Mijn website draait nu een paar jaar en tot nu toe voelde ik nooit de behoefte om die drastisch op de schop te nemen. Ik kan er mijn blogs (over mijn eigen schrijven en af en toe ‘schrijfgerelateerde zaken’) op kwijt en houd nog vier kopjes over om de lezers van andere zaken op de hoogte te brengen/houden, met name over mijn publicaties.
Die indeling en ook de layout van de website bevalt me nog altijd goed. Wie weet ga ik die al dan niet met professionele hulp in een later stadium aanpassen en verfraaien, maar voorlopig gaat het mij niet in de eerste plaats om de vormgeving, maar vooral om de inhoud. Het oude menu boven de homepagina met mijn blog sloot niet langer aan bij wat ik de laatste paar jaar vooral schrijf, namelijk historische verhalen en (de eerste zit nu bij uitgeverij Mozaïek in de pijplijn) historische romans.
Omdat het mijn ambitie is om dat te blijven doen en me dus duidelijk te gaan profileren als auteur van historische verhalen en romans, moet dat voortaan in één oogopslag uit mijn website blijken. Dat is met de kopjes die ik tot vandaag gebruikte (Jeugdverhalen – Andere publicaties – Historische verhalen) bepaald niet het geval. Met de nieuwe koppen (Historische boeken – Historische verhalen – Fantasyverhalen) hoop ik dat op te lossen.
Ook ontbreekt een informatief stuk over mijzelf op een logische plek. Een biografie is een groot woord, dat hoeft nu ook weer niet, maar de meeste lezers vinden het wel degelijk fijn als ze over een auteur net iets meer kunnen lezen dan hoe oud hij is en waar hij woont. Daar ga ik dus onder het simpele kopje ‘Over Hay’ voor zorgen.
Natuurlijk pak ik die kopjes een voor een aan, want ik wil goed nadenken over de vraag hoe ik de inhoud per onderdeel het snelst en handigst kan actualiseren. In de loop van de week hoop ik de remake afgerond te hebben.
Categorie archief: Uncategorized
‘Alya’ en mijn verdere schrijven – Een update
Eind 2016 kreeg ik het mooie bericht dat uitgeverij Mozaïek met mij en met name met mijn historische roman ‘Alya’ in zee wilde gaan. Uiteraard sprong ik een gat in de lucht. Hoe vaak gebeurt het nu eigenlijk dat een schrijver die pas ver na zijn vijftigste serieus met schrijven begint op een niet meer zo piepe leeftijd (in juni werd ik 68…) alsnog een dergelijke kans krijgt? Hoogst zelden, zo weet ik intussen en daarom tel ik in de allereerste plaats mijn zegeningen en neem voor lief dat het allemaal lang niet zo snel gaat dan ik in eerste instantie verwachtte.
Dat laatste was eerst en vooral mijn eigen schuld. Ik bazuinde meteen op alle mogelijk sociale media rond dat mijn boek er aan stond te komen, zonder me voldoende te realiseren dat bij professionele uitgeverijen een uitgave pas zeker is als je het redactieproces met goed gevolg doorloopt en daarna het contract getekend wordt. Daarbij had ik geen realistisch beeld van de tijd die met een uitgave gemoeid is.
Intussen sta ik weer met beide voeten op de grond. Ja, ik ben nog altijd optimistisch over ‘Alya’. Het boek (het zal afhankelijk van de uitvoering iets tussen de 300 en 400 pagina’s gaan tellen) gaat nu de tweede redactieronde in. Als dat verloopt zoals ik hoop, zou ik waarschijnlijk ergens in de herfst definitief zekerheid kunnen krijgen over de uitgave. Voor wat mijn inschatting waard is denk ik dat vervolgens ergens tussen februari en juni 2018 mijn eerste volwassen historische roman van de persen kan rollen. Ik hoop natuurlijk op februari, maar helaas ga ik niet over de planning bij Mozaïek, hoe graag ik dat ook zou willen…
Nu ik voorlopig af moet wachten hoe het met ‘Alya’ verdergaat, heb ik weer de tijd voor andere schrijfprojecten. Ja, ik ben wel degelijk al met de opvolger van ‘Alya’ aan de gang. Dat verhaal speelt in dezelfde tijd, maar is geen rechtstreeks vervolg. Het eerste hoofdstuk staat, maar ik ga er pas een onafgebroken periode (ik denk aan de komende herfst en winter) mee aan de slag als het contract voor ‘Alya’ getekend is. De reden is simpel. Als dat moment eindelijk gekomen is, ben ik 100% gemotiveerd voor dat tweede boek. Dat helpt enorm bij de ‘flow’ in het schrijven. Zo werkt het althans bij mij.
Zit ik dan tot die tijd achter de geraniums af te wachten? Bij het idee alleen al gruw ik. De afgelopen maanden en ook de komende zomermaanden juli en augustus houd ik mij vooral bezig met mijn tweede liefde, namelijk de korte verhalen. Toen ik pas schreef, lag daarbij de nadruk op fantasy en schreef ik af en toe ook eens een historisch verhaal. Heel geleidelijk aan is die verhouding precies omgekeerd komen te liggen. Ik ga de lezers van deze blog niet vermoeien met het hoe en waarom en eindig deze post met een opsomming van hoe het er nu met mijn kortere verhalen voorstaat.
- Ik blijf met regelmaat korte verhalen schrijven voor de website (en gelijknamige uitgeverij) Historische Verhalen. In het voorjaar verscheen ‘Gilberts oor’, een verhaal dat speelt in het Gent van rond de veertiende eeuw. ‘Hisse’, een tweede verhaal, spelend in het Zweden van de vroege middeleeuwen, zit in de redactiefase en staat voor de komende nazomer of herfst op de rol. In januari 2018 komt er zoals het er nu voorstaat opnieuw een papieren jaarbundel uit met alle verhalen van 2017, ook nu weer aangevuld met een paar pagina’s historische achtergrond.
- Voor de schrijfwedstrijd middeleeuwse verhalen ‘Anno Domini 892’ van Godijn Publishing stuurde ik twee verhalen in. Het eerste (‘Umars opdracht’) won de tweede ronde en veroverde daarmee automatisch een plekje in de wedstrijdbundel. Het tweede verhaal (‘Naar Verdun’) staat op de longlist van 40 verhalen. Half juli weet ik of ook dat de bundel haalt.
- Op het ogenblik werk ik opnieuw aan een historisch verhaal, deze keer voor de ‘Gouden-Eeuw-wedstrijd’ van Historische Verhalen. Dat moet eerst maar eens af. Meer kan ik er hier niet over zeggen.
- In mei was de deadline van de jaarlijkse Averbode verhalenwedstrijd. De twaalf beste verhalen worden als ‘Vlaamse Filmpjes’ in Vlaanderen uitgegeven. Ik zou het erg leuk vinden als ik met mijn inzending een tweede uitgave (na ‘IJstijd’ uit 2010) in de wacht kan slepen. Ik heb daar goede hoop op, voor wat dat waard is uiteraard.
