Korte verhalen

 

  1. Hisse – geplaatst op 9 september 2019
  2. Naya – geplaatst op 18 september 2019
  3. Een hemels leven – geplaatst op 24 september 2019
  4. Chan-mi – geplaatst op 8 oktober 2019
  5. Umars opdracht – geplaatst op 16 oktober 2019
  6. Naar Verdun – geplaatst op 27 oktober 2019

PS
De verhalen staan hieronder in omgekeerde volgorde, dit om te voorkomen dat lezers zich suf moeten scrollen om het meest recente verhaal te vinden…

 

6. Naar Verdun

Wie verhaal 5 in deze serie, ‘Umars opdracht’, heeft gelezen, kan misschien ook mijn tweede verhaal in de bundel ‘Anno Domini 892’ waarderen. Al won ik met dat vorige verhaal de schrijfwedstrijd, toch ligt ‘Naar Verdun’ me als auteur net iets meer aan het hart, hoewel de jury daar (net als heel wat lezers) blijkbaar anders over dacht. Waarom ik het niet helemaal met hen eens ben? Dat zit hem in de historische geloofwaardigheid. Bij ‘Umars opdracht’ schreef ik bij wijze van experiment een verhaal uit mijn fantasybundel (‘Traisha en het ei’, 2014) om naar een historisch verhaal. Dat lukte dus blijkbaar heel aardig, maar voor mijn gevoel had dat wel een prijs. Al heb ik gezorgd dat de controleerbare historische feiten, zoals de namen van de toenmalige heersers, klopten, toch denk ik dat de setting niet erg realistisch was en de sfeer toch meer die van een fantasyverhaal dan van een historisch verhaal is gebleven. Het is maar met welke ogen je een verhaal leest. Interesseert het je als lezer niet welk genre het is, dan spelen dat soort overwegingen niet mee.
Hoe dan ook, met ‘Naar Verdun’ heb ik een poging gedaan om iets dichter bij de historische werkelijkheid te blijven, al moet ik er meteen bij zeggen dat zoiets betrekkelijk is. Over de negende eeuw hebben we zo weinig betrouwbare bronnen dat je als auteur heel veel zelf in moet vullen. Hoe dicht je daarmee bij de werkelijkheid van toen komt, kun je per definitie nooit weten. Je kunt er eigenlijk alleen maar je best op doen en er in ieder geval voor zorgen dat alles klopt wat je wel met enige zekerheid kunt weten. 
Met ‘Naar Verdun’ heb ik mijn best gedaan om niet in het cliché van de barbaarse Vikingen te trappen die onze kusten, kloosters en steden plunderden. Voor zo ver we nu weten was de negende eeuw in heel Europa een gewelddadige tijd vol wreedheden, waarin slavernij van noord tot zuid algemeen was. Maar de geschiedenis is nu eenmaal meestal de geschiedenis van de uiteindelijke winnaars en dat waren in dit geval niet de Vikingen. In het jaar 892 werd de laatste grote groep Denen in onze streken bij Leuven door koning Arnulf in de pan gehakt. Ergens in die tijd is het volgende verhaal gesitueerd.

 

 

Naar Verdun

 

Ergens langs de Maas, 892

Vlakbij fluiten vogels. De zon schijnt zo zalig warm op mijn gezicht dat ik het vertik om toe te geven dat ik wakker ben. In plaats daarvan maak ik mijzelf wijs dat ik nog altijd bij de Rijnoever lig te soezen. Ik ruik de kleren die ik in de rivier waste en op het gras te drogen legde. De vreemde geluiden om mij heen negeer ik, net als mijn herinnering aan handen die mij overeind trokken en meesleurden naar een uit het niets opgedoken drakenschip.

