Madeliefje

Tussen mijn schrijfblogs door ga ik hier met enige regelmaat een verhaal of verhaalfragment plaatsen, soms een ouder verhaal, soms iets van recenter datum. Niet alles wat ik ooit schreef, kan ik daar zonder meer voor gebruiken. Soms heeft een uitgever voor een bepaalde tijd het publicatierecht op een verhaal. Het komt ook voor dat je met de samensteller van een bundel afspreekt om je verhaal voor een bepaalde tijd, meestal een half of een heel jaar, niet elders (dus ook niet op je eigen blog) te publiceren. Dan nog blijven er genoeg verhalen over om er hier met enige regelmaat een te plaatsen. Reacties zijn welkom, want (opbouwende) feedback is altijd nuttig voor een auteur.
Het eerste verhaal in de reeks (hoe lang die wordt, weet ik nog niet…) is ‘Madeliefje’. Met dat verhaal won ik vorig jaar de wedstrijd SweekStars2018 in de categorie kort verhaal. Wie wil weten wat Sweek is en hoe dat digitaal verhalenplatform werkt, kan zich eenvoudig via de volgende link registreren: https://sweek.com/nl/ Nodig is dat niet, want het verhaal volgt hieronder.

Madeliefje

Vroeg in de morgen kom ik aan in het stadspark. Met mijn fototas loop ik naar de vijveroever. Gisteren lag ik hier in de late zomerzon te lezen. Toen ik van mijn boek opkeek, zag ik kort een diamanten schittering. Eerst dacht ik aan een libel, maar libellen maken geen menselijk klinkende geluiden. Ik durf te zweren dat iets of iemand mij in mijn gezicht uitlachte en er daarna als een schicht vandoor ging.
Waar gistermiddag mijn boek lag, zet ik nu een ministatief neer. Ik ga liggen en stel mijn telelens scherp op een groene kikker, die luidkeels zit te kwaken. Als de slijmerige herriemaker even zijn bek houdt, trekt een tinkelend geluidje mijn aandacht. Vlak voor mij, op een waterlelieblad, zit een feeëriek wezentje met goudblonde lokken, de benen gekruist en de handen op haar knieën. Ze kijkt mij aan en treft mij recht in het hart.
Als de camera klikt, lacht ze een verleidelijk lachje, werpt mij een kushandje toe en schiet weg als een zoemende bij, haar fluorescerende vleugels glinsterend als duizend minuscule saffieren.

Na die dag spookt het feetje door mijn dromen en beheerst ze mijn gedachten. Mijn vrienden zie ik niet meer en mijn studie verwaarloos ik. Steeds vreemdere smoezen bedenk ik om mijn ouders uit te leggen waarom ik er zelfs bij hondenweer elke dag op uit trek, om pas uren later terug te keren, soms doornat en tot op het bot verkleumd. Twee keer zie ik een flits van het feetje, maar dat kan mij niet troosten. Integendeel, ik raak steeds meer van zinnen. Zo kan ik niet verder leven…
Ten einde raad ga ik met mijn kostbaarste schat, de foto van het feetje, naar de enige persoon die mij misschien kan helpen. In heel de stad staat zij bekend als Trees de Heks, maar zelf noemt zij zich natuurlijk niet zo. ‘Trees Petuna’ staat er op het naambordje naast de voordeur en ‘Praktijk voor holistische bloesemtherapie’. Haar huis ligt pal achter de parkvijver en heeft een tuin vol uitbundig bloeiende planten.
Trees leidt mij naar de keuken. Een bezem zie ik nergens, maar op de magnetron zit wél een zwarte kater, die vervaarlijk blaast en met een geklauwde poot naar mij uithaalt.
Ik negeer het beest en laat mijn foto zien. ‘Al mijn spaargeld heb ik over voor een spreuk die haar menselijke afmetingen geeft, mevrouw,’ bezweer ik haar.
Trees lacht kakelend. ‘Zeg maar gewoon tante Petunia,’ zegt ze. ‘Dat doet mijn hele familie. Maar, mijn beste jongen, dacht jij werkelijk dat je de eerste bent ? Ik zal je uit de droom helpen. Dit jaar ben jij nummer honderddertien. En dan nog iets. Wat je ook biedt, ik kan en wil geen feetjes groter maken dan ze zijn. Maar… misschien kan ik je toch helpen. Voor het geld dat je bij je hebt, kan ik wél het tegenovergestelde met jóu doen.’

Vol verwachting spring ik in de vijver en zwem naar het blad waar het feetje zit. Meteen vliegt zij op. Als ik me op het blad gehesen heb, schreeuw ik het uit van frustratie. Dat had ik beter kunnen laten. Vlak voor mij breekt iets door de waterspiegel. Ik kijk in de ogen van de groene kikker. Een projectiel schiet op mijn hoofd af. Om de kikvorstong te ontwijken, spring ik in een reflex opzij en duik onder. Als een lijkkleed sluit de gifgroene waterspiegel zich boven mij. Een luide plons klinkt achter mij… Panisch zwem ik weg van het amfibische monster. Tegen een mansdikke rietstengel kom ik tot stilstand. Ik negeer de pijn en verberg mij erachter. Net op tijd! Een reusachtige schaduw doemt op en glijdt langs de stengel.
Mijn longen dreigen te barsten. Ik móet omhoog. Als ik proestend bovenkom, zie ik het feetje op haar knieën aan de kant zitten. Ze steekt haar hand uit.
‘Snel,’ roept ze. ‘Hierheen! Moeder vergeeft het me nooit als dat beest je opvreet.’
In enkele slagen ben ik bij haar. Ze pakt mijn handen en trekt uit alle macht. Als ik hijgend op de kant lig, sleept ze me een stuk verder weg van de oever. Als ik omkijk, weet ik waarom.
Waar ik zo net bovenkwam, zie ik nu een groene kikkerkop …
‘Hoe heet je?’ vraag ik, als ik weer een beetje op adem ben.
‘Madeliefje,’ antwoordt ze. Ze zet haar handen in de zij en kijkt me schalks aan.
‘Waarom is je moeder zo bezorgd om mij?’
‘Daar zul je snel genoeg achter komen,’ zegt Madeliefje. ‘Maar voordat ik je aan haar voorstel, moet je er eerst een beetje toonbaar uitzien. Trek die vieze kleren uit.’
Ik ben zo overdonderd dat ik zonder protest gehoorzaam. Als mijn bemodderde spullen voor mij op de grond liggen, duiken er vanuit het niets twee andere feetjes op.
‘Geneer je niet,’ zegt Madeliefje. ‘Aster en Viooltje zijn mijn zussen. Wij doen altijd alles samen.’
Dat blijkt. In een mum van tijd smeren ze mijn lichaam in met zeepkruid. Daarna tronen ze mij mee naar een kleine waterval en spoelen me zorgvuldig af.
‘Ga staan,’ zegt Madelief. Precies tegelijk keren de drie zussen me de rug toe. Met hun razendsnel vibrerende gazen vleugeltjes drogen ze mij in een mum van tijd.
Als we het verborgen dorp achter de vijver binnenlopen, ben ik voldoende bij zinnen om me af te vragen wanneer ik nieuwe kleren krijg. Maar al word ik door iedereen aangestaard, niemand schijnt het raar te vinden dat ik in mijn blootje aan kom wandelen.
Op het dorpsplein staan tafels klaar en iets dat op een grote barbecue lijkt. Een baardige dwerg met een koksmuts komt ons tegemoet.
Pas als ik hoor wat Madeliefje roept, begint er in een hoekje van mijn geest langzaam iets te dagen.
‘Kijk eens wat ik hier heb! Nummer honderdveertien, alleen al dit jaar. Tante Petunia heeft het weer gefikst. Stook het vuur maar op, Glim. We hebben hem zonet van top tot teen gewassen. Hij is brandschoon.’
Nu pas zie ik de bijl aan de riem van de dwerg …