- Ja, en dan die fantasy… Na ‘Traisha en het Ei’, mijn in 2014 bij uitgeverij EigenZinnig uitgekomen fantasybundel, heb ik dat genre op een wat lager pitje gezet. Waarom? Mijn bundel kreeg erg mooie recensies, maar verkocht desondanks bepaald niet geweldig. Dat ligt niet alleen aan het genre. Verhalenbundels verkopen in het algemeen slechter dan romans. Toch vind ik fantasy een veel te leuk genre om daar helemaal een punt achter te zetten. Ik zond wat maanden geleden dus twee verhalen in (een herschreven oud verhaal plus een nieuw) voor Ganymedes 17, de jaarbundel voor fantasy en SF. Dat leverde meteen twee primeurs op. Een verhaal verschijnt in augustus/september in Ganymedes, het andere in een van de komende nummers van het tijdschrift Fantastische Vertellingen.
Historische Verhalen – Korte verhalen uit de Oudheid
Auteurs: Marjolijn van de Gender, Denise Michelle Pol, Key Tengeler
verhalenbundel, paperback, 272 pagina’s
Uitgeverij Historische Verhalen, 15 juni 2017
Tot op heden heb ik mij op mijn website/blog beperkt tot mijn eigen schrijven en alles daar omheen. Nu ik sinds een paar jaar de focus (niet 100%, maar toch…) van het fantastische naar het historische aan het verleggen ben, ga ik met enige regelmaat op deze plaats ook boeken/bundels in die sfeer bespreken. De ‘Oudheidbundel’ van website en uitgeverij Historische Verhalen bijt bij deze de spits af.
Mijn commentaar:
Historische romans die in de Oudheid spelen zijn er genoeg. Denk aan namen als Robert Harris of binnen het Nederlands taalgebied aan iemand als Jan van Aken. Voor korte historische verhalen ligt dat heel anders. Tot voor kort kwam je die weinig tegen. In tegenstelling tot genres als fantasy/SF bestond er tot voor kort ook geen specifiek podium of schrijfwedstrijd voor.
De mensen achter de website van ‘Historische Verhalen’ en de gelijknamige uitgeverij komt de eer toe dat ze als een van de eersten (de jaarlijkse middeleeuwenwedstrijd van Godijn Publishing mag ook niet onvermeld blijven) in dat gat gesprongen zijn. Vanaf begin 2016 verschijnen er ruwweg twee verhalen per maand op de website van HV, verhalen die in de eerste weken van het nieuwe jaar netjes op papier gebundeld worden.
Omdat ik zelf ook van die nieuwe mogelijkheid gebruik maak en er (tot nu toe met redelijk succes) naar streef om een paar keer per jaar een verhaal geplaatst te krijgen, kan ik als recensent natuurlijk nooit voor de volle 100% objectief zijn. Om die reden staat er dan ook ‘mijn commentaar’ en niet ‘mijn recensie’ boven deze bespreking. Ik vind dat je daar eerlijk in moet zijn. Dat neemt niet weg dat ik eenvoudig niet in staat ben om iets over verhalen te zeggen dat ik niet meen en dat (een tikkeltje oneerbiedig uitgedrukt) enkel bedoeld is om medeauteurs een veer in de kont te steken. Wat volgt, is dus gewoon mijn persoonlijke mening, voor wat die waard is…
‘Korte verhalen uit de Oudheid’ is na de jaarbundel 2016 (‘27 korte geschiedenisverhalen’) de tweede papieren uitgave van Uitgeverij Historische Verhalen. De Leidse professor Dr. K. Beerden schreef de inleiding. Beerden ziet als wetenschapper heel scherp waarom een periode als de Oudheid zo aantrekkelijk is voor schrijvers van historische fictie. Over die periode bestaan zo weinig gedetailleerde en betrouwbare bronnen dat je als auteur heel veel ruimte hebt om de lacunes vanuit de eigen fantasie in te vullen. Leuk om dat van een specialiste in dat tijdvak te horen. Haar woorden geven exact weer waarom ik zelf voor mijn historische verhalen ook een voorkeur heb voor prehistorie, Oudheid of de vroege Middeleeuwen. Blijkbaar heb ik dat met de drie auteurs van deze bundel gemeen.
Marjolijn van de Gender, Denise Michelle Pol en Key Tengeler namen samen de 22 verhalen voor hun rekening. Wat mij na lezing van de bundel allereerst opviel, is dat ze alle drie veel energie in de historische achtergrond gestoken hebben. Na elk verhaal wordt die achtergrond in enkele pagina´s beschreven en verantwoord. Waar en wanneer speelde het verhaal zich af? Welke bronnen zijn gebruikt? Wat in het verhaal steunt op die bronnen en welk deel is aan de fantasie van de auteur ontsproten? Bij de meeste historische boeken of verhalen ontbreekt dat soort informatie. Voor lezers die niet alleen in het verhaal, maar ook in de geschiedenis zelf zijn geïnteresseerd, is het absoluut een verrijking. En ja, wie enkel een boeiend verhaal wil lezen, kan het natuurlijk ook overslaan, al zou ik dat persoonlijk eeuwig zonde vinden…
Gelukkig is de bundel geen eenheidsworst geworden. De auteurs laten ieder een duidelijke eigen stem horen. Key Tengeler stopt zoals ik het lees de meeste historische achtergrond en informatie in zijn bijdragen. Dat is niet vreemd. Niet voor niets is hij een historicus die zich heeft gespecialiseerd in de Oude Geschiedenis. Marjolijn van de Gender en Denise Michelle Pot verwaarlozen het historische beslist niet, maar zijn bij het schrijven volgens mij net iets meer van het verhalende uitgegaan. Er zit naar mijn idee gemiddeld genomen wat meer plot in hun verhalen. Ook dat is verklaarbaar, want Marjolijn is allereerst taalwetenschapper en neerlandica, terwijl Denise weliswaar ook historica is, maar ook al een aantal historische of fantastisch getinte verhalen schreef.
Over de verhalen zelf ga ik niet al te veel zeggen. Dat leidt al snel tot spoilers. Maar natuurlijk heeft elke lezer zijn eigen favorieten, voor wat het waard is, want zeker in dit genre leest niet iedereen een verhaal met dezelfde bril. Laat ik zeggen dat ik bijna alle verhalen met plezier las, niet zo vreemd natuurlijk voor iemand die al zijn hele leven van historische verhalen houdt en ze de laatste jaren ook zelf schrijft.
Om ook een puntje van kritiek te noemen, in enkele van de 22 bijdragen lag de nadruk voor mij net iets te veel op het beschrijvende, waardoor ze voor mijn gevoel te veel een verslag van de gebeurtenissen en te weinig een echt verhaal werden. Maar dat waren de uitzonderingen. Over het geheel kon ik de bundel bijzonder waarderen. Voor mij zou het dan ook vier van de vijf sterren krijgen.
