Witte rook voor Alya

De witte rook waarop ik bijna een jaar zat te wachten is een paar dagen geleden dan eindelijk gekomen. Uitgeverij Mozaïek gaat ‘Alya’ opnemen in de voorjaarsaanbieding, wat inhoudt dat het ergens in de periode februari t/m juni 2018 uit zal komen.

Natuurlijk sprong ik bij dat nieuws een gat in de lucht. Al gebeurt het bij een reguliere uitgeverij zoals Mozaïek zelden dat een manuscript waarin al tijd (en dus geld) gestoken is op de route naar publicatie alsnog sneuvelt, mogelijk is het wel degelijk. Er kunnen altijd onvoorziene omstandigheden roet in het eten gooien. Daarbij moet je als auteur het in je gestelde vertrouwen tijdens de diverse redactierondes waar blijven maken. Geen enkel manuscript is meteen perfect en al helemaal niet als het, zoals in mijn geval, het allereerste manuscript van romanlengte is. In theorie zou ik het tijdens de volgende redactierondes (een heb ik er al achter de rug) dus alsnog kunnen verknallen, maar dat laat ik natuurlijk niet gebeuren…

Ik kreeg ook nog ander nieuws, namelijk dat Mozaïek definitief besloten heeft om ‘Alya’ niet als young adult, maar als een historische roman voor volwassenen uit te gaan geven. Op de redenen daarvoor ga ik hier nu verder niet in. Dat is misschien iets voor een van de volgende blogs, als ik daar meer over gehoord heb. Nu gaat het mij even om de gevolgen, niet enkel voor de komende redactieronde(s), maar ook voor de promotie, de cover, de flaptekst en nog wel wat zaken meer.
Ik moest echt wel even nadenken over de vraag of ik wel of niet blij moest zijn met de keuze van de uitgever. Daar ben ik intussen wel uit. Als ik alles op een rijtje zet, denk ik dat het bij een historische roman heel goed uit kan pakken. Heel wat volwassen lezers zullen boeken met een ‘YA-stempel’ aan zich voorbij laten gaan. Andersom speelt dat volgens mij veel minder. In cultuur en geschiedenis geïnteresseerde jongeren die graag en veel lezen zullen ook wel voor een ‘volwassen’ boek kiezen als het onderwerp hen interesseert en de recensies (hopelijk…) meehelpen.

Hoe gaat het nu verder? Dat is snel verteld. Volgende week heb ik een gesprek met de redacteur, waarbij het vooral over de volgende redactieronde zal gaan. Met wat ik dan hoor, ga ik weer met frisse moed aan de slag. Gelukkig heb ik bepaald geen hekel aan herschrijfwerk. Integendeel. Ik weet waarvoor ik het doe en ik realiseer me dat het boek er altijd beter door zal worden.
Wordt vervolgd… 😉

‘Alya’ en mijn verdere schrijven – Een update

Eind 2016 kreeg ik het mooie bericht dat uitgeverij Mozaïek met mij en met name met mijn historische roman ‘Alya’ in zee wilde gaan. Uiteraard sprong ik een gat in de lucht. Hoe vaak gebeurt het nu eigenlijk dat een schrijver die pas ver na zijn vijftigste serieus met schrijven begint op een niet meer zo piepe leeftijd (in juni werd ik 68…) alsnog een dergelijke kans krijgt? Hoogst zelden, zo weet ik intussen en daarom tel ik in de allereerste plaats mijn zegeningen en neem voor lief dat het allemaal lang niet zo snel gaat dan ik in eerste instantie verwachtte.
Dat laatste was eerst en vooral mijn eigen schuld. Ik bazuinde meteen op alle mogelijk sociale media rond dat mijn boek er aan stond te komen, zonder me voldoende te realiseren dat bij professionele uitgeverijen een uitgave pas zeker is als je het redactieproces met goed gevolg doorloopt en daarna het contract getekend wordt. Daarbij had ik geen realistisch beeld van de tijd die met een uitgave gemoeid is.
Intussen sta ik weer met beide voeten op de grond. Ja, ik ben nog altijd optimistisch over ‘Alya’. Het boek (het zal afhankelijk van de uitvoering iets tussen de 300 en 400 pagina’s gaan tellen) gaat nu de tweede redactieronde in. Als dat verloopt zoals ik hoop, zou ik waarschijnlijk ergens in de herfst definitief zekerheid kunnen krijgen over de uitgave. Voor wat mijn inschatting waard is denk ik dat vervolgens ergens tussen februari en juni 2018 mijn eerste volwassen historische roman van de persen kan rollen. Ik hoop natuurlijk op februari, maar helaas ga ik niet over de planning bij Mozaïek, hoe graag ik dat ook zou willen…