Uiteindelijk open ik toch maar mijn ogen. Bijna huil ik van teleurstelling als ik mijn met bloed besmeurde voeten zie. Om mijn enkels zitten nog altijd de roestige boeien, die met een ketting aan de mast bevestigd zijn.
Leif, de jongste Deen, staat naar mij te kijken. Ik moet erg plassen en heb intussen geleerd dat het geen nut heeft om te wachten tot er niemand in de buurt is. Ik til dus maar gewoon mijn hemd omhoog en ga op de houten emmer zitten.
‘Grijp je kans, Leif,’ klinkt het achter mij. ‘Je wilde die Friese toch voor jezelf? Of ben je van gedachten veranderd? In dat geval wil ik haar wel uitproberen. Dan weten we meteen of het de moeite waard is om ons eten met haar te delen.’
Ik klem mijn kaken zo stevig op elkaar dat het pijn doet. Terwijl ik plas, staar ik naar een plek op het dek, vlak voor Leifs voeten. Ze mogen er niet achter komen dat mijn moeder een Noorse vikingvrouw was en dat ik ieder woord versta.
‘Hou op, Asgeir,’ zegt Leif. ‘Ik ben mijn broer nog een mooie slavin schuldig, liefst een maagd. Je blijft met je poten van dat meisje af. Je weet heel goed dat ik haar als eerste heb opgeëist.’
Verrast til ik mijn hoofd op en kijk Leif aan. Aan deze jongen heb ik het dus te danken dat ik nog niet ben verkracht. Op hetzelfde moment besef ik mijn fout…
Leif beantwoordt mijn blik, maar anders dan ik verwachtte. Hij maakt er een voor Asgeir onzichtbaar handgebaar bij.
Mijn hoofd tolt. Duidelijker dan hij met woorden ooit had kunnen doen, laat Leif mij weten dat hij me doorheeft en ook dat Asgeir dat niet mag weten.
Voordat Asgeir kan reageren, breekt aan de oever, waar een tweede drakenschip had aangelegd, de hel los. Leif grijpt naar zijn zwaard. Achter mij hoor ik een gedempte kreet en een dof geluid. Als ik met moeite mijn hoofd die kant opdraai, zie ik Asgeir bewegingloos op zijn rug liggen. Een lange pijl steekt uit zijn borst.
‘Bukken, Fenna,’ roept Leif. Zelf knielt hij neer en kijkt door een riemopening naar de oever. Daar klinkt gevloek, gekletter van zwaarden, maar bovenal doodskreten. Even later staat de drakar in lichterlaaie. Dan wordt het akelig stil…
Nieuwe pijlen komen aanzoeven. Ze maken een vreemd, sissend geluid. Een schroeilucht dringt in mijn neus. Pas als ik de hitte echt begin te voelen, kijk ik omhoog. Het zeil brandt als een fakkel. Dan ben ik verloren… Buiten mij zijn enkel nog Leif en de dode Asgeir op de drakar. Die hebben allebei geen sleutel van mijn boeien.
‘Dood mij,’ smeek ik Leif in zijn eigen taal. ‘Laat mij niet levend verbranden.’
Leif grijpt de bijl die naast Asgeirs lichaam ligt en heft die hoog boven zijn hoofd. Ik knijp mijn ogen dicht en neem afscheid van het leven.
Een doffe klap… Het geluid van versplinterend hout vlak naast mijn hoofd… Tot mijn verbazing leef ik nog. Ik open mijn ogen net op tijd om Leif opnieuw uit te zien halen. Een tweede klap volgt. De ijzeren pin, waaraan mijn boeien vastzitten, schiet los uit de mast.
‘Kom,’ roept Leif. Hij pakt mijn hand en trekt me overeind. Om ons heen vallen overal smeulende en brandende stukken zeildoek op het dek.
‘Kun je zwemmen, Fenna?’
Ik knik. Leif trekt me mee, tilt me zonder pardon op en smijt me overboord. Meteen ga ik kopje onder. Wanhopig probeer ik het wateroppervlak te bereiken, maar mijn voeten worden door het gewicht van de boeien naar beneden getrokken en mijn benen kan ik niet ver genoeg spreiden om er een zwembeweging mee te maken. Mijn armen moeten al het werk doen. Dat houd ik slechts weinige tellen vol. Opnieuw zink ik naar beneden. Mijn hoofd en longen lijken uit elkaar te barsten. Ik roep Freya aan en probeer uit alle macht om me moeders gezicht voor de geest te halen. Dan lost alles op in het niets…

 