Ik sluit af met de verhalen die er voor mij het meest uitsprongen. Voor Key Tengeler was dat zijn laatste bijdrage, ‘Rechter van steen’ omdat hij in dat verhaal, in elk geval voor mij, op een fraaie manier historie met een stuk emotie combineert. Bij Marjolijn van de Gender sprak juist haar eerste verhaal ‘Een vuurrode nacht’ mij het meest aan. De twee verhaallijnen (de historische gebeurtenissen en hoe hoofdpersoon Teremun die ervaart) zijn heel mooi verweven en ook nog eens fraai onder woorden gebracht. Ongeveer hetzelfde vond ik van ‘Liefde en eer’ van Denise Michelle Pol, de afsluiter van de bundel. Het verhaal van Leonidas en zijn driehonderd Spartanen is overbekend en meer dan eens verfilmd, maar Denise weet er vanuit het perspectief van een jonge krijger die niet alleen maar dapper en keihard is een mooie persoonlijke draai aan te geven.
Ik kijk uit naar de volgende bundel van Historische Verhalen en ga die zeker ook weer bespreken. Nou ja, niet helemaal zeker. Mocht ik daar zelf een plekje in bemachtigen, dan moet ik een oordeel toch echt aan anderen overlaten…
Genreperikelen
Toen ik begon met schrijven, nu een jaar of vijftien geleden, maakte ik me nooit druk over de vraag in welk hokje een verhaal thuishoort. Ik schreef simpel dat wat mij inviel en waar op dat moment mijn hoofd naar stond. Nog altijd denk ik dat die houding de beste insteek is voor een beginnende schrijver. Probeer gewoon alles uit, kort of lang, tragisch of humorvol, fantastisch of realistisch, het geeft niet wat; als je maar met hart en ziel schrijft, steek je er altijd iets van op, vooral als je om weet te gaan met kritiek en niet te snel tevreden bent.
Zo lang je in die leerfase zit, is er niets aan de hand. Maar nadert het moment dat je denkt (terecht of onterecht) dat je schrijfsels rijp genoeg zijn om ze voor de leeuwen te gooien, kortom als je aan een echte publicatie gaat denken, dan komt onherroepelijk de vraag aan de orde in welk genre je dat gaat doen. De reden is heel concreet. Veel wedstrijden (gelukkig niet alle) zijn gebonden aan een bepaald genre. Je wordt geacht een literair, humoristisch, romantisch, fantastisch, erotisch, historisch, dystopisch of nog een ander soort verhaal te schrijven. Hetzelfde geldt voor uitgeverijen, al is het daar soms minder duidelijk, omdat de grotere vaak met allerlei fondsen en imprints werken, waardoor je er toch met meerdere genres terechtkunt.
Waar het om gaat, is dat je in veel gevallen toch voor een keuze komt te staan. Dat geldt niet voor iedereen. Wie helemaal idolaat is van één specifiek genre, zal het niet in zijn of haar hoofd halen om iets anders dan dat te gaan schrijven. Dan is het enkel zaak om op zoek te gaan naar de wedstrijd en/of uitgeverij die bij je persoonlijke voorkeur past.
Hoe zit dat nu bij mijzelf? Als ik na zo’n vijftien jaar schrijven de balans opmaak, zie ik dat ik verhalen van allerlei lengtes en in uiteenlopende genres gepubliceerd heb. Toch zijn er twee genres die er duidelijk uitspringen; namelijk fantastische en historische verhalen, waarbij het zwaartepunt in de loop der jaren steeds meer van dat eerste naar het tweede genre is verschoven. Niet toevallig is van mijn twee zelfstandige publicaties tot op heden er één historisch en één geheel in fantastische sferen.
Maakt dat bij het schrijven nu echt veel uit? Voor mijn gevoel is dat niet zo. Bij mijn historische verhalen kies ik namelijk bewust of onbewust vrijwel altijd voor een setting in een ver verleden, waarover maar weinig gedetailleerde bronnen bestaan. Natuurlijk moet wat je schrijft blijven kloppen met wat wél met zekerheid bekend is, maar daarnaast houd je heel veel ruimte over om je verhaal vanuit je eigen fantasie verder in te vullen. Aan de andere kant ben je ook in een fantastisch verhaal verplicht om het allemaal op zijn minst geloofwaardig en begrijpelijk te houden, waardoor je vaak uitkomt bij een setting die niet heel veel van die van een historisch verhaal hoeft te verschillen. Zo spelen veel van de klassieke fantasyverhalen (denk aan auteurs als R.R. Martin, Robin Hobb, Robert Jordan of Tad Williams) zich af in een middeleeuws aandoende verhaalwereld.
Ik ga dat hieronder illustreren met een paar fragmenten. Ja, de goede lezer begrijpt intussen dat mijn blogs ook bedoeld zijn om mijn eigen schrijfsels te promoten. Daar schaam ik mij ook in het geheel niet voor. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat de onderstaande fragmenten beide van mijn eigen hand zijn.
Het eerste is het begin van ‘Tar’, een verhaal uit ‘Traisha en het Ei’, de in 2014 bij uitgeverij EigenZinnig gepubliceerde fantasybundel. Daaronder volgt een kort fragment uit ‘Alya’, mijn eerste (lange…) historische roman die in januari of februari 2018 bij uitgeverij Mozaïek uit gaat komen.
Fragment uit ‘Tar’: in ‘Traisha en het ei’ – 2014
Tar wachtte op zijn beurt om voor Al-Ar-Kah, Heer van de Vlakte, geleid te worden. De man voor hem, een hevig zwetende paleisdienaar, jammerde als een klein kind toen de wachten hem wegsleurden. Tar voelde geen spoor van mededogen. Waarom zou hij ook? Wie zou straks een traan om hém laten bij zijn onvermijdelijke gang naar het hakblok?
Een dreunende gongslag gaf aan dat de volgende beklaagde aan de beurt was. Terwijl de aanklager zijn naam oplas, was Tar al onderweg naar de rode tegels voor de trappen die naar Al-Ar-Kah’s kolossale troon voerden. Hij knielde rustig neer, boog en drukte zijn voorhoofd tegen de koude steen.
Al-Ar-Kah sprak. Zijn stem klonk zacht en zalvend. Toch was elk woord, door de perfecte akoestiek van het gewelf achter hem, duidelijk verstaanbaar. ‘Aha, ik zie hier een van mijn eigen lijfwachten. Dat gebeurt bepaald niet elke dag. Marukh, fris mijn geheugen op en vertel ons wat deze man misdaan heeft.’
De aanklager, een lange, magere man met een kromme neus en borstelige wenkbrauwen, stond op een kleine verhoging die geheel in het niet viel bij de troon van de heerser. Marukh ontrolde een stuk perkament en las op luide toon de aanklacht voor.
Fragment uit ‘Alya’ (komt begin 2018 uit bij uitgeverij Mozaïek)
‘Vrede zij met allen die hier bijeen zijn om de wil van Abd Al-Rahman aan te horen.’
In de grote paleiszaal klinkt vaders stem vreemd hol, alsof hij van een enorme afstand tot ons spreekt. Maar dat is helemaal niet zo. Van de plek voor de estrade, waar ik op eerbiedige afstand achter de drie gezanten neerkniel op de koude mozaïekvloer, kan ik zijn gezicht duidelijk zien, ja zelfs de neutrale hofmeesterblik waarmee hij naar ons kijkt.
