Een dreunende gongslag… Ik druk mijn voorhoofd tegen de koude steen en wacht op wat komen gaat. Terwijl het geluid tergend langzaam wegsterft, bonst mijn hart zo luid dat ik me afvraag of de gezanten voor mij het zullen horen.
Voetstappen doorbreken de stilte. Even nadat ze ophouden klinkt een stem.
‘Jullie mogen staan.’ Meer niet.
Ik hoor de drie gezanten overeind komen. Geen van hun gezichten herkende ik toen ik achter hen de paleiszaal werd binnengeleid. Naar hun namen kan ik enkel gissen. Vader zal hen ongetwijfeld kennen, maar ook hij wist tot op dit ogenblik niet wie de emir zou uitkiezen om in het verre Navarra namens hem te spreken.
‘Jij ook, Alya.’
Als verdoofd gehoorzaam ik. Ik sta op, maar houd mijn blik op de vloer gericht.
‘Kijk mij aan,’ zegt Abd Al-Rahman. ‘Ik wil de gezichten van al mijn gezanten kunnen zien.’
Bedoelt de emir mij? Al ben ik natuurlijk geen gezant, op de een of andere manier denk ik van wel. Voorzichtig richt ik mijn hoofd op en kijk naar de troon.
Ik had het bij het rechte eind. Abd Al-Rahmans ogen zijn recht op mij gericht. Ze zijn helderblauw… Dat zie ik zelfs van deze afstand. Hoe is dat mogelijk? Meteen hoop ik heel erg dat hij mijn verbazing niet opmerkt.
 
Is er een duidelijk verschil tussen de bovenstaande fragmenten? Kan iemand aangeven wat er fantastisch of historisch is en waarom? Ik ben benieuwd of daar reacties op komen.

Mijn volgende blog zal gaan over de wonderbaarlijke wijze hoe ik voor het lange verhaal van Alya een uitgeverij vond, of beter gezegd hoe een uitgeverij mij vond…

Eerste papieren bundel Historische Verhalen

De website ‘Historische verhalen’ is nu ruim een jaar ‘in de lucht’. Om dat te vieren verscheen vorige week de eerste jaarbundel met de 27 verhalen die in 2016 gepubliceerd werden. Het is een prachtige bundel geworden. De eerste recensie (meteen vijf sterren!) verscheen op
http://www.graaggelezen.blogspot.nl/2017/01/historische-verhalen-2016.html

omslag-bundel-hv-1-jpg

 

Mijn verhaal, ‘De laatste dagen van een god’, speelt in het Rome van de eerste eeuw na Christus en is hier te vinden: http://www.historischeverhalen.nl/laatste-dagen-god/

Begin februari volgt op de website een tweede verhaal van mijn hand. De titel is ‘Gilberts oor’ en het speelt zich af in het Gent van de late middeleeuwen.

Wie mijn vorige blog gelezen heeft, is misschien nieuwsgierig naar de vraag hoe het er intussen met ‘Schaduwlanden’ voor staat. Om te beginnen gaat die titel sneuvelen, omdat die niet uniek is. Wat het wel wordt, is nog even afwachten. Ik laat het op deze plaats en op mijn Facebookpagina weten als het zo ver is. Ik verwacht wel dat in elk geval de naam van mijn hoofdpersonage (Alya dus) er in voor gaat komen. Verder blijft het ook voor mij nog even afwachten. Ik heb de ruwe versie van het complete manuscript namelijk afgelopen maandag naar de uitgever gestuurd. Natuurlijk wordt mijn verhaal daar eerst uitgebreid bekeken voordat er definitief witte rook oftewel groen licht komt. Ik zou het zelf ook niet anders willen.
Zo gauw er meer bekend is (bijvoorbeeld de beoogde publicatiedatum) wijd ik er een wat langere blog aan.
Wordt vervolgd!

Schaduwlanden – Het beginidee

800px-cloudsshadow

 

Schaduwlanden komt er echt, had ik al bijna boven dit blog geschreven. Maar ik mag niet liegen en houd daarom toch maar de noodzakelijke slag om de arm. Ik heb er wel degelijk alle vertrouwen in dat Schaduwlanden ergens in 2017 uitgegeven wordt, maar definitief wordt dat pas als de uitgeverij (Mozaïek dus) na de eerste redactieronde het groene licht geeft. Ik moet het in dat redactieproces dus wel nog even waar gaan maken…