Ik lig op mijn buik en iets of iemand duwt keer op keer hard op mijn rug. Water stroomt uit mijn mond. Uit alle macht probeer ik adem te halen. Dat lukt, maar het doet vreselijk pijn. Dat martelende gevoel lijkt wel een eeuwigheid aan te houden. Pas als ik eindelijk het laatste water uitgehoest heb, lost de mist in mijn hoofd langzaam op. Al trillen mijn spieren nog altijd onbeheerst, toch werk ik mij moeizaam overeind.
‘We moeten hier zo snel mogelijk weg,’ zegt Leif. ‘Ze zagen ons overboord gaan.’
Weg? Waar heeft Leif het over? Zijn de mannen die ons overvielen dan niet mijn landgenoten? Als ze mij vinden, eindig ik niet als de goedkope slavin van zijn Deense broer. Ik raap de ketting op, draai me om en probeer terug naar de oever te strompelen.
Leif grijpt mijn arm. ‘Ben je gek geworden, Fenna?’ zegt hij. ‘We zijn niet langer in Friesland, maar ergens tussen Maastricht en Luik. Die mannen zijn geen Friezen, maar Franken. Je hebt niets goeds van hen te verwachten.’
Ik weiger hem te geloven en doe een hopeloze poging om me los te rukken.
Leif petst me hard op de wang. ‘Doe niet zo stom en houd die ketting vast?’ sist hij. Hij drukt mij de ketting in handen, tilt me van de grond en gooit me over zijn schouder alsof ik een baal meel ben. Meteen komt hij in beweging.
Takken striemen langs mijn benen, armen en rug als Leif zich een weg door dicht struikgewas baant. Om mijn gezicht te beschermen druk ik het tegen Leifs natte rug. Ik negeer de pijn en probeer na te denken. Was die belofte aan zijn broer dan zo duur dat hij zijn leven riskeert om het mijne te redden? En waarom sjouwt hij me tegen beter weten in hardnekkig met zich mee? Alleen komt hij dubbel zo snel vooruit. Op geen van die vragen kan ik een zinnig antwoord bedenken.
Leif houdt het lang vol, maar ten slotte hoor ik aan zijn onregelmatige ademhaling dat hij uitgeput is. Hij stopt abrupt, zet me op mijn voeten en laat zich zwaar ademend op de grond zakken.
Een moment overweeg ik om een nieuwe vluchtpoging te wagen. Dat idee laat ik meteen weer varen. Ik zou niet ver komen.
In plaats daarvan ga ik recht tegenover Leif zitten. ‘Waarom doe je dit?’ vraag ik. ‘Ben je echt zo bang voor je broer?’
Leif antwoordt niet meteen. Eerst moet hij op adem komen. ‘Ik heb mijn broer wel een Frankisch zwaard beloofd,’ antwoordt hij dan, ‘maar geen meisje.’
Het is dwaas, maar ik geloof hem. ‘Waarom loog je daarover?’ wil ik weten.
Leif zwijgt opnieuw een moment. ‘Ik wil je zelf,’ zegt hij dan ineens, ‘maar dat moest ik verzwijgen. De mannen hadden me uitgelachen en voor gek versleten als ik je niet de eerste dag al had genomen.’
Wezenloos kijk ik Leif aan. Wat bedoelt hij nu? Al die andere mannen zouden geen tel geaarzeld hebben. Waarom hij dan wel?
In de verte, ergens bij de rivier, klinkt opgewonden geblaf, overduidelijk van een roedel honden. Ik schrik van de wanhoop op Leifs gezicht. We zijn verloren, zegt zijn blik…
‘Kom, Fenna,’ zegt hij. ‘We moeten verder.’
‘Ga alleen, Leif,’ zeg ik in een opwelling. ‘Zonder mij blijf je de honden misschien voor. Ik geloof je en ik zal je niet vergeten.’
Leif geeft geen antwoord. Hij tilt me opnieuw op, maar heeft niet meer de kracht om me over zijn schouder te leggen. In zijn armen draagt hij me verder. Het is zinloos. De honden zijn vlakbij…
Leif staat abrupt stil, kijkt zoekend om zich heen en loopt dan naar een knoestige boom met talloze dikke vertakkingen. Hij tilt mij op de onderste tak en klimt zelf snel een stuk hoger. ‘Steek je handen uit, Fenna,’ roept hij. ‘Schiet op!’
Donkere schichten vliegen op ons af. De eerste honden springen grommend omhoog. Leif trekt me aan mijn polsen naar zich toe. Vlak onder mijn voeten klikken kaken in het luchtledige.
De begeleiders van de honden breken door het struikgewas. Het zijn er vier.
‘Lig!’ roept de kleinste man. Tegelijkertijd laat hij zijn zweep knallen. Jankend en met de staart tussen de poten gehoorzamen de dieren hem.
‘Pak aan, Fenna,’ fluistert Leif. Hij drukt me iets in mijn handen. ‘Verstop het onder je kleren. En vergeet niet dat je mij haat als de pest en mijn taal niet spreekt.’
Niet begrijpend staar ik naar het kleine mes in een leren schede. Pas als Leif me een por in de rug geeft, laat ik het in de halsopening van mijn hemd vallen. Ik voel het tussen mijn borsten en daarna over mijn buik glijden. Bij mijn gordel blijft het hangen.
Het eerste waar de kleine man naar kijkt, zijn de boeien om mijn enkels. Een grijns splijt zijn gezicht in tweeën. ‘Nee, maar,’ roept hij in het Frankisch, wat ik met moeite versta, ‘hij dacht zo veel voor dat meisje te vangen, dat hij haar tot hier met zich mee sleepte. Hebben jullie ooit zo’n stomme Viking gezien?’
‘Ze is ook echt wel het aanzien waard,’ zegt een tweede, roodharige man. ‘Als ik haar kleding zo bekijk, hebben ze haar ergens in Friesland geroofd. Heb ik gelijk meisje?’
Dat laatste zegt hij in het Fries! Zou deze man me misschien redden? Maar al is hij blijkbaar iemand van mijn vaders volk, zijn blik bevalt me helemaal niet. Net als Asgeir kleedt hij me uit met zijn ogen. Ik ril van afschuw.
‘Ja,’ antwoord ik tegen wil en dank.
‘Mooi,’ zegt hij. ‘Als je aardig voor me bent, breng ik je misschien wel naar huis.’
De andere mannen lachen hardop. Ik weet genoeg. Leif had dus gelijk…
Zelfs Leifs handen binden ze niet vast. Dat is niet nodig, want ze laten hem voorop lopen met de troep grommende honden om hem heen.
De grootste man draagt me op zijn rug. Hij lijkt wel een reus en doet me aan de bergtrollen uit moeders verhalen denken. Elk moment denk ik dat hij het mes zal voelen, want af en toe moet dat zijn rug wel even raken. Maar er gebeurt niets. Al snel krijg ik de indruk dat hij niet bepaald slim is en enkel vanwege zijn kracht en grootte bij deze troep hoort. Ik voel me zo moe en geradbraakt dat ik mijn ogen sluit en alles maar gewoon laat gebeuren. Toch blijft ook nu een stuk uit die laatste zin van Leif door mijn hoofd spoken. Vergeet niet dat je mij haat…