Vanuit mijn gebogen houding waag ik het om een korte blik te werpen op de lege troon. In gedachten herhaal ik vaders woorden van vanmorgen.
Emir Abd Al-Rahman is een man van beschaving. Heb daarom geen angst in zijn nabijheid, Alya. Bedenk wel dat hij zelden andere vrouwen ziet dan die in zijn harem of hun slavinnen. Als hij de gezanten toestaat om overeind te komen, blijf jij waar je bent. Richt je alleen op als Abd Al-Rahman dat beveelt. Ik verwacht niet dat hij jou vragen zal stellen. De emir kent je talenten. Hij zal waarschijnlijk enkel zijn gezanten toespreken om hen zijn instructies mee te geven. Mocht hij je toch aanspreken, dan zul je weten hoe te antwoorden, Alya. Je bent mijn dochter.
Een dreunende gongslag… Ik druk mijn voorhoofd tegen de koude steen en wacht op wat komen gaat. Terwijl het geluid tergend langzaam wegsterft, bonst mijn hart zo luid dat ik me afvraag of de gezanten voor mij het zullen horen.
Voetstappen doorbreken de stilte. Even nadat ze ophouden klinkt een stem.
‘Jullie mogen staan.’ Meer niet.
Ik hoor de drie gezanten overeind komen. Geen van hun gezichten herkende ik toen ik achter hen de paleiszaal werd binnengeleid. Naar hun namen kan ik enkel gissen. Vader zal hen ongetwijfeld kennen, maar ook hij wist tot op dit ogenblik niet wie de emir zou uitkiezen om in het verre Navarra namens hem te spreken.
‘Jij ook, Alya.’
Als verdoofd gehoorzaam ik. Ik sta op, maar houd mijn blik op de vloer gericht.
‘Kijk mij aan,’ zegt Abd Al-Rahman. ‘Ik wil de gezichten van al mijn gezanten kunnen zien.’
Bedoelt de emir mij? Al ben ik natuurlijk geen gezant, op de een of andere manier denk ik van wel. Voorzichtig richt ik mijn hoofd op en kijk naar de troon.
Ik had het bij het rechte eind. Abd Al-Rahmans ogen zijn recht op mij gericht. Ze zijn helderblauw… Dat zie ik zelfs van deze afstand. Hoe is dat mogelijk? Meteen hoop ik heel erg dat hij mijn verbazing niet opmerkt.
Is er een duidelijk verschil tussen de bovenstaande fragmenten? Kan iemand aangeven wat er fantastisch of historisch is en waarom? Ik ben benieuwd of daar reacties op komen.
Mijn volgende blog zal gaan over de wonderbaarlijke wijze hoe ik voor het lange verhaal van Alya een uitgeverij vond, of beter gezegd hoe een uitgeverij mij vond…
Eerste papieren bundel Historische Verhalen
De website ‘Historische verhalen’ is nu ruim een jaar ‘in de lucht’. Om dat te vieren verscheen vorige week de eerste jaarbundel met de 27 verhalen die in 2016 gepubliceerd werden. Het is een prachtige bundel geworden. De eerste recensie (meteen vijf sterren!) verscheen op
http://www.graaggelezen.blogspot.nl/2017/01/historische-verhalen-2016.html
Mijn verhaal, ‘De laatste dagen van een god’, speelt in het Rome van de eerste eeuw na Christus en is hier te vinden: http://www.historischeverhalen.nl/laatste-dagen-god/
Begin februari volgt op de website een tweede verhaal van mijn hand. De titel is ‘Gilberts oor’ en het speelt zich af in het Gent van de late middeleeuwen.
Wie mijn vorige blog gelezen heeft, is misschien nieuwsgierig naar de vraag hoe het er intussen met ‘Schaduwlanden’ voor staat. Om te beginnen gaat die titel sneuvelen, omdat die niet uniek is. Wat het wel wordt, is nog even afwachten. Ik laat het op deze plaats en op mijn Facebookpagina weten als het zo ver is. Ik verwacht wel dat in elk geval de naam van mijn hoofdpersonage (Alya dus) er in voor gaat komen. Verder blijft het ook voor mij nog even afwachten. Ik heb de ruwe versie van het complete manuscript namelijk afgelopen maandag naar de uitgever gestuurd. Natuurlijk wordt mijn verhaal daar eerst uitgebreid bekeken voordat er definitief witte rook oftewel groen licht komt. Ik zou het zelf ook niet anders willen.
Zo gauw er meer bekend is (bijvoorbeeld de beoogde publicatiedatum) wijd ik er een wat langere blog aan.
Wordt vervolgd!
Schaduwlanden – Het beginidee
Schaduwlanden komt er echt, had ik al bijna boven dit blog geschreven. Maar ik mag niet liegen en houd daarom toch maar de noodzakelijke slag om de arm. Ik heb er wel degelijk alle vertrouwen in dat Schaduwlanden ergens in 2017 uitgegeven wordt, maar definitief wordt dat pas als de uitgeverij (Mozaïek dus) na de eerste redactieronde het groene licht geeft. Ik moet het in dat redactieproces dus wel nog even waar gaan maken…
Op Facebook had ik het nieuws dat een uitgeverij mijn verhaal in principe adopteert al eerder gemeld. Binnen een dag kreeg ik zo’n honderd reacties, deels van familie en kennissen, maar toch vooral van mensen die zelf ook schrijven. Het bewijst nog eens ten overvloede dat schrijvers sociaal zijn, dat ze elkaar willen helpen en vooral dat ze elkaar iets gunnen, zeker als het om een nieuwe uitgave gaat.
Via dit blog ga ik mijn volgers, schrijvers of niet-schrijvers, met enige regelmaat op de hoogte houden van het schrijf- en uitgeefproces van Schaduwlanden, vanaf het eerste idee voor het verhaal (intussen een paar jaar geleden) tot aan het eerste berichtje van de uitgeverij (nu drie weken geleden) en alles wat daarop gaat volgen. Dat is veel te veel voor één enkele blog en over wat gaat volgen weet ik natuurlijk nog lang niet alles. Ik begin dus maar gewoon bij het begin, stop als het voor vandaag lang genoeg is en ga in een volgende blog vrolijk verder waar ik gebleven was…
Het eerste idee
Als mensen weten dat je schrijft is (althans in mijn geval) de meest gestelde vraag ‘Hoe kom je op het idee?’ of ‘Hoe begin je aan een verhaal?’ Misschien is dat meteen ook wel de zinnigste vraag. Bijna elk verhaal wordt immers geboren uit een allereerste ingeving, die al dan niet een vervolg krijgt, vaker niet dan wel. Bij mij sterven minstens negen van de tien ideeën (en waarschijnlijk meer) een vroegtijdige dood. Ik vergeet ze simpelweg óf ik sla ze op in mijn digitaal archief als ik denk er ooit nog iets mee te kunnen doen.