Schrijfjaar 2018 – een jaar vol primeurs

In de eerste week van het nieuwe jaar is het passend om met een terugblik van start te gaan. En ja, ik heb mijn website niet voor niets ‘Hay’s schrijfblog’ gedoopt. Ik ga het dus niet over het weer, de politieke ontwikkelingen of onze vakanties hebben. Ik laat het hieronder bij een overzicht (aan de hand van de covers) van wat 2018 me als schrijfjaar heeft gebracht. Dat waren de volgende zes publicaties:

Van links naar rechts:

1. Historische Verhalen Verzamelbundel II
In februari 2018 kwam de tweede jaarbundel van uitgeverij Historische Verhalen uit met de verhalen die in 2017 op de gelijknamige website zijn verschenen. Deze keer droeg ik twee van de twintig verhalen bij. Ze blijven allebei online te lezen:
Gilberts oor: https://www.historischeverhalen.nl/gilberts-oor-hay-munckhof/
Hisse: https://www.historischeverhalen.nl/hisse-hay-munckhof/

2. Alya
En toen werd het lente en kwam in april mijn eerste historische roman uit. Dat zie ik toch wel als het mooiste moment uit mijn schrijfleven, dat nu een jaar of vijftien geleden (ja, dus ná mijn vijftigste)van start ging met een schrijfcursus bij het LOI. Natuurlijk telt ook mijn eerste zelfstandige publicatie (dat was in 2010 het Vlaams Filmpje ‘IJstijd’) en ben ik ook nog altijd blij met ieder verhaal in een mooie bundel, maar een allereerste ‘echte’roman heeft toch net iets meer. Niet voor niets bedoelt men in het schrijfwereldje met het woord debutant in het algemeen iemand die zijn of haar eerste roman publiceert.

3. Achterblijvers
Op dit moment sta ik (niet ten onrechte) te boek als iemand die vooral historische verhalen en romans schrijft, met af en toe een uitstapje in de fantasyrichting. Maar toen rond het jaar 2005 mijn eerste korte verhalen uitkwamen, was die verhouding precies omgekeerd. Dat waren op een enkele uitzondering na fantasyverhalen. Tot 2014, toen ‘Traisha en het Ei’ bij uitgeverij EigenZinnig uitkwam, een bloemlezing uit mijn eerder gepubliceerde fantastische verhalen, is dat zo gebleven.
Waarom ik daarna de bakens in historische richting ging verzetten? Dat wordt in dit overzicht een te lang verhaal. Daar kan ik dus beter t.z.t. een nieuwe blog aan wijden. Laat ik het er hier op houden dat ik het schrijven van fantasy veel te leuk vindt om er helemaal mee te stoppen. Het helpt daarbij dat ik nog altijd af en toe een leuk ‘fantasysuccesje’kan vieren. Met ‘Naya’ het verhaal van een verdwaalde naiade (ik meng die fantasy graag met een scheut mythologie…) en mijn enige gepubliceerde fantasyverhaal van 2018 won ik in mei gelijk de jaarlijkse genrewedstrijd van Godijn Publishing.

4. Odi et Amo
Mijn verhaal in de jaarlijkse historische bundel van Godijn Publishing was in zekere zin ook een primeur. In 2017 won ik namelijk de schrijfwedstrijd waaruit elk jaar de verhalen voor de bundel worden geselecteerd. Vanwege de drukte rond mijn eerste romans haalde ik in 2018 de deadline niet. De uitgeefster loste dat op door me (uiteraard buiten mededinging) een extra verhaal te laten schrijven. Zo werd ‘De muren van Zhongdu’ mijn allereerste (misschien ook wel allerlaatste…) bonusverhaal.

5. Alya’s keuze
Dat hoort eigenlijk gewoon bij nummer twee, dus bij ‘Alya’. Ik schreef mijn tweeluik namelijk in eerste instantie als één verhaal. Dat uitgeverij Mozaïek (in goed overleg) besloot om er toch twee delen van te maken, had vooral praktische redenen waar ik hier verder niet over uitweid. Ook dat is meer iets voor een aparte blog. Hetzelfde geldt voor de reacties op mijn tweeluik. Ik beperk me er hier toe om te melden dat ik erg blij ben met de vele positieve recensies in een aantal boekenblogs, op Hebban en last but not least van NBD-Biblion.

6. Voyage au Valhalla
In de laatste maand van 2018 was er nog een leuke en bijzondere uitsmijter in de vorm van mijn eerste (hopelijk niet laatste…) vertaalde verhaal. Dat ging als volgt. Eind 2017 wist ik al dat ‘Naar het Walhalla’, een onvervalst vikingverhaal voor 10-13-jarigen, mijn tweede ‘Vlaams filmpje’ bij het Belgische Averbode zou worden. De Nederlandstalige versie komt in februari 2019 uit. Maar … de serie ‘Vlaamse Filmpjes’ (die intussen bijna 90 jaar bestaat!) heeft in een meertalig land als België een Franstalige tegenhanger, namelijk de ‘Récits Express’. En laat de redactie daarvan nu uitgerekend een historisch verhaal tekortkomen… In de regel laten ze die door Franstalige auteurs schrijven, maar in dit geval werd het dus een vertaling. Weer een primeur dus!

Als afsluiter een van de fraaie illustraties in ‘Voyage au Valhalla’ van de hand van Michael Vincent. Zie voor Michaels website: http://www.michaelvincent.be/

walhalla 03 - naar kaupang b

De recensie van NBD-Biblion

Het wachten op de NBD-Biblion-recensie van een nieuw boek is voor auteurs iedere keer opnieuw weer een spannend moment. Lezers begrijpen het waarom niet altijd. Daarom hieronder nog eens de twee belangrijkste redenen:

1. De meeste bibliotheken baseren hun bestellingen op de inhoud van die NBD-Biblion-recensie. Is die positief en is er een grote doelgroep voor het betreffende genre (in mijn geval historisch), dan volgt in de regel een flinke bestelling. Vooral voor debutanten is dat erg belangrijk, want het is een prima manier om wat meer naamsbekendheid te krijgen en zo op den duur ook via boekhandel en/of webshops meer boeken te verkopen.