Op Facebook had ik het nieuws dat een uitgeverij mijn verhaal in principe adopteert al eerder gemeld. Binnen een dag kreeg ik zo’n honderd reacties, deels van familie en kennissen, maar toch vooral van mensen die zelf ook schrijven. Het bewijst nog eens ten overvloede dat schrijvers sociaal zijn, dat ze elkaar willen helpen en vooral dat ze elkaar iets gunnen, zeker als het om een nieuwe uitgave gaat.
Via dit blog ga ik mijn volgers, schrijvers of niet-schrijvers, met enige regelmaat op de hoogte houden van het schrijf- en uitgeefproces van Schaduwlanden, vanaf het eerste idee voor het verhaal (intussen een paar jaar geleden) tot aan het eerste berichtje van de uitgeverij (nu drie weken geleden) en alles wat daarop gaat volgen. Dat is veel te veel voor één enkele blog en over wat gaat volgen weet ik natuurlijk nog lang niet alles. Ik begin dus maar gewoon bij het begin, stop als het voor vandaag lang genoeg is en ga in een volgende blog vrolijk verder waar ik gebleven was…

Het eerste idee
Als mensen weten dat je schrijft is (althans in mijn geval) de meest gestelde vraag ‘Hoe kom je op het idee?’ of ‘Hoe begin je aan een verhaal?’ Misschien is dat meteen ook wel de zinnigste vraag. Bijna elk verhaal wordt immers geboren uit een allereerste ingeving, die al dan niet een vervolg krijgt, vaker niet dan wel. Bij mij sterven minstens negen van de tien ideeën (en waarschijnlijk meer) een vroegtijdige dood. Ik vergeet ze simpelweg óf ik sla ze op in mijn digitaal archief als ik denk er ooit nog iets mee te kunnen doen.

Bij mij werkt het zo dat als ik eenmaal een beginidee heb dat me bevalt er al snel een soort kettingreactie op gang komt. Welk hoofdpersonage koppel ik aan dat idee? Een man? Een vrouw? Jong? Oud? Welk eerste beeld krijg ik van dat personage? Daarop volgt bij mij pas de setting van het verhaal en nog later de uitwerking van een plot.
Er zijn ook schrijvers die in grote lijnen omgekeerd werken. Ze hebben eerst en vooral een bepaalde setting voor ogen en gaan dan pas nadenken over de vraag  welke personages ze in hun zelfgeschapen verhaalwereld loslaten en welke problemen die voor hun kiezen krijgen. Bij fantasy werkt dat nogal eens zo. Niet voor niets wordt in dat genre vaak over ‘world building’ gesproken. Eerst wordt er een wereld bedacht met alles er op en er aan, is dan in grote lijnen de gedachte. Daarna zien we wel verder. Al heb ik ook fantasy geschreven en zelfs een bundel in dat genre uitgebracht, zo deed ik het tot nu toe nooit en doe ik het ook niet bij Schaduwlanden.
Toch heeft die fantasy in zekere zin tot mijn beginidee voor Schaduwlanden geleid. Dat ging als volgt. In de jaren 2013 en 2014 schreef ik in tegenstelling tot nu meer fantastische dan historische verhalen, ook met het oog op mijn fantasybundel die eind 2014 verscheen. Na het uitkomen daarvan nam ik mij voor om naast al die korte verhalen nu eindelijk ook eens aan een verhaal van romanlengte te beginnen, een heel oud plan, waar ik al jaren mee rondliep, maar waar het om de meest uiteenlopende redenen nooit van gekomen was.
Toen ik eenmaal de knoop had doorgehakt en mijzelf de opdracht gaf om eindelijk eens de daad bij de gedachte te voegen, was de eerste vraag die ik mijzelf stelde welk genre ik zou kiezen. Dat lijkt best een lastige vraag te zijn, want er bestaan vele genres en subgenres. In mijn geval viel het erg mee omdat al die genres op twee na pijlsnel afvielen. Aspiraties voor een ‘literaire roman’ had en heb ik niet. Thrillers en misdaadverhalen liggen dan wel erg goed in de markt, maar ik lees ze zo goed als nooit. Dan is het waarschijnlijk geen goed idee om ze wel te gaan schrijven. Ik zou daar met 99 % zekerheid geen potten mee gaan breken, Om een lang verhaal kort te maken, er bleven slechts twee genres over, genres die ik graag lees en waarin ik het liefste schrijf. Ik zou dus óf een fantastisch óf een historisch verhaal gaan schrijven.