Bij mij werkt het zo dat als ik eenmaal een beginidee heb dat me bevalt er al snel een soort kettingreactie op gang komt. Welk hoofdpersonage koppel ik aan dat idee? Een man? Een vrouw? Jong? Oud? Welk eerste beeld krijg ik van dat personage? Daarop volgt bij mij pas de setting van het verhaal en nog later de uitwerking van een plot.
Er zijn ook schrijvers die in grote lijnen omgekeerd werken. Ze hebben eerst en vooral een bepaalde setting voor ogen en gaan dan pas nadenken over de vraag welke personages ze in hun zelfgeschapen verhaalwereld loslaten en welke problemen die voor hun kiezen krijgen. Bij fantasy werkt dat nogal eens zo. Niet voor niets wordt in dat genre vaak over ‘world building’ gesproken. Eerst wordt er een wereld bedacht met alles er op en er aan, is dan in grote lijnen de gedachte. Daarna zien we wel verder. Al heb ik ook fantasy geschreven en zelfs een bundel in dat genre uitgebracht, zo deed ik het tot nu toe nooit en doe ik het ook niet bij Schaduwlanden.
Toch heeft die fantasy in zekere zin tot mijn beginidee voor Schaduwlanden geleid. Dat ging als volgt. In de jaren 2013 en 2014 schreef ik in tegenstelling tot nu meer fantastische dan historische verhalen, ook met het oog op mijn fantasybundel die eind 2014 verscheen. Na het uitkomen daarvan nam ik mij voor om naast al die korte verhalen nu eindelijk ook eens aan een verhaal van romanlengte te beginnen, een heel oud plan, waar ik al jaren mee rondliep, maar waar het om de meest uiteenlopende redenen nooit van gekomen was.
Toen ik eenmaal de knoop had doorgehakt en mijzelf de opdracht gaf om eindelijk eens de daad bij de gedachte te voegen, was de eerste vraag die ik mijzelf stelde welk genre ik zou kiezen. Dat lijkt best een lastige vraag te zijn, want er bestaan vele genres en subgenres. In mijn geval viel het erg mee omdat al die genres op twee na pijlsnel afvielen. Aspiraties voor een ‘literaire roman’ had en heb ik niet. Thrillers en misdaadverhalen liggen dan wel erg goed in de markt, maar ik lees ze zo goed als nooit. Dan is het waarschijnlijk geen goed idee om ze wel te gaan schrijven. Ik zou daar met 99 % zekerheid geen potten mee gaan breken, Om een lang verhaal kort te maken, er bleven slechts twee genres over, genres die ik graag lees en waarin ik het liefste schrijf. Ik zou dus óf een fantastisch óf een historisch verhaal gaan schrijven.
Uiteindelijk was die keuze snel gemaakt. Zelfs een schrijver moet af en toe ook een beetje praktisch kunnen denken. Dat deed ik dan ook. Toen ik me afvroeg in welk van die twee genres de kans het grootst was om een aansprekende uitgever te vinden, kwam ik eigenlijk meteen bij een historisch verhaal uit en wel om twee redenen. Ten eerste is het een genre dat zeker in Nederland beter in de markt ligt dan fantasy, ondanks al die succesvolle boeken en verfilmingen van Tolkien, Rowling of Martin. De tweede en voor mij minstens zo belangrijke reden om niet voor fantasy te kiezen was dat de grote Nederlandse uitgevers vooral voor de zekerheid van bekende namen uit de Angelsaksische landen kiezen, enkele uitzonderingen zoals Natalie Koch of Thomas Olde Heuvelt daargelaten. Voor historische verhalen is dat in veel mindere mate het geval.
Goed, dat besluit was genomen. Het zou dus een historisch verhaal gaan worden. Is het zo simpel? Ja en nee. Natuurlijk is het schrijven van een goed boek, dat ook nog eens goed verkoopt, helemaal niet simpel. Maar bij mij is het wel zo dat het probleem niet zo zeer in de ideeën zit; die heb ik meer dan waar ik ooit iets mee zal kunnen doen, maar simpelweg in het oppakken en uitwerken van een van die ideeën en daarna niet meer ophouden met schrijven tot het verhaal er staat. Is het zo eenvoudig? Ja, soms wel…
Maar… nu heb ik van alles verteld, maar nog altijd niet wat die fantasy nu eigenlijk met mijn idee voor een historisch verhaal van doen heeft. Dat zit zo. Fantasyverhalen worden in veel gevallen gedragen door een zogenaamd ‘magisch element’. Soms wordt dat op een wel erg simpele manier ingezet en trekt eenvoudigweg de magiër met de beste toverstaf en de krachtigste spreuken uiteindelijk aan het langste eind. Natuurlijk is dat een karikatuur van het genre. Een goede fantasyschrijver weet er iets heel wat originelers en vooral boeienders van te maken. In welk genre dan ook kun je nu eenmaal goede of slechte, ingenieuze of onnozele verhalen schrijven. Waar het hier om gaat, is dat je in een historisch verhaal je hoofdpersoon niet zoals bij fantasy een magische gave mee kunt geven waarmee hij of zij zich uit elke netelige situatie kan redden, bijvoorbeeld door zich op elk gewenst moment onzichtbaar te maken. Doe je zoiets toch, dan ben je fantasy in een historisch jasje aan het steken. Dat kan absoluut een leuk en lezenswaardig verhaal opleveren, maar dat mag je in geen geval nog een historische roman noemen.
Na mijn besluit om te kiezen voor een historische roman, ging ik nadenken over de mogelijkheid om geen toverkunsten, maar een weliswaar zeldzame, maar toch normale gave in te zetten. Die zou ik mijn hoofdpersoon dan mee kunnen geven om onderweg naar de ontknoping met meer kans op succes allerhande bedreigingen het hoofd te bieden. Ik overwoog en verwierp allerlei mogelijkheden, van acrobatische gaven tot een fotografisch geheugen. Pas toen ik bedacht dat ik een historisch verhaal wilde schrijven waarin veel gereisd wordt (vraag mij niet waarom!), viel het kwartje. Wie lang reist, bezoekt in de regel meerdere landen en heeft al gauw meerdere talen nodig om te kunnen communiceren. Dat werd mijn ei van Columbus. Mijn hoofdpersoon moest dat op kunnen lossen met de gave om binnen de kortste keren een nieuwe taal te leren. Dat komt slechts sporadisch voor, maar het is wel degelijk een gave die bestaat en die dus ongetwijfeld ook in een ver verleden bestaan zal hebben. Dat gegeven werd een van mijn startpunten voor de plot van Schaduwlanden.
Wat nog meer? Dat bewaar ik voor mijn volgende blog, waarin ik het onder andere ga hebben over de tijd en de setting die ik voor mijn verhaal koos en de redenen die ik daarvoor had. Dat gaat een stuk problematischer worden. Waarom? Omdat het lastig is om veel over een verhaal te vertellen zonder van alles bij voorbaat weg te geven. Dan hebben we het dus over die beroemde, beter gezegd beruchte ‘spoilers’ die je moet zien te vermijden. Over dat probleem ga ik eerst maar eens rustig nadenken voordat ik aan die volgende blog begin. 😉
Schaamteloze zelfpromotie voor auteurs
Nee, die titel heb ik dus niet zelf bedacht… Het is de naam van een schrijfworkshop op zondag 15 oktober, waarvoor ik mij zonet heb opgegeven. Waar? Imagicon Ede. Tijd? 11.30-12.30 uur.