2. Ook rechtstreeks heeft die recensie invloed, want de meeste grote webshops zoals de ‘dikke blauwe’ plaatsen ze meteen bij het boek. Op die manier is de NBD-Biblion-recensie waarschijnlijk de meest gelezen recensie van Nederland. Heel wat lezers weten ook dat het een objectieve (voor zo ver dat bestaat…) recensie is, terwijl sommige van die andere reacties (maar beslist niet allemaal…) uit het netwerk van de auteur komen en meer als steunbetuiging dan als een echte beoordeling gelezen moeten worden, iets wat trouwens ook bij een site als Hebban.nl speelt. Daar zie je ook vaak grote verschillen tussen de beoordeling van de Hebban-recensent en de reacties van andere lezers.

Mijn laatste roman (‘Alya’s keuze’) is nu acht weken uit. Dat is zo’n beetje de gemiddelde tijd, die je op de recensie moet wachten, dus ik verwacht die in de loop van deze week te zien verschijnen.
Gelukkig heeft NBD-Biblion er wel iets op gevonden om de recensie meteen digitaal voor de bibliotheken te verwerken, zodat die een titel desnoods dezelfde dag nog kunnen bestellen (zie infographic van NBD-Biblion hieronder).

Wedstrijd rond ‘Alya’ en ‘Alya’s keuze’ – looptijd 21 oktober t/m 21 december

Nu de donkere weken van november en december voor de deur staan, traditioneel de beste tijd voor de boekenverkoop, wordt het tijd om de promotie van mijn tweeluik (‘Alya’ en ‘Alya’s keuze dus) serieus aan te pakken.
Mijn idee: Een variant op een winactie, deze keer in wedstrijdvorm.

De spelregels zijn als volgt:

• Schrijf over een of beide delen van mijn tweeluik (‘Alya’ en/of ‘Alya’s keuze dus) een originele en boeiende bespreking. Natuurlijk mag je het ook een recensie noemen, al ben ik zelf altijd een beetje voorzichtig met dat woord. Een recensie hoort voor mij zo objectief mogelijk te zijn. Als, zoals in dit geval, het doel de promotie van een boek is, kun je nog altijd eerlijk zijn, maar echt objectief? Ik denk het niet…

• Natuurlijk moet je hiervoor deel een (‘Alya’) en/of deel twee (‘Alya’s keuze) gelezen hebben. Dat kan ook via de bibliotheek. Het is wel mogelijk dat je dan moet reserveren, want enig googelwerk leert mij dat de meeste bibliotheken, met name de grotere, beide delen al in hun collectie hebben, maar ook dat daarvan continu zo’n 80% is uitgeleend. Dat is misschien lastig, maar voor mij als auteur natuurlijk ook mooi om te weten. 😉

• De lengte is vrij. Iedereen kan bedenken dat je met een bespreking van een of twee zinnen niet veel kans zult maken, maar verder gaat het me meer om kwaliteit dan kwantiteit. Een aansprekende, nieuwsgierig makende en originele bespreking van tien zinnen maakt dus absoluut meer kans dan een lang en ‘vlak’ verhaal. Verder moet het vooral eerlijk overkomen. Je verdient dus géén extra punten door ‘Alya’ en/of ‘Alya’s keuze’ kritiekloos de hemel in te prijzen…

• Plaats die bespreking op een plek waar het lezers bereikt. Dat kan op een lezerswebsite als Hebban of Goodreads, maar ook op ieder ander geschikt digitaal platform, zoals een van de bekende boekenwebshops zoals de ‘dikke blauwe’. Het kan ook een eigen blog zijn, mits je dat dan wel met regelmaat gebruikt om nieuwtjes en/of recensies over boeken te plaatsen. Besprekingen die alleen jou en je directe kennissenkring bereiken, bijvoorbeeld als ze alleen op je persoonlijke facebookpagina staan, tellen dus niet mee. Bij twijfelgevallen roep ik de hulp van mijn vrouw in om de knoop door te hakken. 😉

• Stuur de link of links (als je gaat voor de bonusprijs; zie hieronder) naar je geplaatste bespreking/recensie naar het volgende emailadres: hayvandenmunckhof@ziggo.nl

• De wedstrijd loopt tot en met vrijdag 21 december. De uitslag volgt zo snel mogelijk, maar in ieder geval vóór het nieuwe jaar.

• Wanneer precies je de bespreking in de komende twee maanden plaatst, doet er niet toe. Het mag meteen al, maar alles is goed zolang ik maar op 21 december voor 24.00 uur je mail met link(s) binnenkrijg.

• Iedere deelnemer stuur ik na ontvangst van de inzending zo snel mogelijk een bevestigingsmail.

• De uitslag plaats ik voor 1 januari 2019 hier, dus op mijn website, en daarnaast in elk geval op mijn FB-pagina. De vier winnaars krijgen daarnaast persoonlijk bericht.

• Naam en adresgegevens zijn pas nodig als je bij de winnaars hoort. Uiteraard zijn de portokosten dan voor mijn rekening.

De prijzen:

1e prijs
Drie boeken (zie afbeelding en toelichting onder de post) naar keuze.

2e prijs
Twee boeken naar keuze

3e prijs
Een boek naar keuze

Bonusprijs
Drie boeken naar keuze.
De bonusprijs gaat naar de deelnemer die zijn/haar bespreking op de meeste digitale platforms (zie het derde punt van de spelregels) heeft geplaatst. Bij een eventuele gelijke stand laat ik de kwaliteit van de bespreking de doorslag geven. Wie voor de bonusprijs in aanmerking wil komen, moet alle betreffende links in één mail naar hayvandenmunckhof@ziggo.nl sturen. Als dat in een serie losse mails gebeurt, wordt het namelijk erg onoverzichtelijk en brengt het te veel werk met zich mee.

Tot slot:
Op veel plekken waar je een recensie/bespreking plaatst moet je ook een beoordeling in sterren geven, in de regel van minimaal een tot maximaal vijf sterren. Denk vooral niet dat je meer kans maakt als je ‘Alya’ of ‘Alya’s keuze’ overal vijf sterren geeft, al mag dat uiteraard wel… Ik hecht veel meer waarde aan een eerlijke, originele en onderbouwde bespreking dan aan dat aantal sterren.

En o ja, het delen van deze wedstrijd, op welk platform dan ook, wordt natuurlijk op prijs gesteld…

Hieronder de negen boeken waaruit de prijswinnaars kunnen kiezen, met daaronder de link naar een recensie.