Nu ik voorlopig af moet wachten hoe het met ‘Alya’ verdergaat, heb ik weer de tijd voor andere schrijfprojecten. Ja, ik ben wel degelijk al met de opvolger van ‘Alya’ aan de gang. Dat verhaal speelt in dezelfde tijd, maar is geen rechtstreeks vervolg. Het eerste hoofdstuk staat, maar ik ga er pas een onafgebroken periode (ik denk aan de komende herfst en winter) mee aan de slag als het contract voor ‘Alya’ getekend is. De reden is simpel. Als dat moment eindelijk gekomen is, ben ik 100% gemotiveerd voor dat tweede boek. Dat helpt enorm bij de ‘flow’ in het schrijven. Zo werkt het althans bij mij.

 

 

Zit ik dan tot die tijd achter de geraniums af te wachten? Bij het idee alleen al gruw ik. De afgelopen maanden en ook de komende zomermaanden juli en augustus houd ik mij vooral bezig met mijn tweede liefde, namelijk de korte verhalen. Toen ik pas schreef, lag daarbij de nadruk op fantasy en schreef ik af en toe ook eens een historisch verhaal. Heel geleidelijk aan is die verhouding precies omgekeerd komen te liggen. Ik ga de lezers van deze blog niet vermoeien met het hoe en waarom en eindig deze post met een opsomming van hoe het er nu met mijn kortere verhalen voorstaat.

  1. Ik blijf met regelmaat korte verhalen schrijven voor de website (en gelijknamige uitgeverij) Historische Verhalen. In het voorjaar verscheen ‘Gilberts oor’, een verhaal dat speelt in het Gent van rond de veertiende eeuw. ‘Hisse’, een tweede verhaal, spelend in het Zweden van de vroege middeleeuwen, zit in de redactiefase en staat voor de komende nazomer of herfst op de rol. In januari 2018 komt er zoals het er nu voorstaat opnieuw een papieren jaarbundel uit met alle verhalen van 2017, ook nu weer aangevuld met een paar pagina’s historische achtergrond.
  2. Voor de schrijfwedstrijd middeleeuwse verhalen ‘Anno Domini 892’ van Godijn Publishing stuurde ik twee verhalen in. Het eerste (‘Umars opdracht’) won de tweede ronde en veroverde daarmee automatisch een plekje in de wedstrijdbundel. Het tweede verhaal (‘Naar Verdun’) staat op de longlist van 40 verhalen. Half juli weet ik of ook dat de bundel haalt.
  3. Op het ogenblik werk ik opnieuw aan een historisch verhaal, deze keer voor de ‘Gouden-Eeuw-wedstrijd’ van Historische Verhalen. Dat moet eerst maar eens af. Meer kan ik er hier niet over zeggen.
  4. In mei was de deadline van de jaarlijkse Averbode verhalenwedstrijd. De twaalf beste verhalen worden als ‘Vlaamse Filmpjes’ in Vlaanderen uitgegeven. Ik zou het erg leuk vinden als ik met mijn inzending een tweede uitgave (na ‘IJstijd’ uit 2010) in de wacht kan slepen. Ik heb daar goede hoop op, voor wat dat waard is uiteraard.
  5. Ja, en dan die fantasy… Na ‘Traisha en het Ei’, mijn in 2014 bij uitgeverij EigenZinnig uitgekomen fantasybundel, heb ik dat genre op een wat lager pitje gezet. Waarom? Mijn bundel kreeg erg mooie recensies, maar verkocht desondanks bepaald niet geweldig. Dat ligt niet alleen aan het genre. Verhalenbundels verkopen in het algemeen slechter dan romans. Toch vind ik fantasy een veel te leuk genre om daar helemaal een punt achter te zetten. Ik zond wat maanden geleden dus twee verhalen in (een herschreven oud verhaal plus een nieuw) voor Ganymedes 17, de jaarbundel voor fantasy en SF. Dat leverde meteen twee primeurs op. Een verhaal verschijnt in augustus/september in Ganymedes, het andere in een van de komende nummers van het tijdschrift Fantastische Vertellingen.