Wie het nieuws over die dag miste, maar wel interesse heeft, kan alle informatie vinden op de website en/of facebookpagina van Imagicon.
Dat ‘Schaamteloze zelfpromotie voor auteurs’ (let wel, zónder vraagteken) gaf mij heel wat stof tot nadenken. Ja, ik heb wel eens ergens gelezen dat een schrijver schaamteloos zou moeten schrijven. Daarmee wordt bedoeld dat je je nooit moet laten leiden of zelfs maar beïnvloeden door de angst voor ‘wat men er wel niet van zal zeggen’, maar dat je compromisloos alles moet opschrijven waarvan je vindt dat het in je boek thuishoort, al is het voor jezelf of anderen nog zo confronterend of choquerend.
Of dat voor alle auteurs een wijs advies is, laat ik even in het midden. Laat ik het er op houden dat ik nooit iets heb geschreven en nooit iets verwacht te zullen schrijven waarbij ik werkelijk al mijn schaamte opzij moet zetten…
Hij of zij die de titel van die workshop bedacht heeft, zal de inspiratie denkelijk geput hebben uit die discussie over hoe je zou moeten of mogen schrijven. De impliciete strekking of stelling is dan dat ook bij het promoten van je boek schaamte alleen maar lastig en onnodig is. Gooi al je remmingen overboord, geef je verbeelding alle ruimte en laat je pennenvrucht op elke mogelijke manier op de wereld los. Zoiets…
Waarom wijd ik eigenlijk een blog aan een onderwerp als zelfpromotie? De reden is simpel. Ik schrijf. Ik zou heel graag willen dat wat ik schrijf door zo veel mogelijk mensen gelezen wordt, niet omdat het geld oplevert (dat doet het hoogst zelden), maar omdat het mij het gevoel geeft iets gepresteerd te hebben dat echt de moeite waard is. Dat zoiets banaals mijn belangrijkste drijfveer is om stug verder te schrijven, geef ik schaamteloos toe…
Hoe graag ik ook zou willen dat een goed verhaal (ja, dat vinden we toch allemaal van wat we schrijven…) zichzelf verkoopt, zo werkt het in de regel niet. Zonder de juiste promotie op het juiste moment blijft ook een goed verhaal of boek onbekend en anoniem, begrijp ik uit allerhande interviews met redacteuren van toonaangevende uitgeverijen.
Mijn eerste conclusie is nogal deprimerend. Zelfs als je iets schrijft dat in alle opzichten bijzonder en lezenswaardig is, dan nog ben je nergens zonder een uitgever die iets in je ziet en die weet hoe je de promotie aan moet pakken. Hoe groot is die kans voor een onbekende auteur? Klein. Heel klein. Dat weten we allemaal en toch schrijven we stug door en blijven we hopen, de meesten van ons tegen beter weten in.
Ik heb al wat open deuren over het hoe, wat en waarom van promotie voor je schrijfsels ingetrapt, maar wat vind ik er nu eigenlijk zelf van? Wat doe ik ermee? Nou ja, de wijsheid heb ik niet in pacht, maar voor mijzelf houd ik wel een paar vuistregels in acht. Of die ook voor anderen nuttig zijn? Wie weet. Reacties zijn welkom.
- Blijf vooral jezelf. Als je (zoals ik) niet zo’n uitbundig en extravert iemand bent, probeer je dan niet geforceerd anders voor te doen dan je bent. Dat werkt voor geen meter en prettig voel je jezelf daar ook niet bij.
- Promoot alleen als er iets te promoten valt. En dan bedoel ik dat je een (reguliere) uitgever gevonden hebt en zeker weet dat je boek (of verhaal) er ook echt gaat komen. Zo lang het niet zo ver is, kun je best af en toe iets vertellen over het schrijfproces of over je zoektocht naar een uitgever, maar dan is het niet slim om hoog van de toren te blazen. Te veel bescheidenheid is misschien lastig, maar te weinig ook. Ik werk nu met enige tussenpozen vanaf februari aan een lang historisch manuscript (ergens tussen de 150.000 en 200.000 woorden) en dan frustreert het soms dat zoiets zo’n extreem lange weg betekent, zeker voor iemand die voorheen vooral korte verhalen schreef. Maar klagen doe ik niet. Voor die weg koos ik nu eenmaal zelf.
- Te veel bescheidenheid helpt je niet, maar het tegenovergestelde werkt ook tegen je. Een boek uitbrengen is tegenwoordig geen kunst en zeker geen bewijs dat je een ‘echte’ schrijver bent. Publiceren is door alle technische vernieuwingen veel eenvoudiger en goedkoper geworden. Sterker, als je hoe dan ook je boek gepubliceerd wil zien, lukt je dat altijd wel tegen een redelijke prijs. Maar wat is dat waard? Ik houd (misschien ook weer tegen beter weten in) als principe aan dat een reguliere uitgeverij genoeg brood in mijn verhaal moet zien om het risico van een uitgave op zich te nemen. Moet ik zelf investeren om mijn boek uitgegeven te krijgen, dan hoeft het voor mij niet meer. Dat is geen kwestie van gierigheid, maar van principe. Is er geen behoefte aan wat ik schrijf, dan hoeft het er wat mij betreft ook niet te komen. Maar nu denk ik misschien te star? De tijd zal het leren.
Zomermanuscripten
Grrr… even niet nagedacht. Welke sukkel stuurt nu net bij het uitbreken van de zomervakantie een manuscript naar een uitgever, uitgerekend op een dag waarop het kwik in heel Nederland de dertig graden passeert? Ja, Hay dus… Het is altijd al afwachten geblazen, maar nu al helemaal. Naast alle bekende redenen waarom je in de regel maanden moet wachten komen er nu nog een paar mogelijke reacties van uitgevers/redacteuren bij:
- Hay van den Munckhof? Nooit van gehoord. Dat bekijken we ergens in de herfst wel.
- Kom op. Vanavond ga ik mijn koffers pakken. Op vakantie lees ik alléén waar ik zin in heb. Wat denken ze wel?
- Alles wat in juli of augustus binnenkomt, gaat begin september naar de stagiaires, anders verzuipen we na de vakantie in het werk.
Misschien ben ik nu te somber, maar ik heb mijn twijfels. Niets menselijks is redacteuren vreemd, vrees ik.