1. Alya – Uitgeverij Mozaïek 2018
http://www.cravingpages.com/review/alya-van-hay-van-den-munckhof/

2. Alya’s keuze – Uitgeverij Mozaïek 2018

3. Historische verhalen uit de Gouden Eeuw – Uitgeverij Historische Verhalen 2017
https://www.hebban.nl/boeken/historische-verhalen-gouden-eeuw
4. Historische verhalen – jaarbundel 1 2016 – Uitgeverij Historische Verhalen 2017
https://www.hebban.nl/boeken/historische-verhalen-27-korte-geschiedenisverhalen-nienke-pool
5. Historische verhalen – jaarbundel 2 2017 – Uitgeverij Historische Verhalen 2018
https://www.hebban.nl/boeken/historische-verhalen
6. Anno Domini 892 – Godijn Publishing 2017
https://www.hebban.nl/boeken/anno-domini-892
7. Odi et Amo – Godijn Publishing 2018
https://conniesboekenblog.nl/2018/10/13/boekpresentatie-odi-et-amo/
8. Achterblijvers – Godijn Publishing 2018
https://www.hebban.nl/boeken/achterblijvers
9. Traisha en het Ei – Uitgeverij EigenZinnig 2014
https://www.hebban.nl/recensies/tanja-krone-over-traisha-en-het-ei
10. Ganymedes 17 – Stichting Fantastische Vertellingen 2017
https://www.hebban.nl/recensies/johan-klein-haneveld-over-ganymedes-17

In de drie bundels van ‘Historische verhalen’ (nummer 3. 4 en 5) staan vier van mijn korte historische verhalen. ‘Historische verhalen uit de Gouden Eeuw’ was ook een schrijfwedstrijd, waarbij ik met het verhaal ‘Chan-mi’ met een tweede plaats in de prijzen viel.

Nummer 6 en 7 zijn ook wedstrijdbundels, in dit geval met enkel verhalen die in de middeleeuwen spelen. In 2017 deed ik met twee verhalen mee. Die haalden allebei de bundel ‘Anno Domini 892’. Met het verhaal ‘Umars opdracht’ won ik die editie van de wedstrijd. Daarom mocht ik voor de editie van 2018 een bonusverhaal schrijven. Dat is ‘De muren van Zhongdu’ geworden, het enige verhaal in de bundel dat niet in Europa speelt, maar in het Mongolië en China ten tijde van Djengis Khan.

Nummer 8, 9 en 10 zijn echte titels voor de fantasyliefhebbers. De oudste van de drie is de verhalenbundel Traisha en het Ei, meteen mijn enige zelfstandige publicatie voor volwassenen tot aan mijn tweeluik van dit jaar. In die bundel heb ik mijn beste verhalen uit mijn fantasyperiode verzameld. Helemaal waar is dat niet, want al schrijf ik nu vooral historisch, het fantastische genre vind ik te leuk om het helemaal te laten liggen. Een of twee keer per jaar schrijf ik daarom nog een verhaal voor een fantasywedstrijd die me de moeite waard lijkt. De wedstrijd ‘Achterblijvers’ won ik dit jaar zelfs met een door de Griekse mythologie geïnspireerd verhaal over een verdwaalde naiade. Tot slot had ik vorig jaar een primeur met mijn eerste verhaal in Ganymedes, het al vanaf de jaren ’70 uitgegeven jaarboek voor Nederlandse verhalen in het fantastische genre.

Leesfragment ‘Alya’s keuze’ – Hoofdstuk 1

Mijn uitgever plaatst (meestal) ergens in de maand voor het uitkomen van een nieuw boek de eerste hoofdstukken online, onder andere op de bekende webshops. Bij ‘Alya’, deel een van mijn tweeluik, waren dat hoofdstuk een en twee, in totaal zo’n twintig boekpagina’s.             

Vooruitlopend daarop begin ik op mijn website met een wat bescheidener fragment van ‘Alya’s keuze’, namelijk met hoofdstuk 1, wat ongeveer acht boekpagina’s beslaat. Het lijkt mij ruim voldoende om al iets van de sfeer te proeven, die toch net iets anders is dan in deel een, omdat Alya in het slotdeel niet als een slavin, maar als een vrije vrouw door het leven gaat. Die vrijheid is overigens betrekkelijk, maar meer dan dat verraad ik natuurlijk niet…

 

PS: Wie eerst deel een wil lezen, kan onderstaand fragment beter nog even overslaan!

 

 

 1

 

In mijn hoofd is enkel nog plaats voor pijn. Het licht dat me omhult, is zo fel dat ik mijn ogen stijf dichtknijp. Dit moet een boze droom zijn. Als ik wakker word, ben ik thuis in Qurtuba en lig in mijn eigen bed. Straks komt Oncha om me te wassen, te kammen en te helpen met aankleden. Daarna ga ik samen met vader ontbijten.
Vlak onder me klotst water. Dat hoort natuurlijk ook bij die droom. Toch lijken mijn voeten nu echt nat te worden. Moeizaam open ik mijn ogen. Tegen de strakblauwe hemel boven me zweven twee grote meeuwen voorbij. Maar er zijn helemaal geen meeuwen in Qurtuba. Alleen in de haven van Qadis heb ik die als kind ooit gezien.
Een doordringende geur van bloed en zweet vult mijn neusgaten en beneemt me bijna de adem. Moeizaam draai ik mijn hoofd een stukje en kijk omhoog. Een lange, rossige baard vult mijn blikveld.
‘Hoe krijgt Hamar dat toch voor elkaar,’ klinkt een stem heel dichtbij. ‘Zelfs als hij bijna afgemaakt wordt, lukt het hem om de mooiste meisjes aan de haak te slaan. Ze komen op hem af als vliegen op de stront. Deze hier was niet bij hem weg te slaan.’
‘Dat laatste was anders precies wat je deed,’ klinkt een tweede stem. ‘Ze had geluk dat Hamar nog bij kennis was.’
‘Zij misschien wel,’ moppert de roodharige krijger, ‘maar ik niet. Ik mag haar nu meesjouwen naar het schip.’
Die woorden helpen me terug te keren in de echte wereld. Alsof ergens in mijn geest een luikje wordt geopend, komen een voor een de beelden van het Friese strand weer naar boven. Hoe ik Hamar vond en erin slaagde om hem te verbinden, hoe de twee wolfshonden zich op Rimbert stortten en hem de strot doorbeten, en ja, vooral het moment waarop ik me realiseerde dat er geen weg terug meer was naar mijn leven bij Alfgarde en dat ik haar waarschijnlijk nooit meer zou zien. Waar kwam toch die plotselinge drang vandaan om tegen elke prijs het leven van die Vikingjongen te redden?
Opnieuw word ik me bewust van de kloppende pijn in mijn achterhoofd, het bewijs dat die tweede krijger de waarheid sprak. Als dank voor mijn hulp sloeg die roodharige bruut me neer toen hij me naast Hamar aantrof.
Hoe zou het nu met Hamar zijn? Heeft hij misschien te veel bloed verloren om te overleven? Er komt een nogal zelfzuchtige gedachte bij me op. Wat zijn Hamars woorden nog waard als hij dood is?
‘Leeft Hamar nog?’ vraag ik. Waarom zou ik verzwijgen dat ik hun taal spreek?
Ook al zijn we bijna bij de drakar, toch staat de man die me draagt na mijn woorden meteen stil. Voor het eerst kijkt hij me aan. Zo kan ik eindelijk zijn hele gezicht zien. Dat straalt een en al verbazing uit.
‘Hamar overleeft het wel,’ antwoordt de roodharige man, ‘een krijger uit Vestfold moet je minstens twee keer doden voordat hij sterft.’
Hij richt zich tot iemand naast hem. ‘Hoe is het mogelijk?’ zegt hij. ‘Er zijn genoeg Friezen die naar Kaupang reizen om er handel te drijven en de meesten van hen spreken ook onze taal, maar als dit meisje een Friezin is, ben ik een paard.’
Ik probeer mijn hoofd wat verder opzij te draaien om te zien waar Hamar is. Een nieuwe pijnscheut flitst door mijn hoofd. Voor mijn ogen dansen bonte vlekken die langzaam overgaan in een diep zwart. Opnieuw sluit ik mijn ogen.
Dan zijn er handen die mijn armen vastpakken en me omhoog sleuren. Mijn blote benen schuren pijnlijk langs een hard, ruw oppervlak. Overal om me heen hoor ik stemmen, maar ik wil er niet naar luisteren, laat staan erop reageren. Ik wil alleen maar dat die handen me snel weer loslaten. Als ze me gewoon ergens neerleggen en me verder met rust laten, dan wordt die vreselijke hoofdpijn misschien wat minder.
Even later gebeurt dat waarop ik hoop. Ik voel een harde bodem onder mijn rug, laat alle gedachten los en glijd opnieuw weg in vergetelheid.