Onze tocht lijkt een eeuwigheid te duren. Ik word zo gekweld door honger en vooral dorst dat ik niet meer weet of ik waak of droom. Pas als ik luide stemmen hoor en iemand met een zware hamer op me afkomt, weet ik zeker dat dit allemaal echt is. Ik hef mijn hoofd en voel de hitte van een smidsvuur op mijn gezicht.
De reus die mij droeg, tilt me zo ver omhoog dat de smid mijn linkervoet op een aambeeld kan leggen. ´Beweeg niet,´ zegt hij, ´ik wil je niet beschadigen.´ Meteen haalt hij uit. Met een knal die pijn doet aan mijn oren verbrijzelt zijn beitel de sluiting van de boei. Even later gebeurt hetzelfde bij mijn rechtervoet. Ik word weer op mijn voeten neergezet. Het doet pijn. Mijn benen kunnen me nauwelijks dragen.
´Water,´ prevel ik tussen mijn gebarsten lippen door.
De smid schudt meewarig zijn hoofd. ´Baldert,´ zegt hij. ´Luister naar de goede raad van een vriend. Wat je mij betaalt, is weggegooid geld als je dat meisje van honger of dorst laat sterven. Dat geldt dubbel voor die Vikingjongen. Als je hem in Verdun vakkundig laat castreren, brengt hij meer op dan tien slavinnen. Dat verzeker ik je. Maar dan moet hij het wel overleven. Dat kan alleen als hij sterk en gezond is. Ga niet verder, voordat je ze allebei hebt laten rusten, eten en drinken.´
Even blijft het stil. ´Je hebt weer eens gelijk, Gerulf,´ gromt de roodharige Fries. ´Goed. Het loopt toch al tegen de avond. Een paar munten voor een overnachting kunnen er ook nog wel af. Het meisje had ik trouwens ook zonder jouw advies goed verzorgd. Ze is een Friese, al heeft ze me nog niet verteld waar ze vandaan komt.´
Dorst of niet, ik ruik meteen mijn kans. ´Ik woonde in Rijnsburg,´ rasp ik. ´Help me, Baldert! Ik doe alles wat je maar wilt als je me naar huis brengt.’
Ik walg van mijzelf, want ik weet zeker dat Baldert dat ‘alles’ heel letterlijk op zal vatten. Het is pure haat die me er toe drijft om hem indirect mijn lichaam aan te bieden, maar ook ontzetting om wat ze Leif aan willen doen. Hij zette tot driemaal toe zijn leven voor mij op het spel. Ik mag niet achterblijven. Die gedachte brengt me ertoe om Baldert een glimlach toe te werpen. Dat lijkt hem meteen te overtuigen. Hij grijnst breeduit.
‘Vanavond verdien je niet alleen water, maar zelfs een beker wijn, meisje,’ zegt hij.

Midden in de nacht maakt Baldert me wakker. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik ben zo moe dat je nu niets aan me hebt. Wacht tot morgen. Dan ben ik uitgerust en zal ik extra mijn best doen.’
Ik hoop dat hij niet hoort hoe mijn hart als een wilde tekeer gaat. Baldert aarzelt en kijkt me een tijdje peinzend aan. Dan knikt hij en verdwijnt met een binnensmondse grom.