Niet dat ik geloof dat het insturen van een manuscript puur een loterij is. Dat verhaal hoor ik nog wel eens, maar ik geloof er geen woord van. Als dat zo was, werkte ik me niet de blubber aan een verhaal van 160.000 woorden. Ik ben er van overtuigd dat als je iets geschreven hebt dat het uitgeven waard is en het niet te snel opgeeft, al die energie ooit iets op zal leveren. En is dat uiteindelijk niet zo? Dan moet je eerlijk genoeg zijn om onder ogen te zien dat je misschien toch net niet goed genoeg bent voor een reguliere uitgever. Zeker is dat dan overigens niet, want helaas krijg je zelden te horen om welke reden je manuscript wordt afgewezen. In de meeste gevallen blijft het bij een standaardmededeling, bij sommige uitgevers gevolgd door het (wat mij betreft hoogst irritante) advies om het maar eens bij Brave New Books te gaan proberen. Nee dus! Ik ga voor een echte uitgave of anders helemaal geen uitgave. Een tussenweg is er voor mij niet, want aan een POD-uitgave begin ik onder geen enkele voorwaarde en aan uitgeven in eigen beheer denk ik ook niet, al ken ik een paar mensen voor wie dat laatste wel degelijk een succesvolle route was. Er bestaat niet één weg die voor ieder voor ons naar Rome leidt en al helemaal niet als het om iets als schrijven gaat.
Wie het bij een reguliere uitgeverij niet redt, is nogal eens geneigd om daar chagrijnig op te reageren. Men denkt dat alleen bekende namen een kans maken of dat er niet serieus naar de manuscripten op de slushpile gekeken wordt. Dat geloof ik niet. Uitgeverijen zijn juist bang om tussen al die kansloze manuscripten dat ene juweeltje van een nieuweling te missen. Natuurlijk, van veel manuscripten worden enkel de eerste pagina’s of zelfs slechts een paar alinea’s gelezen. Maar dat lijkt mij niet meer dan logisch. Waarom zou een redacteur energie en kostbare tijd verspillen aan een verhaal dat taalkundig al in de eerste zinnen rammelt of waar na enkele pagina’s nog altijd geen spoor van een rode lijn in te ontdekken valt?
Kritiek op redacteuren vind ik voor een auteur dan ook verspilde energie en in de meeste gevallen onterecht. Volgens mij zijn zo goed als alle redacteuren van serieuze uitgeverijen (dus niet van POD-uitgeverijen die enkel aan winst denken) bevlogen en betrokken mensen, die niet zonder taal en boeken zouden kunnen leven. Dat moet wel. Anders ben je simpelweg niet geschikt voor zo’n job. Het zijn ook mensen die je haarfijn in enkele zinnen uit zouden kunnen leggen waarom ze je boek al dan niet publicabel vinden. Maar helaas, zoals hierboven al vermeld, dat doen ze bijna nooit. Waarom eigenlijk niet? Soms kunnen enkele zinnen voor de betreffende auteur al heel verhelderend zijn en een stimulans om het niet op te geven. Ik noem er voor de vuist weg een paar:
- Uw manuscript is verdienstelijk geschreven, maar past helaas niet in ons fonds. Kijk heel goed naar dat fonds als u het bij een andere uitgeverij wilt proberen.
- Wij achten uw manuscript publicabel, maar helaas krijgen wij elk jaar meer publicabele manuscripten binnen dan wij redelijkerwijs uit kunnen geven. Wij moeten daarom keuzes maken.
- Helaas achten wij uw manuscript in deze vorm niet publicabel, omdat … (het taalkundig nog niet het vereiste niveau heeft… een duidelijke verhaallijn ontbreekt… enzovoort)
Sommige uitgeverijen nemen af en toe de moeite om een dergelijke korte toelichting te geven. De meeste niet en ik begrijp dat eigenlijk wel. Vooral in het laatste geval (als een manuscript dus duidelijk te licht bevonden wordt) kun je er gif op innemen dat heel wat zich miskend voelende auteurs aan de bel trekken en de redactie met verontwaardigde mails of telefoontjes bestoken.
Wie zo reageert? Nee, ik niet natuurlijk. Ik blijf in dat geval uiteraard de rust zelve… Nou ja… ???
55 woorden-verhalen
Dit jaar ben ik blijkbaar een schrijver van uitersten. ‘Schaduwlanden’ (zie mijn vorige post) dreigt uit te dijen tot ver boven de 100.000 woorden. Ik sta nu op 55.000 woorden en ben denk ik nog niet eens halverwege…
Maar blijkbaar heb ik daarnaast ook enig talent om het superkort te houden. Enkele maanden geleden deed ik mee aan de 55-woordenwedstrijd van Schrijverpunt, Blogger en Take this Script. Tot mijn aangename verrassing sleepte ik tussen meer dan zeshonderd inzendingen een vijfde plaats in de wacht. Vanaf begin mei is de bundel in alle boekhandels verkrijgbaar.
Hieronder de link, in dit geval naar Bol. Zelf haal ik de bundel gewoon bij de plaatselijke boekhandel. Dat is beter, tenminste voor wie het (zoals ik) belangrijk vindt dat er zo veel mogelijk echte boekwinkels blijven!
https://www.bol.com/nl/p/55-woordenverhalen/9200000058098691/
Ik ga het stukje dat vijfde werd (‘Volgende’) hier niet plaatsen. Veel liever zie ik natuurlijk dat iemand daarvoor de bundel koopt. Een stimulans daarbij is wellicht dat van elk exemplaar een flink deel van de opbrengst bestemd is voor de Stichting Lezen en Schrijven. Daarom moet ik ook als auteur gewoon mijn eigen bundel kopen. Bij andere wedstrijden doe ik niet mee als geplaatste auteurs niet minimaal één gratis exemplaar krijgen. Maar voor het goede doel maak ik uiteraard een uitzondering.
Om mijn volgers toch iets te laten proeven van de wedstrijd en de inhoud van de bundel, plaats ik hieronder een viertal stukjes, die ik ook voor de wedstrijd instuurde, maar die het niet haalden. Dat kon ook niet, want de organisatie besloot om van geen enkele auteur meerdere stukjes te selecteren.
Honger
‘Breng je mij naar het Drakeneiland zonder me op te vreten? Ik weet dat draken nooit liegen.’
‘Akkoord.’
De loeiende wind blaast mij bijna van haar rug. Spoedig zie ik het Drakeneiland opdoemen. Chalyssa koerst op een bergtop af.
‘Waar landen we?’ schreeuw ik.
‘Op mijn horst natuurlijk,’ roept Chalyssa. ‘Mijn kinderen hebben honger.’
Wortelen
‘Ashadrila, hoorde je het? Rauwe mensen zijn giftig voor draken.’
‘Wat! Mijn man lust ze alleen maar rauw.’
‘Mensen zijn aaseters. Ze laten hun vlees dagenlang liggen.’
‘Lichtjes roosteren misschien?’
‘Helpt niet. Je moet ze maandenlang bewaren. Dan hebben ze al dat gif uitgescheten.’
‘Dan gaan ze dood.’
‘Niet als je ze wortelen voert.’
Vamps
‘Carmilla!’
‘Schreeuw niet, mam.’
‘Het wordt al licht!’
‘Ja sorry. Als je aan het drinken slaat, is het lastig om op te houden. Ik ben bij Sangina gebleven, zoals ik beloofde.’