Hisse (historische serie in 15 x 120 woorden)

Het wordt tijd om op mijn website weer eens teken van (schrijf)leven te geven. Mensen die mij volgen, vragen zich misschien af hoe het intussen met ‘Alya’ staat, mijn eerste ‘volwassen’ historische roman, waarvan ik hier in 2016 al een paar fragmenten plaatste.  Daarover kan ik melden dat er door omstandigheden vertraging is opgetreden in het uitgeefproces (wie weet zelfs een half jaar), maar dat het verder verloopt zoals ik hoopte. De eerste ruwe versie werd door de uitgever (Mozaïek) positief ontvangen. Intussen heb ik het commentaar van de redactrice verwerkt en een tweede versie ingeleverd. In dat proces zijn er van de oorspronkelijke 165.000 woorden al een kleine 20.000 gesneuveld. Dat schijnt bepaald niet uitzonderlijk te zijn. Ik verwacht dan ook dat er in de volgende redactieronde(s) ook nog hier en daar gesneden zal worden.
Uitstel is nooit leuk, maar ik heb geleerd dat het bij meer uitgaven zo verloopt en dat  ik gewoon heel geduldig moet zijn. Ik zie het dan ook van de zonnige kant. Het is best wel bijzonder om op mijn  niet meer ‘zo heel erg piepe leeftijd’ alsnog zo’n mooie uitgeefkans te krijgen. Overigens heb ik die buit beslist nog niet binnen. Dat is pas zo ver als ik alle redactierondes goed doorsta en daarna het definitieve fiat van de uitgever krijg. Ik heb er alle vertrouwen in dat het goedkomt, maar zekerheid is er dus nog niet. 

Na de eerste redactieronde van ‘Alya’ had ik een tijd de handen vrij om weer eens wat korte verhalen te schrijven, ook weer in historische sferen trouwens. Dat leverde vorige maand al vast één leuk resultaat op. Mijn verhaal ‘Umars opdracht’ won de tweede ronde van een historische schrijfwedstrijd voor korte verhalen tot maximaal drieduizend woorden, namelijk ‘Anno Domini 892’ van Godijn Publishing. Dat betekent in ieder geval vast dat het komend najaar in de wedstrijdbundel gepubliceerd wordt. 

Af en toe schrijf ik ook nog altijd ultrakorte verhalen van exact 120 woorden op de website 120w.nl. Deze keer heb ik daar in de loop van enkele weken een feuilleton van 15 opeenvolgende stukjes (jawel, ook nu weer historisch) geplaatst met als titel ‘Hisse’. Het handelt over een Fries meisje dat in de negende eeuw als slavin in het Zweedse Birka belandt en aan haar lot probeert te ontsnappen. Prijzen vallen er met zo’n feuilleton niet te verdienen, maar ik kreeg er wel veel leuke reacties op. Vandaar dat ik hieronder het hele feuilleton van in totaal 15 x 120 = 1800 woorden een plekje geef. 

 

HET SPOOR (HISSE 1)

‘Leif!’ roept Hedda, ‘Je Friese slavin is er met je boog vandoor.’
Hisse? Dat zal ze bezuren. Ik ga meteen achter haar aan.’
‘Het is nog erger dan je denkt. Hisse vertelde mij dat ze een kruis bij het graf van haar broer ging plaatsen.’
‘Bij Odin, dat gaat haar de kop kosten.’
‘Doe niet zo stom, Leif. Een portie zweepslagen is genoeg.’
Leif luistert niet, maar roept Bor. De wolfshond volgt Hisses spoor, staat stil bij het kruis en jankt zachtjes.
Vol verbazing kijkt Leif naar de pijl die uit zijn borst steekt.

Hisse laat zich uit de boom zakken, pakt Leifs zwaard en streelt de hond over zijn kop.
‘Knap werk, Bor. Kom. Samen redden wij ons wel.’

 

HET WOUD (HISSE 2)

Hisse trekt de pijl uit de borst van haar voormalige eigenaar en wrijft het bloed er met de zoom van haar hemd af.
‘Je had van mij af moeten blijven, Leif,’ zegt ze ernstig.
De wolfshond heft zijn kop en jankt opnieuw.
‘Rouw je om hem, Bor? Dat verdient hij niet. Kom, we moeten hier weg.’