Uiteindelijk was die keuze snel gemaakt. Zelfs een schrijver moet af en toe ook een beetje praktisch kunnen denken. Dat deed ik dan ook. Toen ik me afvroeg in welk van die twee genres de kans het grootst was om een aansprekende uitgever te vinden, kwam ik eigenlijk meteen bij een historisch verhaal uit en wel om twee redenen. Ten eerste is het een genre dat zeker in Nederland beter in de markt ligt dan fantasy, ondanks al die succesvolle boeken en verfilmingen van Tolkien, Rowling of Martin. De tweede en voor mij minstens zo belangrijke reden om niet voor fantasy te kiezen was dat de grote Nederlandse uitgevers vooral voor de zekerheid van bekende namen uit de Angelsaksische landen kiezen, enkele uitzonderingen zoals Natalie Koch of Thomas Olde Heuvelt daargelaten. Voor historische verhalen is dat in veel mindere mate het geval.
Goed, dat besluit was genomen. Het zou dus een historisch verhaal gaan worden. Is het zo simpel? Ja en nee. Natuurlijk is het schrijven van een goed boek, dat ook nog eens goed verkoopt, helemaal niet simpel. Maar bij mij is het wel zo dat het probleem niet zo zeer in de ideeën zit; die heb ik meer dan waar ik ooit iets mee zal kunnen doen, maar simpelweg in het oppakken en uitwerken van een van die ideeën en daarna niet meer ophouden met schrijven tot het verhaal er staat. Is het zo eenvoudig? Ja, soms wel…

Maar… nu heb ik van alles verteld, maar nog altijd niet wat die fantasy nu eigenlijk met mijn idee voor een historisch verhaal van doen heeft. Dat zit zo. Fantasyverhalen worden in veel gevallen gedragen door een zogenaamd ‘magisch element’. Soms wordt dat op een wel erg simpele manier ingezet en trekt eenvoudigweg de magiër met de beste toverstaf en de krachtigste spreuken uiteindelijk aan het langste eind. Natuurlijk is dat een karikatuur van het genre. Een goede fantasyschrijver weet er iets heel wat originelers en vooral boeienders van te maken. In welk genre dan ook kun je nu eenmaal goede of slechte, ingenieuze of onnozele verhalen schrijven. Waar het hier om gaat, is dat je in een historisch verhaal je hoofdpersoon niet zoals bij fantasy een magische gave mee kunt geven waarmee hij of zij zich uit elke netelige situatie kan redden, bijvoorbeeld door zich op elk gewenst moment onzichtbaar te maken. Doe je zoiets toch, dan ben je fantasy in een historisch jasje aan het steken. Dat kan absoluut een leuk en lezenswaardig verhaal opleveren, maar dat mag je in geen geval nog een historische roman noemen.

Na mijn besluit om te kiezen voor een historische roman, ging ik nadenken over de mogelijkheid om geen toverkunsten, maar een weliswaar zeldzame, maar toch normale gave in te zetten. Die zou ik mijn hoofdpersoon dan mee kunnen geven om onderweg naar de ontknoping met meer kans op succes allerhande bedreigingen het hoofd te bieden. Ik overwoog en verwierp allerlei mogelijkheden, van acrobatische gaven tot een fotografisch geheugen. Pas toen ik bedacht dat ik een historisch verhaal wilde schrijven waarin veel gereisd wordt (vraag mij niet waarom!), viel het kwartje. Wie lang reist, bezoekt in de regel meerdere landen en heeft al gauw meerdere talen nodig om te kunnen communiceren. Dat werd mijn ei van Columbus. Mijn hoofdpersoon moest dat op kunnen lossen met de gave om binnen de kortste keren een nieuwe taal te leren. Dat komt slechts sporadisch voor, maar het is wel degelijk een gave die bestaat en die dus ongetwijfeld ook in een ver verleden bestaan zal hebben. Dat gegeven werd een van mijn startpunten voor de plot van Schaduwlanden.

Wat nog meer? Dat bewaar ik voor mijn volgende blog, waarin ik het onder andere ga hebben over de tijd en de setting die ik voor mijn verhaal koos en de redenen die ik daarvoor had. Dat gaat een stuk problematischer worden. Waarom? Omdat het lastig is om veel over een verhaal te vertellen zonder van alles bij voorbaat weg te geven. Dan hebben we het dus over die beroemde, beter gezegd beruchte ‘spoilers’ die je moet zien te vermijden. Over dat probleem ga ik eerst maar eens rustig nadenken voordat ik aan die volgende blog begin. 😉

Schaamteloze zelfpromotie voor auteurs

Nee, die titel heb ik dus niet zelf bedacht… Het is de naam van een schrijfworkshop op zondag 15 oktober, waarvoor ik mij zonet heb opgegeven. Waar? Imagicon Ede. Tijd? 11.30-12.30 uur.
Wie het nieuws over die dag miste, maar wel interesse heeft, kan alle informatie vinden op de website en/of facebookpagina van Imagicon.