Als ik voor de tweede keer ontwaak, is de ergste pijn verdwenen. Enkel een zwaar, bonkend gevoel ergens achter in mijn hoofd herinnert er nog aan. Ik neem me voor om me voorlopig zo min mogelijk te bewegen. Liever gebruik ik alle energie om mijn gedachten te ordenen en mijn zintuigen weer normaal te gebruiken. Om de paar tellen is er onder in mijn maag een vreemd, wee gevoel. Dan lijkt het heel even of ik zweef.
Ik wil weten wat die rare gewaarwording veroorzaakt en open mijn ogen. De boeg van de drakar rijst en daalt in een vast ritme op en neer, waardoor ik de ene keer de hemel zie en de andere keer een donkergroen stuk water vol schuimkoppen. Dan moeten we dus op volle zee zijn. Daar was ik al een keer eerder, op het slavenschip dat me samen met Yanti uit Barcelona naar het land van de Franken voerde. Maar dat was heel anders, toen was de zee rustig en leken we bijna over het water te glijden.
Stemmen hoor ik nog maar af en toe, en niet langer op luide toon. De boorden links en rechts zijn heel dichtbij. Blijkbaar lig ik vlak bij de voor- of achtersteven. Boven me is de hemel niet langer blauw, maar loodgrijs. Waarschijnlijk varen we dus al een hele tijd, want een heldere hemel betrekt niet van het ene moment op het andere. Zou ik een hele dag geslapen hebben? Dat zou best kunnen, want ik heb vreselijke dorst. Ik laat mijn tong over mijn lippen glijden. Die voelen ruw en kurkdroog aan.
Naast me kreunt iemand. Meteen staan al mijn zintuigen op scherp. Als dat geluid van Hamar komt, leeft hij in elk geval nog. Deze keer draai ik heel langzaam en voorzichtig mijn hoofd. Het gaat al een stuk beter dan bij mijn vorige poging.
Het is inderdaad Hamar die naast me ligt. Hij ziet bleek, maar is wel bij kennis. Zijn ogen zijn open en hij kijkt naar de hemel. Blijkbaar heeft hij mijn blik niet opgemerkt.
‘Hamar…’ Ik schrik van mijn rasperige stem. Zelfs dat ene woord bezorgt me al een hoestbui.
Hamar draait nu ook zijn hoofd, zodat we elkaar in de ogen kunnen kijken. Hij zwijgt en kijkt me een tijd onderzoekend aan. Zou hij nog wel weten wie ik ben?
‘Alaja,’ zegt hij ten slotte.
‘Alya, ik heet Alya,’ reageer ik meteen. Ik ben bang dat hij het nooit meer goed uitspreekt als ik hem niet meteen corrigeer. Naast Yanti’s kraal en de restanten van mijn kleding is die naam het enige dat ik nog bezit.
‘Alya, waar komt dat bloed vandaan?’
Bloed? Waar heeft Hamar het over? Bedoelt hij zijn eigen verwondingen? Maar hij kijkt wel degelijk naar mij. Als ik voorzichtig aan mijn wang voel, weet ik waarom. Mijn huid is daar ruw en korrelig. Ik bekijk mijn vingertoppen. Die zijn roodbruin van het geronnen bloed.
‘Ik geloof dat iemand me sloeg toen ze ons vonden,’ antwoord ik.
‘Dat kan alleen maar Knut geweest zijn. Die gebruikt eerst zijn vuisten en denkt dan pas na. Zo gauw ik weer op mijn benen kan staan, zet ik het hem betaald.’
‘Dat hoeft niet,’ antwoord ik. ‘Knut heeft me daarna naar het schip gedragen.’
Hamar lacht zwakjes om mijn woorden. ‘Dat deed hij anders bepaald niet vrijwillig.’
Nu ben ik er bijna zeker van dat hij zijn verwonding gaat overleven. Wie de dood in de ogen kijkt, praat niet zoals Hamar doet.
Iemand loopt naar ons toe. Het is Knut, de roodharige krijger die mij in opdracht van Hamar tegen zijn zin naar het schip droeg. Zou hij ons gehoord hebben? In dat geval heeft hij een onwaarschijnlijk scherp gehoor.
‘Ik sloeg haar alleen maar om te voorkomen dat ze ervandoor ging,’ zegt hij. ‘Ze leek me de moeite waard om mee naar Vestfold te nemen. Je waarschuwde me net iets te laat, Hamar.’
Ik krijg niet bepaald de indruk dat Knut veel spijt heeft van zijn rake klap. Dat hij er zich desondanks voor verontschuldigt, bewijst dat Hamar ondanks zijn jeugdige leeftijd de positie heeft om hem te straffen. Ik vermoed dat Hamar de zoon van een belangrijke aanvoerder is.
Hamar kijkt Knut aan en grijnst zowaar even. ‘Leuke poging,’ zegt hij, ‘maar zo makkelijk klets je jezelf er niet uit. Voor straf mag je de rest van de reis voor ons eten en drinken zorgen.’
Meteen na die woorden sluit hij zijn ogen en laat zijn hoofd weer op het dek zakken. Niet alleen bloed, maar ook het meeste van Hamars kracht lijkt op dat Friese strand te zijn weggevloeid.
Knut kijkt me nu nog nieuwsgieriger aan. Hij zal het wel vreemd vinden dat Hamar zich druk maakt om een meisje dat in zijn ogen enkel krijgsbuit is. Hij loopt naar het midden van de drakar, waar de meeste krijgers rustig zitten te praten. Het schip wordt niet langer geroeid. De wind zal inmiddels uit de juiste richting komen.
Al snel is hij terug met een kruik, twee houten kommen en een paar donkere plakken die ik niet meteen thuis kan brengen. Eerst gaat hij naar Hamar. Daarna zet hij een kom water naast mij neer en reikt me een van die plakken aan. Het blijkt een stuk gedroogde vis te zijn. Dat leg ik voorlopig in mijn schoot. Voorzichtig pak ik de kom en zet die aan mijn lippen. Al heb ik nog zo’n dorst, ik drink langzaam en met kleine slokjes om te voorkomen dat mijn maag het niet verdraagt en ik alles weer uitspuug. Wanneer mijn ergste dorst is gelest, pak ik de vis en knabbel er voorzichtig aan. Het smaakt erg zout, maar ik verwacht niet dat ik de rest van de reis iets beters zal krijgen. Ondanks mijn weerzin eet ik alles achter elkaar op. Gelukkig heb ik wat water bewaard, zodat ik het zout uit mijn mond kan spoelen.