Een voor een lossen de stammen op in de duisternis. Als een stille geest scheert een uil over haar hoofd. Hisse staat stil en huivert. Waar zij in Friesland leefde, kende zij plassen, moerassen en zompige weiden, maar geen woud.
Tussen de wortels van een oude eik maakt ze een nest van dorre bladeren. Met Bors kop op haar borst valt ze in slaap.

 

HET EERSTE ONTWAKEN (HISSE 3)

Hisse denkt de zee te horen. Als ze haar ogen opent, zucht ze van teleurstelling. Een gestage regen daalt neer op het woud. De sprankelend groene wereld van gisteren oogt nu grauw, kil en levenloos.
Ergens in de verte klinkt een geluid dat Hisse niet meteen herkent, maar Bor wel. Hij komt overeind, schraapt zijn poten en spitst de oren. Als bevroren blijft hij staan. Dan hoort Hisse het ook. Geblaf en luide kreten…

Hisse weet van wie de stemmen zijn. Knut en Bjorn vonden hun broer en weten wie hem doodde. Ze komen eraan om Leif te wreken. Hisse hoort doodsbang te zijn voor wat ze met haar zullen doen. Maar zij glimlacht enkel en streelt Bors ruige vacht.

 

WEERZIEN (HISSE 4)

De roedel wolfshonden vliegt recht op Hisse af. Een tel later wordt ze bijna onder de voet gelopen. De voorste teef springt tegen haar op en likt haar gezicht kletsnat.
‘Mooi dat jullie mij vonden,’ roept Hisse, ‘maar zo is het genoeg. Af!’
Meteen liggen alle honden aan haar voeten.

Knut en Bjorn breken door het struikgewas. Met het zwaard in de hand staan ze stil. Woede en verbijstering strijden op hun gezichten om de voorrang.
‘Hoopten jullie mijn verscheurde lichaam te vinden?’ vraagt Hisse.
Bjorn zwijgt. Hij knikt naar Knut en heft zijn zwaard. Samen stormen ze op haar af.
‘Ga!’ schreeuwt Hisse. Bor springt als eerste…

Langzaam kleurt het mos voor haar voeten helrood. Hisse sluit de ogen.

 

HEDDA (HISSE 5)

Wanneer ze haar ogen opent, is alles voorbij. Vol verwachting kijken de wolfshonden haar aan, hun bekken druipend van het bloed.
Hisse denkt aan Hedda en ze huilt. Is het Hedda’s schuld dat ze een vader heeft die haar aan een wreedaard als Leif uithuwelijkte? Ze huilt ook om de broers. Die moesten Leif wel wreken.

Hisse loopt terug naar het langhuis, al kan dat haar dood betekenen. De honden lopen achter haar, behalve Bor. Die wijkt niet van haar zijde.
Als een standbeeld staat Hedda te wachten. Hisse legt drie zwaarden voor haar voeten. ‘De honden wijzen je de weg,’ zegt ze. ‘Het spijt me, Hedda.’

Hisse keert zich om en verdwijnt in het woud. Alleen Bor volgt haar.

 

HERFST IN HET WOUD (HISSE 6)

De nachten worden kil en vochtig. Spinnenwebben vormen een zilveren krans rond Hisses slaapplaats, als ze ‘s morgens rillend van de kou ontwaakt.
Twee schatten redden haar. De eerste is het mes dat ze van Leifs dode lichaam stal, de tweede haar benen naald. De pelzen van de dieren die ze doodt om zichzelf en Bor te voeden, looit ze met haar eigen urine. Met de linnen draden van haar hemd maakt ze er warme kleding van.

Terwijl de eerste sneeuw valt, denkt Hisse lang na. Een hele winter in het woud zal ze niet overleven. Ze moet verder, maar waarheen? Rechtdoor, besluit ze. Ooit zal ze dan de zee weer zien.

‘Kom Bor,’ zegt ze. ‘We gaan naar Friesland.’

 

ONTMOETING (HISSE 7)

Uit de schaduwen doemt een schim op. Hisse grijpt naar haar boog. Als Bor wel stilstaat, maar niet gromt, bedenkt ze zich.
‘Wat doet een meisje alleen in het woud?’ De man draagt een lange boog, maar geen zwaard.
‘Ik wil naar Friesland. Wie ben je?’
‘Olaf. Een pelsjager.’ Hij wijst naar het oosten. ‘Birka is de dichtstbijzijnde haven.’
‘Nee!’ Hisse schudt heftig haar hoofd. ‘Daar werd ik verkocht.’