Leif loopt voorop, de handen achter zijn rug gebonden en een leren band om zijn nek. De reus, hij heet Albert, weet ik intussen, houdt de riem vast.
‘Waar zijn die andere twee mannen gebleven?’ vraag ik Baldert. ‘Gisteren waren jullie nog met vier.’
‘Die zijn met de honden op jacht naar meer Vikingen,’ antwoordt hij. ‘Koning Arnulf heeft de Denen vorig jaar bij Leuven verpletterend verslagen. Daarna zijn de meesten naar hun thuisland of misschien naar Engeland vertrokken. De weinige Denen die we nog te pakken krijgen, brengen nu een extra goede prijs op.’
Plotseling komt die vreemde zin weer naar boven. Vergeet niet dat je mij haat…
Ik wijs naar Leif, maar durf hem niet aan te kijken. Anders krijg ik de woorden die zo maar ineens bij me opkomen zeker niet over mijn lippen. ‘Breng je hem naar Verdun?’ vraag ik Baldert. ‘Als hij daar wordt gecastreerd, krijgt hij zijn verdiende loon. Ik weet niet wat hij had gedaan als jullie ons niet hadden gevonden.’
‘Dat kun je ongetwijfeld raden,’ antwoordt Baldert. ‘Wees gerust, Fenna. Zo gauw we in Verdun zijn, kan hij dat soort pleziertjes voorgoed vergeten.’
‘Waar brengen ze hem daarna heen?’
Baldert haalt zijn schouders op. ‘Ik denk naar Marseille en dan per schip verder naar de Saracenen of Byzantijnen. Maar wat maakt het uit? Als hij blijft leven, verdien ik goed aan hem. Haalt hij het niet, dan krijg ik niets. Dat is het enige wat mij interesseert.’

‘Ik wil terug naar mijn moeder in Rijnsburg,’ zeg ik ‘s avonds bij het kampvuur, ‘maar die omweg naar Verdun heb ik er graag voor over als ik mag toekijken hoe ze hem castreren.’
Baldert werpt me een nieuwsgierige blik toe. ‘Ik heb zelden iemand meegemaakt die de Denen zo haat als jij,’ antwoordt hij. ‘Maar ik moet je teleurstellen, Fenna. Vrouwen laten ze daar in Verdun niet bij toe.’
‘Moeten we helemaal naar Verdun lopen?’
Baldert lacht. ‘Gelukkig niet,’ zegt hij. ‘Morgen rond het middaguur komen we in Luik aan. Vandaar gaan er bijna elke dag wel boten naar de slavenmarkt van Verdun.’
Ik knik. ‘Dat is mooi. Dan hebben we vannacht dus tijd genoeg.’
Baldert kijkt me met een brede grijns aan. ‘Ik heb een geweldig idee,’ zegt hij dan. ‘We laten die jongen van begin tot eind toekijken. Dan vergeet hij nooit meer wat hij mist nadat hij zijn zaakje in Verdun is kwijtgeraakt.’
Ik voel dat ik niet té snel toe moet happen en kijk Baldert met een frons aan. ‘Ik weet niet of ik zoiets wel kan,’ zeg ik.
‘Natuurlijk kun je dat,’ reageert Baldert. ‘Ik verzeker je dat je een man niets ergers aan kunt doen. Als hij blijft leven, zal hij er de rest van zijn leven over dromen.’
‘In dat geval zal ik mijn best doen.’ Hoe ik het klaarspeel weet ik niet, maar ik slaag er in om het  overtuigend te laten klinken.

Leif ligt gekneveld, met een prop in zijn mond op zijn zij, zijn gezicht naar onze kant.
‘Albert, ga een eindje weg. Ik roep je wel als we klaar zijn,’ zegt Baldert.
Albert keert ons de rug toe en sjokt gehoorzaam weg.
‘Ga liggen, Baldert,’ zeg ik. ‘Voor de rest zorg ik wel.’
Met een zucht strekt Baldert zich uit. Ik ga schrijlings op hem zitten en plaats mijn handen op zijn borst. ´Ben je er klaar voor?’ vraag ik.
‘Natuurlijk,’ zegt hij. Hij ademt zwaar. Ik tover mijn mooiste glimlach tevoorschijn.
Ik trek eerst zijn riem en daarna mijn gordel los. Vergeet niet dat je me haat, zei Leif. Die woorden geven me de kracht om te doen wat me tot een moment geleden ondenkbaar leek. Met de ene hand grijp ik Balderts lid, met de andere tast ik naar Leifs mes.
‘Sluit je ogen, Baldert,’ zeg ik. ‘Je zult er geen spijt van krijgen.’
Hij doet wat ik zeg. Als ik meteen daarna uithaal naar zijn keel en warm bloed over mijn hemd spat, sluit ik ook zelf in afschuw mijn ogen, maar niet voor lang. Met dat mes moet ik nu iets veel belangrijkers gaan doen…

Bij de Rijnoever lig ik te soezen. Vlakbij fluiten vogels. De zon schijnt zalig warm op mijn gezicht. Ik ruik de kleren die ik in de rivier waste en op het gras te drogen legde. Leif ligt naast me. Zijn hand rust op mijn bolle buik.
‘Haat je me nog altijd, Fenna?’ vraagt hij.
Ik moet lachen en schop met een blote voet in zijn richting. ‘Natuurlijk,’ antwoord ik. ‘Heb je daar niet zelf om gevraagd?’