De schemering valt en het wordt snel kouder, zeker als in de loop van de middag de wind aantrekt. De meeste mannen hebben een mantel omgeslagen. Een paar van hen staat op en wijst naar ons. Even later komt Knut aanlopen met een grote deken.
‘Ik heb iets gevonden wat groot genoeg is voor jullie beiden,’ zegt hij met een brede grijns. In een vloeiende beweging drapeert hij de deken over ons heen. ‘Kruip maar lekker tegen hem aan, meisje. Dan kun je er vast aan wennen dat het jouw taak wordt om hem ’s nachts warm te houden.’
Ik reageer niet. Tijdens mijn tocht met Einirs drakar over de Rijn heb ik genoeg gehoord om niet langer van dat soort ruige praat te schrikken.
Pas als de deken tot aan mijn kin over me heen ligt, merk ik hoe verkleumd en stijf ik ben, zeker nu mijn benen nog steeds bloot zijn, omdat ik Hamar met de stof van mijn broekspijpen heb verbonden. Ik klappertand en sla de armen om mijn lichaam. De planken onder mijn rug lijken wel een klomp ijs. Het zou al een beetje helpen als ik een stuk van die deken onder mijn rug kon krijgen. Ik probeer het, maar daarvoor is de deken niet groot genoeg. Ik zou hem van Hamars lichaam trekken.
Dan rest me dus maar één ding. Gewoon doen wat Knut voorstelde… Nu lig ik nog een eind van Hamar af. Als ik me tegen hem aan nestel, profiteer ik van zijn warmte. Dat idee gaat zo in tegen alles wat ik was en wat ik nog altijd denk te zijn, dat het me heel even de adem beneemt. Bewegingloos staar ik naar de donkere hemel. Vergeefs… al pijnig ik mijn hersenen nog zo, het levert geen enkele bruikbare gedachte op.
Mijn lichaam besluit zomaar ineens om het van mijn geest over te nemen. Ik draai me op mijn zij en werk me langzaam naar Hamar toe. Hij ligt op zijn rug en ademt zwaar, maar regelmatig. Aan welke arm had hij die wond ook weer? Als ik mijn ogen sluit en me inspan om het beeld terug te halen van die bloedende jongen in het duinzand, weet ik het weer. Het is zijn rechterarm. De snee begon bij zijn schouder en eindigde vlak boven zijn elleboog. Op zijn zij liggen, zeker op zijn rechterzij, mag hij nu niet. Ik hoop maar dat hij zich in zijn slaap niet onbewust naar die kant draait.
Hamar beweegt eventjes. Ik ben nu zo dichtbij dat zijn linkerhand langs mijn buik strijkt. Het is maar heel licht en toch veroorzaakt het een tinteling die door mijn hele lijf trekt. Mijn verstand schreeuwt me toe dat dit niet kan, niet mag en dat ik snel weer weg behoor te schuiven. Als ik door een man overweldigd word, kan ik daar weinig tegen beginnen, maar Allah verbiedt het zijn dochters streng om zich vrijwillig over te geven aan iemand die niet in de boodschap van zijn profeet gelooft, in dit geval niet eens een jood of een christen, maar iemand die vreemde, duivelse goden aanbidt. Het eeuwige hellevuur wacht me als ik toegeef aan wat mijn lichaam zo overduidelijk wil: zich stevig tegen de heiden naast me aan vlijen.
Hamar trekt zijn hand terug. Ik zou opgelucht moeten zijn en Allah danken voor zijn onverwachte hulp. Maar zo gaat het helemaal niet. Er is enkel en alleen een allesoverheersende teleurstelling.
Dan is Hamars hand er opnieuw en blijft op mijn bovenbeen rusten. Ik draai me onmiddellijk op mijn rechterzij en sla mijn linkerarm over Hamars borst. Ik zet al mijn aarzelingen opzij, kruip tegen hem aan en werk met mijn andere hand het stuk deken dat daardoor vrijkomt onder mijn lichaam.
Net als dat van Knut ruikt Hamars lichaam naar bloed en zweet, maar het is bovenal heerlijk warm. Met een zucht laat ik mijn hoofd op zijn ongeschonden schouder zakken. Het ritme van zijn ademhaling is rustgevend. Ik dein erop mee…

 

Alles op een rijtje 3 – Mijn historische verhalen

Gisteren kondigde ik het al aan. Bij de laatste van mijn drie blogs, waarin ik mijn historische verhalen de revue laat passeren, zou ik meer vooruit dan achteruit kijken. Over wat ik de afgelopen jaren aan historische verhalen produceerde, heb ik immers al een flink aantal blogs volgeschreven. Deze keer laat ik het bij de covers plus een korte toelichting, nu eens niet chronologisch maar per uitgever.

Wat mijzelf opvalt als ik de covers van mijn historische publicaties op een rijtje zie, is dat het allemaal heel overzichtelijk is en ook nog eens perfect aansluit bij mijn schrijfvoornemens voor de rest van dit en de eerste helft van volgend jaar. Verder dan hooguit een jaar vooruit plannen is niet heel erg zinvol, heb ik intussen meer dan eens ervaren. Daarover meer op het eind van deze blog, waar ik een voorzichtige poging doe om toch dat jaar vooruit te plannen, voor wat het waard is dus…

Mijn zelfstandige publicaties en korte verhalen, zowel wat al is uitgegeven als wat nog ‘in de pijplijn zit’, zijn keurig verdeeld over vier uitgevers. Zoals het er nu voorstaat, ga ik die ook alle vier trouw blijven. Sterker, bij alle vier zitten er dit of volgend jaar een of meer nieuwe publicaties aan te komen.  Nu ik toch bezig ben met dat op een rijtje zetten maak ik ook hier maar een overzichtje van:

  1. Uitgeverij Averbode 
    In 2011 werd ‘IJstijd’, een prehistorisch jeugdverhaal, bij de Vlaamse uitgeverij Averbode mijn eerste zelfstandige publicatie. In november 2018 (de Franstalige versie) en in februari 2019 (de Nederlandstalige versie) wordt ‘Naar het Walhalla’, een onvervalst Vikingverhaal, de opvolger. Of mijn kersvers verhaal voor het schooljaar 2019-2020 ook uitgegeven wordt, weet ik nog niet, al heb ik goede hoop. De titel mag ik niet noemen, want Vlaamse Filmpjes (zo heet die serie) worden via een jaarlijkse wedstrijd, de Averbodeprijs geheten, geselecteerd en die wedstrijd loopt nog.
  2. Godijn Publishing
    Vanaf 2015 organiseert Godijn Publishing een wedstrijd voor verhalen die in de middeleeuwen spelen. In 2015 haalde mijn inzending de wedstrijdbundel, Zwaarden van knoflook’ en in 2017 verschenen allebei mijn verhalen in ‘Anno Domini 892’, waarvan ‘Umars opdracht’ tevens de wedstrijd won. Dit jaar verschijnt mijn bijdrage (nu eens een verhaal dat niet in Europa speelt, maar in het Mongolië van Djengis Khan) buiten de wedstrijd om als bonusverhaal. Een leuke bijkomstigheid is dat ik door de uitgeefster ben uitgenodigd om in oktober, bij de feestelijke uitslag en prijsuitreiking in Hoorn, iets te vertellen over het schrijven van historische verhalen.
  3. Uitgeverij Historische Verhalen
    Begin 2016 ging de gelijknamige website van start. Iedere twee weken werd daarop een kort historisch verhaal geplaatst, oorspronkelijk met een maximum van rond de 1500 woorden, wat geleidelijk werd verruimd tot rond de 3000 woorden. Ik was er als de kippen bij om die nieuwe publicatiemogelijkheid voor korte historische verhalen te benutten, zeker toen in de loop van 2016 het besluit viel om na elk kalenderjaar ook een papieren bundel uit te gaan geven. In de bundel van 2016 staat een en in die van 2017 twee van mijn verhalen. Om dat komend jaar te herhalen, moet ik nog wel een nieuw verhaal insturen, maar dat zit intussen al in de uitbroedfase… Sinds vorig jaar geeft Historische Verhalen ook thematische bundels uit. Voor een daarvan, ‘Korte verhalen uit de Gouden Eeuw’ werd een wedstrijd uitgeschreven. Daarbij werd ik tweede met ‘Chan-mi’, het verhaal over een op de kust van Korea gestrande Hollandse scheepsjongen. Voor volgend jaar of het jaar daarop zit er nog meer in het vat. Daarover straks iets meer bij de afsluitende samenvatting van mijn schrijfplannen voor 2018 en 2019.
  4. Uitgeverij Mozaïek
    Over ‘Alya’ en ‘Alya’s keuze’, mijn debuut als schrijver van historische romans, ga ik in deze blog niets meer vertellen. Het waarom heb ik al uitgelegd. Over mijn tweeluik bij Mozaïek heb ik de afgelopen maanden al heel wat blogs geplaatst. Dat ga ik niet nog eens dunnetjes overdoen. Ik laat het bij de mededeling dat ik nu de drukproef van deel twee controleer, dat over een paar dagen af hoop te ronden en dat ik daarna, pakweg vanaf 20 augustus, eindelijk de handen vrij heb voor nieuwe schrijfprojecten.

 

Wie A zegt, moet ook B zeggen. Hieronder volgt dus een manmoedige poging om mijn plannen voor 2018-2019 op een rijtje te zetten:

  1. Het restant van augustus 2018
    Wil ik ook begin 2018 de jaarbundel van Historische Verhalen halen (en ja, dat wil ik…), dan moet ik als de weerga een nieuw verhaal uitschrijven, herschrijven en insturen. Dat zou ook later nog kunnen, maar ja, uitstel wil nog wel eens in afstel uitmonden… Dat zou jammer zijn, want heel stiekem denk ik op termijn aan een eigen bundel met korte historische verhalen. Daar valt waarschijnlijk geen rooie cent mee te verdienen, maar gelukkig is dat niet niet mijn voornaamste motivatie.
  2. September 2018 tot en met januari 2019
    In die vijf maanden wil ik een poging wagen om binnen iets van 100.000 woorden de ruwe versie te voltooien van een volgende historische roman die als werktitel ‘Tuya’ heeft en zich afspeelt in het Mongolië en China van rond 1200. Een begin (de eerste zes hoofdstukken) en een synopsis heb ik al. Dan ben ik er voor mezelf vrij zeker van dat ik op den duur alles tussen dat begin en de al geplande ontknoping krijg ingevuld. De grote maar is natuurlijk of mijn uitgever er straks iets in zal zien. Dan gaat het niet alleen om de kwaliteit van een verhaal, maar ook om de vraag of het in het fonds past. Maar dat zijn vragen die je tijdens het schrijven van je af moet zetten, vind ik. Dat is pas aan de orde als je een verhaal naar tevredenheid hebt afgerond. Ook als een uitgever je vertrouwen geeft door je eersteling uit te geven, dan is dat sowieso nooit een garantie voor volgende verhalen en dat hoort het ook niet te zijn. Kortom, op dit moment kan ik er enkel het beste van hopen.
  3. Februari 2019
    Dit en vorig jaar gebruikte ik tussendoor de ‘stille momenten’ om ‘Winterwende’, een al voltooide prehistorische roman voor de YA-leeftijd, kritisch te herzien om aan een nieuwe, betere versie te gaan werken die als nieuwe werktitel ‘Ashki’ gaat krijgen. De eerste paar hoofdstukken plus de synopsis heb ik al herschreven. Begin volgend jaar wil ik graag de eerste 25.000 woorden van de herziene versie afkrijgen, zodat ik die samen met de ook herziene synopsis bij een uitgever aan kan bieden. Welke? Ik schat in dat het niet echt in het fonds van Mozaïek past, maar proberen kan natuurlijk altijd. Hier wordt mijn planning al meteen behoorlijk onzeker.
  4. Maart 2019
    Over die maand heb ik heel wat minder twijfels. Ieder jaar (nou ja, tot nu toe) schrijft Zinniger Zinnen, de schrijfgroep waar ik nu stiekem al bijna tien jaar lid van ben, in maart de ZZ-Schrijfmarathon uit, waarbij je elke dag van die maand minimaal 750 woorden van een nieuw verhaal moet schrijven. Komend jaar zou dat een perfecte gelegenheid zijn om in de maand maart een novelle van rond de 20.000 woorden te schrijven. Ik ben namelijk door uitgeverij Historische Verhalen benaderd om mee te werken aan een bundel met drie novellen, die waarschijnlijk de botsing tussen culturen als gevolg van het Europees kolonialisme als thema gaat krijgen. De marathon van maart zou me dwingen om dat op tijd af te ronden en verzekert me gelijk van feedback, want behalve schrijven moet je tijdens de maand van die marathon ook dagelijks wat zinnig commentaar leveren op de schrijfsels van een paar mededeelnemers.
  5. April-mei 2019
    De deadline van de Averbodewedstrijd (voor de serie ‘Vlaamse Filmpjes’) is ieder jaar rond 20 mei. Ook voor de editie 2019 wil ik weer een poging wagen om zo’n Vlaams Filmpje, liefst weer in historische sferen, binnen te slepen. Een goede maand zou (met voldoende inspiratie…) voldoende moeten zijn, want het zijn geen lange verhalen. Ze zijn gebonden aan een een maximum van een kleine 7000 woorden.