Olaf kijkt haar lang aan. ‘Dan moet je naar het westen,’ zegt hij. ‘De Noren in Kaupang handelen ook met Friezen.’
‘Is het ver?’
Hij knikt.
‘Wijs je mij de weg?’
Olaf glimlacht. ‘Waarom niet, mijn pelzen kan ik ook in Kaupang slijten.’
Hij streelt Bor. Die laat het rustig toe.

 

OLAF (HISSE 8)

Levende kleuren lossen op in neerdwarrelende sneeuwvlokken, totdat de wereld enkel nog bestaat uit zwart, wit en vele tinten grijs.
Olaf stopt bij een beekoever en verzamelt wilgentenen. Razendsnel vlecht hij er sneeuwschoenen van.
Terwijl Hisse de hare onderbindt, kijkt ze naar Olaf. ‘Waarom doe je dit?’
‘Vertrouw je mij?’
‘Ja,’ antwoordt Hisse. ‘Bor heeft altijd gelijk.’

Olaf staart in de verte. ‘Vorig jaar had ik een vrouw en een dochter,’ zegt hij. ‘Nu heb ik niets. Ik leefde van dag tot dag, totdat ik jou ontmoette.’
Sprakeloos kijkt Hisse hem aan. Nu pas valt het haar op hoe grijs Olafs haar is en dat zijn gezicht enkel uit rimpels lijkt te bestaan.

‘Kom,’ zegt hij. ‘Je moet naar Kaupang.’

 

HET GROTE MEER (HISSE 9)

Van enkel dunne huiden en wat stokken maakt Olaf ‘s avonds een tent. Tussen Bor en de oude pelsjager glijdt Hisse weg in een warme, droomloze slaap.

‘s Morgens geeft een azuren hemel de wereld haar kleur terug. Vele dagen achtereen zoeken ze hun weg over een maagdelijk sneeuwdek. Stoppen doen ze enkel als er gejaagd of gegeten moet worden. Al gauw laat Olaf het boogschieten aan Hisse over. Haar blik is scherper en haar hand vaster.

Als ze bij een reusachtig meer aankomen, draait de wind naar het zuiden. Rond het middaguur is de sneeuw veranderd in een modderbrij.
‘Moeten we hierdoor,’ vraagt Hisse bedrukt.
Olaf grijnst en schuift wat takken opzij. Daaronder liggen een kano en twee peddels.

 

DE VISSER (HISSE 10)

Hisse stapt na Olaf in de kano. Bor springt haar achterna.
‘Heb je ooit gepeddeld?’ vraagt Olaf.
Hisse knikt. ‘Ik kom uit Friesland.’

Als een roodoranje zon trillend in het meer verdwijnt, koerst Olaf naar een steiger. Aan de waterkant staat een huis op hoge palen, zoals Hisse die uit Dorestad kent.
‘De visser die hier leeft, is mijn vriend,’ zegt Olaf. ‘Hij heeft een grote boot en kan ons morgen misschien naar de westelijke oever brengen. Dan zijn we al halverwege.’

De visser heet Geir. Ook door hem laat Bor zich gewillig strelen.
‘Geen probleem,’ zegt Geir na Olafs verhaal. ‘Vissen kan ik overal.’
Hij kijkt naar Hisse. ‘Waarom help je haar?’
Olaf zucht. ‘Ze lijkt op mijn dochter.’

 

NAAR KAUPANG (HIISE 11)

‘s Morgens zijn peddels overbodig. Een straffe oostenwind stuwt Geirs zeilboot naar de westkust van het Vänermeer. Halverwege de middag komen ze daar aan.
‘Het ga je goed, Hisse,’ zegt Geir. ‘Je hebt Odins zegen.’ Voordat hij weer scheep gaat, slaat hij Olaf op zijn schouder en aait Bor.

Aan de westoever is de bodem droog. Dat geeft Hisse nieuwe moed.
‘Hoe ver is het nog, Olaf?’
‘Over een dag of drie zien we de zee. Langs de kust ligt een weg die ons naar Kaupang voert.’