 

5. Umars opdracht

Ook het vijfde verhaal kwam voort uit een schrijfwedstrijd, in dit geval de jaarlijkse schrijfwedstrijd voor in de middeleeuwen spelende verhalen van uitgeverij Godijn Publishing, een wedstrijd die intussen al toe is aan de vijfde achtereenvolgende editie.  In 2017 stuurde ik twee verhalen in, ‘Umars opdracht’ en ‘Naar Verdun’, die allebei de shortlist en dus de wedstrijdbundel haalden. Verder was het verloop het levende bewijs dat smaken verschillen en de wegen van een wedstrijdjury soms ondoorgrondelijk zijn. Ik had mijn geld op het laatste van die twee verhalen gezet, maar wat gebeurde? Mijn eigen favoriete verhaal haalde weliswaar de bundel, maar kwam niet in de buurt van de topvijf, terwijl ik met dat eerste verhaal, waar ik weinig van verwachtte, de wedstrijd (‘Anno Domini 892, rauw geluk’) won…
‘Umars opdracht’ was eigenlijk vooral een schrijfexperiment. Omdat ik in het begin van mijn ‘schrijfleven’ vaak fantasy produceerde, leek het me een interessante uitdaging om een van die oude fantasyverhalen om te schrijven naar een historische setting, in dit geval het Spanje van de negende eeuw. Dat herschrijven deed ik met veel plezier en ik was ook zeker niet ontevreden over het resultaat (anders had ik het verhaal niet ingestuurd), maar mijn schrijvershart lag toch meer bij ‘Naar Verdun’, mijn tweede verhaal in dezelfde bundel. Volgende week zal ik ook dat plaatsen, zodat geïnteresseerde lezers kunnen vergelijken en eventueel reageren. Ik ben best nieuwsgierig of er mensen zijn die het met mijn persoonlijke voorkeur eens zijn…

 

 

Umars opdracht

Cordoba, 892

 

Gelaten wacht Umar op zijn beurt om voor de troon van Abdullah ibn Muhammad, de zevende emir van Al Andalus, te verschijnen.
De man voor hem, een hevig zwetende paleisdienaar, jammert luid als de wachten hem na zijn veroordeling wegsleuren. Umar voelt geen spoor van mededogen. Wie zal straks ook maar één traan om hém laten als de beul zijn hoofd van de romp scheidt?
Een dreunende gongslag. De wachter achter hem geeft Umar een stomp in zijn rug ten teken dat hij naar voren moet. Terwijl de aanklager zijn naam en de aanklacht opleest, is hij al onderweg naar de tegels voor de trappen die naar Abdullah’s troon voeren. Daar knielt hij neer, buigt en drukt zijn voorhoofd tegen de koude steen.
De emir spreekt. Zijn stem klinkt zacht en zalvend. Toch kan Umar door de perfecte akoestiek van het gewelf achter hem elk woord duidelijk verstaan.
‘Aha, ik zie hier een van mijn eigen lijfwachten. Dat gebeurt bepaald niet elke dag. Farouk. Het maakt mij nieuwsgierig. Vertel mij wat deze Umar misdaan heeft.’
De aanklager, een lange man met een kromme neus en borstelige wenkbrauwen, staat op een verhoging die geheel in het niet valt bij Abdullah’s troon. Op luide toon licht hij de aanklacht toe.
‘Umar heeft als lijfwacht van de emir zijn heer en heel diens familie op een afschuwelijke manier beledigd. Hij deed een poging om Darya, een van zijn vrouwen, te verleiden. Zij vertelde dat deze lijfwacht haar voorstelde om een stil vertrek in de harem op te zoeken. Natuurlijk weigerde Darya dat. Zij waarschuwde meteen het hoofd van de eunuchen en vertelde hem alles. Slechts één straf is in dit geval passend. Umar zal eindigen aan de galg. De genade van het zwaard zal hem niet vergund worden. Dit vonnis stel ik ter bekrachtiging aan u voor.’