‘Jullie denken al echte vamps te zijn, maar jullie zijn nog maar pubers.’
Ik lach mijn tanden bloot. ‘Maar zijn bloed was zalig…’
Verdwaald
Een zonnestraal!
Verschrikt zoek ik de schaduw op. Wat doe ik hier? Wegwezen…
Doorntakken scheuren mijn jurk aan flarden.
Als de duisternis valt, zie ik een late wandelaar. Ik lik langs mijn gebarsten lippen.
‘Dorst, meisje?’
‘Ja…’
Hij vangt mij op.
Mijn dorst is gelest. Zijn ogen glanzen in het maanlicht.
‘Waarheen?’ vraagt hij.
Schaduwlanden
Even uitleggen waarom het zo stil blijft op mijn website. De reden is erg simpel. Ik schrijf en wil doorschrijven…
Voor het eerst sinds ik schrijf, besef ik dat als je een verhaal wilt vertellen (en zeker als dat zoals nu een lang verhaal wordt) je dat verhaal achter elkaar op moet schrijven en niet met tussenpozen van weken of zelfs vele maanden, zoals ik voorheen deed. Ik las dat wel in schrijfboeken, maar echt doordringen deed dat advies niet. Nu wel. Natuurlijk is er een reden voor die omslag en die heet de ‘ZZ-Marathon’. Via de website/schrijfgroep Zinniger Zinnen wordt elk jaar in maart een marathon georganiseerd waarbij de deelnemers een maand lang elke dag 750 tot 1000 woorden moeten produceren. Dat is niet alles. Je wordt als deelnemer óók geacht om de verhalen van een aantal ‘medemarathonners’ elke dag opnieuw bij te lezen en van zinnig commentaar te voorzien. Die afspraak blijkt voor mij de perfecte medicijn om mij aan het schrijven te krijgen en aan het schrijven te houden. Ik zit nu (12 april 2016) op iets van 40.000 woorden en denk straks in de buurt van de 80.000 uit te gaan komen. Het plan is om uiterlijk half mei de eerste ruwe versie te hebben staan. Daarvoor moet ik wel nog even vol aan de bak. 😉
Wat voor verhaal gaat het deze keer worden? Wie mij een beetje volgt, heeft misschien al begrepen dat ik van overwegend fantasy geleidelijk de overstap maak naar historische verhalen voor jeugd en/of YA. In dat genre hoort ook ‘Schaduwlanden’ (voorlopig een werktitel) thuis. Het verhaal speelt in het Al Andalus (het emiraat van Cordoba) van de negende eeuw, waar op dat moment Abd Al-Rahman II regeert. Het verhaal draait om Alya, de dochter van de hofmeester, die de zeldzame gave bezit om binnen de kortste keren een nieuwe taal te leren. Die gave is voor een belangrijk deel de ‘motor’ van het verhaal en blijkt behalve een zegen ook een vloek te kunnen zijn…
Hieronder volgen vast twee korte fragmenten om de sfeer te proeven, uiteraard zonder spoilers… 😉
Fragment 1
Er is iets met vader. Gisteren vermoedde ik dat alleen nog maar. Nu weet ik het zeker. Ik zie het aan de manier waarop hij binnenkomt, aan zijn zwijgen tijdens de maaltijd en bovenal aan de manier waarop hij de laatste dagen naar mij kijkt. Hij maakt zich zorgen, zorgen om mij. Ik voel het in mijn hart. Waarom in Allah’s naam? Ik ben er zeker van dat Omar tevreden is over mijn vorderingen. Berbers en Hebreeuws beheers ik intussen zo goed dat geen enkele woordspeling mij ontgaat. Ik spreek het intussen bijna net zo snel als het Arabisch van Al Andalus. Alleen de taal van de barbaren uit de gebieden ten noorden van de Tajo en Ebro blijf ik lastig vinden. Nou ja, eigenlijk kan ik daar niet zo veel aan doen. Vader schonk mij in het begin van de lente een eigen slavinnetje uit het verre Navarra, niet alleen omdat ik daar intussen met mijn veertien jaar oud genoeg voor ben, maar ook om mij te helpen de taal van haar land te leren. Helaas is Oncha om de een of andere vreemde reden doodsbang voor mij. Hoe ik ook mijn best doe om het meisje op haar gemak te stellen, ze blijft mij maar met haar grote blauwe angstogen aanstaren. In plaats van normaal te praten, zoals ik van haar vraag, mompelt ze maar wat binnensmonds. Oncha moest eens weten wat voor mazzel ze had om voor een zacht prijsje in ons huis opgenomen te worden. De handelaar uit Saragusta die haar meenam naar Qurtuba, bracht haar namelijk eerst naar de eunuchen die de harem van de emir beheren. Om de een of andere reden keurden die haar af. Waarom? Ik zou het niet weten. Oncha is welgevormd en zeker niet lelijk. Bovendien is ze helblond, iets waar de emir net als al zijn voorgangers dol op is. Een keer heb ik Oncha gedwongen om haar sluike goudgele lokken ter vergelijking naast mijn gitzwarte krullen te houden. Het contrast kon werkelijk niet groter zijn. Oncha werd er nog verlegener van dan ze al is, ook al glimlachte ik nog zo vriendelijk naar haar.
Fragment 2
‘Vrede zij met allen die hier bijeen zijn om de wil van emir Abd Al-Rahman aan te horen.’
In de grote paleiszaal klinkt vaders stem vreemd hol, alsof hij van een enorme afstand tot ons spreekt. Maar dat is helemaal niet zo. Van de plek voor de estrade, waar ik op eerbiedige afstand achter de drie gezanten neerkniel op de koude mozaïekvloer, kan ik zijn gezicht duidelijk zien, ja zelfs de neutrale hofmeesterblik waarmee hij naar ons kijkt.
Vanuit mijn gebogen houding waag ik het om een korte blik te werpen op de lege troon. In gedachten herhaal ik vaders woorden van vanmorgen.
Emir Abd Al-Rahman is een man van beschaving. Heb daarom geen angst in zijn nabijheid, Alya. Bedenk wel dat hij zelden andere vrouwen ziet dan die in zijn harem of hun slavinnen. Als hij de gezanten toestaat om overeind te komen, blijf jij waar je bent. Richt je alleen op als Abd Al-Rahman dat beveelt. Ik verwacht niet dat hij jou vragen zal stellen. De emir kent je talenten. Hij zal waarschijnlijk enkel zijn gezanten toespreken om hen zijn instructies mee te geven. Mocht hij je toch aanspreken, dan zul je weten hoe te antwoorden, Alya. Je bent mijn dochter.
Een dreunende gongslag… Ik druk mijn voorhoofd tegen de koude steen en wacht op wat komen gaat. Terwijl het geluid tergend langzaam wegsterft, bonst mijn hart zo luid dat ik me afvraag of de gezanten voor mij het zullen horen.
Voetstappen doorbreken de stilte. Even nadat ze ophouden klinkt een stem.
‘Jullie mogen staan.’ Meer niet.