Vijf dagen later bereiken ze de top van een heuvel die uitzicht biedt op de haven van Kaupang. Als aan de grond genageld blijft Hisse staan.
‘Wat is er, Hisse?’
‘Drakenschepen…’ fluistert ze.

 

HERINNERINGEN (HISSE 12)

Hisse staart naar de drakenschepen. Ze ademt zwaar. Haar voeten weigeren haar verder te dragen. Pas als Bor haar hand likt, komt ze weer tot zichzelf.
‘Bracht een drakar je naar Birka?’ vraagt Olaf.
‘Nee,’ antwoordt Hisse. ‘Mijn dorp werd door Denen uitgemoord. Alleen mijn broer en mij lieten ze leven. Ze ketenden ons aan de mast van hun drakar en namen ons mee naar Hedeby. Daar verkochten ze ons aan een Zweedse handelaar. Die bracht ons naar de slavenmarkt van Birka.’ Af en toe hapert haar stem.

‘En nu wil je naar Friesland?’
Hisse aarzelt een moment. ‘Ja, dat is mijn thuisland.’
‘Goed,’ zegt Olaf. ‘Dan gaan we naar het huis van de Friezen.’
Verbijsterd kijkt Hisse hem aan.

 

IN KAUPANG (HISSE 13)

‘Weet je zeker dat er Friezen in Kaupang zijn, Olaf?’
‘In elke haven zijn Friezen,’ antwoordt Olaf. ‘Naar Kaupang komen er zo veel dat ze een eigen wijk hebben.’
‘Hoe kan dat?’ vraagt Hisse. ‘De Noren en Denen vallen Friesland bijna ieder jaar aan.’
‘Alle handelaren worden door de koning beschermd,’ zegt Olaf, ‘op voorwaarde dat hij de eerste keus krijgt uit hun goederen. Werkt dat in jouw land dan anders, Hisse?’
Langzaam schudt Hisse haar hoofd. ‘Nee, eigenlijk niet, tenminste niet in Dorestad. Daar leggen ook veel Deense vrachtschepen aan.’

Stil loopt Hisse naast Olaf verder. Pas als kinderen joelen en haar nawijzen, vraagt ze zich af wat men hier van een vies, in dierenvellen gehuld meisje zal vinden.

 

HET HUIS VAN DE FRIEZEN (HISSE 14)

Olaf klopt aan bij het grootste huis. ‘Hier leven de rijke handelaren uit Friesland,’ zegt hij. ‘Als ze je willen helpen, ben je spoedig thuis.’
Een dikke, roodharige man opent de deur. Zijn blik schiet van Olaf naar Hisse en terug.
‘Als je pelzen kunt leveren, valt er te praten, Olaf,’ zegt hij. ‘Aan slavinnen hebben we geen behoefte, zeker niet als ze stinken. Was haar eerst en kleed haar behoorlijk.’

‘Ik kom uit Witla,’ roept Hisse in het Fries. ‘Help mij.’
De handelaar knijpt zijn varkensogen tot spleetjes. ‘Heb je daar familie, meisje?’
Hisse buigt haar hoofd. ‘Nee,’ fluistert ze. ‘De Denen hebben ze allemaal gedood.’
De man grijnst. ‘Geen probleem, kind. Wij vinden wel een echtgenoot voor jou.’

 

EEN NIEUWE FAMILIE – SLOT (HISSE 15)

Hisses ogen spuwen vuur. Ze grijpt naar haar boog. Meteen staan Bors nekharen recht overeind. Met blikkerende tanden springt hij. Net op tijd smijt de handelaar de deur dicht.

Verbluft kijkt Olaf haar aan. ‘Hisse, wil je nog altijd terug naar Friesland?’
Hisse hijgt eerst na. Daarna schudt ze heel beslist haar hoofd.
‘Dan ga ik ervoor zorgen dat je een vrije vrouw wordt.’
Hisses mond valt open van verbazing. ‘Wil je dan echt dat ik jouw vrouw word, Olaf?’
Olaf lacht. ‘Natuurlijk niet,’ antwoordt hij, ‘maar misschien wil je wel voorgoed mijn dochter worden. De enige voorwaarde is dat je een man kiest die jou waard is. Dan heb ik eindelijk ook een zoon.’

Hisse straalt. ‘Afgesproken,’ zegt ze.