    Of ik dit allemaal ga redden? Nee, natuurlijk niet. Er is slechts één ding zeker. Het gaat zeker weten nooit zoals je dacht… 😉

Alles op een rijtje 2 – Diversen 2005-2018

Tja, wat moet je als lezer van een blog nu met een omschrijving als ‘diversen’? Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid weinig tot niets, dus ik zal maar razendsnel concreet maken wat ik er mee bedoel, om te beginnen door te laten zien wat ik gisteren onder de noemer ‘diversen’ zoal op een rijtje heb gelegd.

Helemaal compleet is bovenstaand rijtje niet. Omdat het oog ook wat wil, heb ik alleen de publicaties in boekvorm en met een ‘echte cover’ uit de jaren tussen 2005 en 2018 vastgelegd. Maar op de keper beschouwd mag ik daar nog vier eerdere publicaties aan toevoegen. Van medio 2002 tot en met 2005 volgde ik namelijk bij het LOI de cursus Creatief Schrijven, wat een gouden zet bleek te zijn, want zoals veel beginnende schrijvers was ik me er veel te weinig van bewust dat je bij schrijven de vorm nooit los kunt zien van de inhoud. Je kunt nog zo’n geweldig verhaalidee hebben, als je de bagage mist om dat idee met de juiste woorden en zinnen een aantrekkelijke vorm te geven, ben je nog nergens. Andersom geldt dat natuurlijk ook. Wie in prachtig en foutloos Nederlands een zouteloos verhaal zonder een greintje spanning vertelt, bereikt net zo min lezers.

Maar ik had het dus over die publicaties… Alle cursisten hadden de mogelijkheid om het resultaat van hun (in totaal dertig) lesopdrachten, meestal een kort verhaal of verhaalfragment, in te sturen voor LEI, de cursistenkrant. Van die mogelijkheid maakte ik vanaf het tweede cursusjaar (ik ben nu eenmaal iemand die eerst even de kat uit de boom kijkt) gretig gebruik en met succes, want van mijn vijf inzendingen werden er vier, in uiteenlopende genres waaronder natuurlijk ook weer fantasy en historisch, geplaatst. Onze docent verzekerde ons dat het wel degelijk om officiële publicaties ging. Waarom? Van elke LEI ging volgens de regels een exemplaar naar de KB om daar tot in lengte van jaren voor het nageslacht bewaard te worden.

Eerlijk gezegd verwacht ik niet om met terugwerkende kracht roem te vergaren met die eerste ‘echte publicaties’. Waarom ik het er dan toch over heb? De reden is dat ik een verrassende ontdekking deed toen ik mijn allereerste afgeronde verhaal in LEI nog eens herlas. Op het einde van de eerste pagina bleek de rode draad in mijn romandebuut, Alya’s gave om razendsnel een nieuwe taal te leren, helemaal niet voor het eerst in mijn hoofd te zijn opgekomen. Sterker, ook de Thaise Sujitra in onderstaand verhaalbegin moet het van dat talent hebben om in een vreemd en nieuw land (Nederland dus) het hoofd boven water te houden. Na ongeveer vijftien jaar was me dat glad ontschoten. Het verschil is het genre. ‘In het web’, met Sujitra dus als hoofdpersonage, is een onvervalst misdaadverhaal, het enige trouwens dat ik ook schreef.

Over de acht covers waarmee ik dit blog begon, zal ik korter van stof zijn. Anders wordt blog 2 zo lang dat een volgende opsplitsing in de vorm van blog 2A en 2B noodzakelijk wordt. 😉

‘Het geheim van de Reiziger’ en ‘Onder dieren’ waren het resultaat van de allereerste schrijfwedstrijden waaraan ik meedeed. Ik was geweldig trots dat mijn bijdragen meteen in de wedstrijdbundels opgenomen werden en voelde me gelijk een echte schrijver. Later hoorde ik bij toeval dat mijn prestatie niet echt wereldschokkend was. Ongeveer de helft van alle inzendingen had namelijk een plekje in die bundels veroverd…

De derde cover in het rijtje, de wedstrijdbundel 2009 van de Schiedamse schrijfwedstrijd Piet Paaltjens (een paar jaar geleden helaas ten grave gedragen) was al een iets noemenswaardiger prestatie, want die ‘twintig beste…’ werden door de jury gekozen uit bijna honderd inzendingen.

De twee eerste bundels uit de onderste rij, beide met de letters ZZ ergens in de cover verborgen, zijn een categorie apart. Vanaf 2009 (schat ik…) ben ik namelijk lid van de besloten schrijfgroep Zinniger Zinnen, waarin een wisselend aantal enthousiastelingen elkaar op alle mogelijke manieren ondersteunt via onder andere een forum, een onderdeel proeflezen, een jaarlijkse schrijfwedstrijd en niet te vergeten de ZZ-Schrijfmarathon in maart. Die laatste was de bakermat van ‘Alya’, want tijdens de schrijfmarathon van 2016 schreef ik de eerste 30.000 woorden van mijn eerste historische roman, waarna ik maar gelijk doorging totdat eind 2016 de teller stilstond bij iets van 140.000 woorden.
Een andere activiteit van Zinniger Zinnen is om periodiek (dus niet ieder jaar) samen een bundel uit te geven met pennenvruchten van ZZ-leden. De oplage is klein, maar als herinnering aan een jaar van samenwerking tussen mensen met allemaal dezelfde ‘schrijftic’ zijn die bundels me desondanks dierbaar.

‘In de voetsporen van de meester’ (de lezer mag aan de hand van de cover raden welke meester) is de voorlaatste cover. Met het verhaal ‘Handsfree’ haalde ik een mooie tweede plaats bij de jaarlijkse schrijfwedstrijd van uitgeverij LetterRijn, nu eens niet met een fantastisch of historisch verhaal, maar bij wijze van uitzondering met een ‘gewoon verhaal’, hoe vaag dat ook mag klinken.

En dan ’55 woorden verhalen’, de allerlaatste cover van het rijtje. Die bundel is een uitvloeisel van mijn gewoonte om tussen het schrijven van langere verhalen door voor de afwisseling af en toe echte kortjes te schrijven, vaak van 120 woorden (via de gelijknamige website; http://www.120W.nl ), maar af en toe nog korter, in dit geval van 55 woorden. In 2016 werd ik met onderstaand stukje vijfde uit een aantal van rond de 500 inzendingen bij de jaarlijkse 55-woordenwedstrijd. Puur rekenkundig bekeken was dat mijn beste (en dus ook kortste…) resultaat tot op heden.

Morgen volgt de derde en laatste blog in deze serie en wel over mijn historische verhalen van 2005 tot 2018, weer met de bijbehorende covers. Maar dat gaat met afstand de kortste blog van de drie worden. Over die historische verhalen, met name mijn tweeluik, heb ik de afgelopen twee jaar namelijk al zo veel blogs geplaatst dat ik al snel in herhalingen zou vallen. Ik denk dat ik daarom maar eens vooruit kijk en het vooral ga hebben over mijn schrijfplannen voor de komende jaren, want ja, die plannen zijn bijna zonder uitzondering ook weer in historische sferen…