Umars bloed kookt van woede. Aan de galg eindigen alleen de laagste misdadigers. Voor een paleiswacht is het de ultieme schande om zo te sterven in plaats van door het zwaard.
Zonder nadenken komt hij overeind en spreekt de emir rechtstreeks aan.
‘Heer Abdullah, luister naar wat uw nog altijd trouwe dienaar hierop te zeggen heeft.’
Een zichtbaar ontstelde aanklager gebaart naar de wachters dat ze de gevangene de mond moeten snoeren. De emir echter steekt gebiedend zijn hand op. ‘Niet zo haastig, Farouk,’ zegt hij. ‘Ik wens het verhaal van deze man aan te horen.’
‘Ik deed dienst voor de hoofdingang van de harem,’ begint Umar. ‘Darya sprak mij na de aflossing van de wacht aan. Ze schaamde zich, vertelde zij, omdat ze nog niet werd gekozen om met u het bed te delen. Ze voelde zich eenzaam en werd gek van verveling. Niemand zal het ooit weten als je mij ter wille bent, waren haar letterlijke woorden. Natuurlijk ging ik niet op haar aanbod in. Als uw lijfwacht weet ik welke straf op zoiets staat. En om eerlijk te zijn, ik vond Darya veel te lelijk om mijn leven op zo’n onnozele wijze te riskeren.’
Tot op dit moment zat de emir er ongeïnteresseerd bij. Maar terwijl Umar spreekt, verandert zijn houding. Hij gaat rechtop zitten en kijkt zijn lijfwacht aan.
Langzaam wordt zijn gezicht rood. Na Umars laatste woorden ontsnapt van ergens diep achter in zijn keel een bulderende lach. Vanuit het gewelf achter de troon weerkaatst die zo luid dat het bijna pijn doet aan de oren.
Het duurt een hele tijd voordat heer Abdullah is bedaard. Hij grijpt naar zijn buik alsof hij iets verkeerds gegeten heeft, zucht eens diep, wrijft door zijn ogen en is dan pas in staat om weer normaal te spreken.
‘Farouk, vertel eens. Wat denk jij hiervan? Probeert deze lijfwacht met dit verhaal zijn huid te redden of spreekt hij de waarheid?’
‘Heer, hoe zou ik nu aan het woord van een van uw vrouwen kunnen twijfelen?’
De emir glimlacht hem minzaam toe.
‘Mijn beste Farouk, natuurlijk mag jij niet aan Darya’s woorden twijfelen. Maar ikzelf mag dat wel. Volgens mij heeft deze lijfwacht niet enkel moed en mensenkennis, maar ook nog eens een goede smaak. Hij begreep meteen waarom Darya mijn bed nog niet deelde.’
Peinzend kijkt de emir Umar aan. ‘Vrijspreken kan ik deze lijfwacht niet. Maar ik zal zijn vonnis wel aanpassen. Morgen vertrekt hij naar de landen van de christenen. Brengt hij mij deze of uiterlijk de volgende maan een roodharig meisje dat in bed net zo vurig is als de verhalen daarover vertellen, dan zal ik dat zien als een teken van Allah. Dan neemt zij Darya’s plaats in. In dat geval wordt Umar opnieuw een van mijn lijfwachten. Sterker. Dan verdient hij een hogere rang dan die hij nu verloor.’
De volgende morgen wordt Umar naar de stallen van Abdullah’s garde gebracht.
‘Ik wil mijn eigen paard,’ verklaart hij, ’en daarnaast een makke en sterke merrie.’
De stalmeester knikt. ‘Vertel me wat je verder mee wilt nemen, Umar. Ik laat er meteen voor zorgen. Moge Allah je pad verlichten.’

Zes jaar lang diende Umar in het leger van de emir en hij kent bijna alle paden in het niemandsland tussen het emiraat en het land van Alfonso, de christelijke koning van Léon. Het kost hem dan ook geen moeite om de juiste route aan te houden. Vier dagen na zijn vertrek uit Cordoba nadert hij de eerste nederzetting. In een wijde boog trekt hij er omheen en gaat verder naar het noorden, want alle plaatsen langs de grens van Léon zijn omgeven met hoge muren en worden dag en nacht bewaakt. Bovendien weet hij van de slavenhandelaren en bordeelhouders in Cordoba dat alleen in het uiterste noorden van de christelijke gebieden, dichtbij Navarra en het land van de Franken, veel vrouwen met blond of rood haar te vinden zijn.