Dat ‘Schaamteloze zelfpromotie voor auteurs’ (let wel, zónder vraagteken) gaf mij heel wat stof tot nadenken. Ja, ik heb wel eens ergens gelezen dat een schrijver schaamteloos zou moeten schrijven. Daarmee wordt bedoeld dat je je nooit moet laten leiden of zelfs maar beïnvloeden door de angst voor ‘wat men er wel niet van zal zeggen’, maar dat je compromisloos alles moet opschrijven waarvan je vindt dat het in je boek thuishoort, al is het voor jezelf of anderen nog zo confronterend of choquerend.
Of dat voor alle auteurs een wijs advies is, laat ik even in het midden. Laat ik het er op houden dat ik nooit iets heb geschreven en nooit iets verwacht te zullen schrijven waarbij ik werkelijk al mijn schaamte opzij moet zetten…

Hij of zij die de titel van die workshop bedacht heeft, zal de inspiratie denkelijk geput hebben uit die discussie over hoe je zou moeten of mogen schrijven. De impliciete strekking of stelling is dan dat ook bij het promoten van je boek schaamte alleen maar lastig en onnodig is. Gooi al je remmingen overboord, geef je verbeelding alle ruimte en laat je pennenvrucht op elke mogelijke manier op de wereld los. Zoiets…

Waarom wijd ik eigenlijk een blog aan een onderwerp als zelfpromotie? De reden is simpel. Ik schrijf. Ik zou heel graag willen dat wat ik schrijf door zo veel mogelijk mensen gelezen wordt, niet omdat het geld oplevert (dat doet het hoogst zelden), maar omdat het mij het gevoel geeft iets gepresteerd te hebben dat echt de moeite waard is. Dat zoiets banaals mijn belangrijkste drijfveer is om stug verder te schrijven, geef ik schaamteloos toe…
Hoe graag ik ook zou willen dat een goed verhaal (ja, dat vinden we toch allemaal van wat we schrijven…) zichzelf verkoopt, zo werkt het in de regel niet. Zonder de juiste promotie op het juiste moment blijft ook een goed verhaal of boek onbekend en anoniem, begrijp ik uit allerhande interviews met redacteuren van toonaangevende uitgeverijen.

Mijn eerste conclusie is nogal deprimerend. Zelfs als je iets schrijft dat in alle opzichten bijzonder en lezenswaardig is, dan nog ben je nergens zonder een uitgever die iets in je ziet en die weet hoe je de promotie aan moet pakken. Hoe groot is die kans voor een onbekende auteur? Klein. Heel klein. Dat weten we allemaal en toch schrijven we stug door en blijven we hopen, de meesten van ons tegen beter weten in.

Ik heb al wat open deuren over het hoe, wat en waarom van promotie voor je schrijfsels ingetrapt, maar wat vind ik er nu eigenlijk zelf van? Wat doe ik ermee? Nou ja, de wijsheid heb ik niet in pacht, maar voor mijzelf houd ik wel een paar vuistregels in acht. Of die ook voor anderen nuttig zijn? Wie weet. Reacties zijn welkom.

  1. Blijf vooral jezelf. Als je (zoals ik) niet zo’n uitbundig en extravert iemand bent, probeer je dan niet geforceerd anders voor te doen dan je bent. Dat werkt voor geen meter en prettig voel je jezelf daar ook niet bij.
  2. Promoot alleen als er iets te promoten valt. En dan bedoel ik dat je een (reguliere) uitgever gevonden hebt en zeker weet dat je boek (of verhaal) er ook echt gaat komen. Zo lang het niet zo ver is, kun je best af en toe iets vertellen over het schrijfproces of over je zoektocht naar een uitgever, maar dan is het niet slim om hoog van de toren te blazen. Te veel bescheidenheid is misschien lastig, maar te weinig ook. Ik werk nu met enige tussenpozen vanaf februari aan een lang historisch manuscript (ergens tussen de 150.000 en 200.000 woorden) en dan frustreert het soms dat zoiets zo’n extreem lange weg betekent, zeker voor iemand die voorheen vooral korte verhalen schreef. Maar klagen doe ik niet. Voor die weg koos ik nu eenmaal zelf.
  3. Te veel bescheidenheid helpt je niet, maar het tegenovergestelde werkt ook tegen je. Een boek uitbrengen is tegenwoordig geen kunst en zeker geen bewijs dat je een ‘echte’ schrijver bent. Publiceren is door alle technische vernieuwingen veel eenvoudiger en goedkoper geworden. Sterker, als je hoe dan ook je boek gepubliceerd wil zien, lukt je dat altijd wel tegen een redelijke prijs. Maar wat is dat waard? Ik houd (misschien ook weer tegen beter weten in) als principe aan dat een reguliere uitgeverij genoeg brood in mijn verhaal moet zien om het risico van een uitgave op zich te nemen. Moet ik zelf investeren om mijn boek uitgegeven te krijgen, dan hoeft het voor mij niet meer. Dat is geen kwestie van gierigheid, maar van principe. Is er geen behoefte aan wat ik schrijf, dan hoeft het er wat mij betreft ook niet te komen. Maar nu denk ik misschien te star? De tijd zal het leren.