Op de achtste dag na zijn vertrek, als de zon al naar de horizon zakt, ziet Umar in de verte rook kringelen. Hij leidt de paarden weg van het pad en maakt een omtrekkende beweging. In een groene kom tussen hoog struikgewas bindt hij de paarden zo aan een boom dat ze in zijn afwezigheid kunnen grazen. Te voet gaat hij verder, totdat hij de rand van een dichtbegroeide rots bereikt, die een perfect uitzicht biedt op het dorp beneden hem.
Vrouwen halen water bij de put op het dorpsplein. Bejaarde mannen zitten onder de platanen te kletsen. Maar ook jongeren lopen er genoeg rond, zowel jongens als meisjes.
Eén van die meisjes valt Umar meteen op. Heel haar houding en manier van lopen bewijst dat ze graag gezien wordt. Ze lijkt wel gewichtloos over het plein te zweven, terwijl lange, rode krullen in een krans rond haar hoofd dansen. Even later verdwijnt ze in een woning aan de dorpsrand. Umar weet genoeg. Dit meisje zal de emir zeker bevallen.
Geduldig wacht hij op het vallen op de duisternis. Tot zijn genoegen verschijnt er een smalle maansikkel aan de met sterren bezaaide hemel, net genoeg om hem de weg te wijzen, te weinig om zijn aanwezigheid te verraden. Niet veel later bereikt hij de woning waar hij het meisje naar binnen zag gaan. Hij telt drie ramen, twee aan de straatzijde en één aan de achterzijde. Op dat laatste gokt hij. Het is een zwoele avond en opnieuw lacht het geluk Umar toe. De luiken staan gewoon open…Het meisje ligt met de rug naar hem toe. Een streep maanlicht valt op haar rode haarbos. Terwijl Umar door de raamopening klimt, draait ze zich om en opent haar ogen. Voordat zij beseft wat er gebeurt, is hij bij haar, slaat een hand voor haar mond en plant de punt van zijn mes tegen haar keel. Als verlamd, haar ogen wijd opengesperd, blijft ze liggen.
Nu volgt het moeilijkste gedeelte; het meisje naar buiten krijgen zonder haar ouders te wekken. Maar Umar is lenig en het meisje blijkt verstandig genoeg om haar leven niet op het spel te zetten door zich te verzetten of alsnog te gaan gillen.
Zo gauw ze buiten zijn, klinkt een paar woningen verder een klagelijk gejank, gevolgd door luid geblaf. Umar pakt het meisje bij de arm en dwingt haar om het naast hem op een lopen te zetten naar het struikgewas buiten het dorp.
Iemand achter hen schreeuwt. Als de dorpsbewoners beseffen wat er gebeurt en hun honden achter hem aan sturen, is hij verloren. Maar het lijkt er op dat de schreeuwende man alleen maar boos is op de hond die zijn slaap verstoorde. Het dier jankt nog één keer kort en luid, waarschijnlijk vanwege een stevige trap. Dan is alles weer stil. Zonder verdere problemen bereiken ze de paarden.

Acht dagen achter elkaar wakker blijven is onmogelijk. Daarom moet Umar het meisje elke avond opnieuw zo vastbinden dat ze zich niet tijdens zijn slaap kan bevrijden. Hij ziet al snel hoe wreed dat is. Het sloopt haar krachten. Overdag heeft zij de grootste moeite om niet van haar toch zo rustige merrie af te vallen. Ook valt het hem nu pas op hoe jong dit meisje nog is. Al zijn haar heupen breed genoeg en haar borsten rond en welgevormd, zij telt duidelijk minder jaren dan zijn zus Jamilah. Bij die laatste gedachte schaamt Umar zich plotseling vreselijk. Wat zou hij doen als hij een man te pakken kreeg die zijn zuster als een stuk vee ontvoerde om haar uit te leveren aan een wellustige oude man als emir Abdullah?
Even komt hij in de verleiding om het meisje gewoon weer te laten gaan. Maar wat dan? Dan vergooit hij zijn eigen leven.
Terwijl ze tegenover elkaar zitten om wat te eten, wijst hij in een opwelling naar zichzelf. ‘Umar’, zegt hij. Dan richt hij zijn vinger op het meisje en kijkt haar vragend aan.
‘Eguskina,’ zegt ze meteen. Er klinkt opluchting door in haar stem. Ze zal denken dat iemand die haar naam wil weten haar wel niet zal verkrachten. Echt angstig lijkt ze niet langer te zijn. Verbeeldt hij het zich, of ziet hij zelfs even iets van spot in haar blik?
Hoe dichter ze bij Cordoba komen, hoe schuldiger Umar zich voelt. Als ze zestien dagen na zijn vertrek de hoofdpoort van de stad achter zich laten en bij het paleis halthouden, is hij zo verdoofd en in de war dat hij geen antwoord geeft op de vragen van de wachters. Maar die herkennen hem en schrijven zijn zwijgen aan uitputting toe. Ze leiden hen naar binnen.

Opnieuw knielt Umar neer voor Abdullah’s troon. Eguskina staat roerloos naast hem.
‘Je hebt mij aangenaam verrast, Umar,’ zegt de emir. De inwoners van Léon bewaken hun land angstvallig en haten ons als de pest. Toch ben je er in geslaagd om je opdracht naar mijn volle tevredenheid uit te voeren. En ook je gevoel voor smaak is meer dan uitstekend. Je hebt me een zeldzaam juweeltje bezorgd. Daarom neem ik je weer in genade aan. Vanaf nu maak je weer deel uit van mijn persoonlijke lijfwacht.’
Umar drukt zijn hoofd tegen de koele steen. Hij zou dankbaar en opgelucht moeten zijn, maar hij voelt zich alleen maar ellendig. Van de eunuchen weet hij hoe Abdullah is. Ook met een nog zo jong meisje als Eguskina gaat hij alles doen wat Allah verboden heeft. Hij voelt haar blik op zich gericht. Het brandt een heet gat in zijn ziel. Als Eguskina werkelijk bij Abdullah in de smaak valt, kan dat haar leven in een hel veranderen.
Met moeite slaagt Umar er in om zijn verwarring niet al te erg te laten blijken.
‘Uit naam van Allah dank ik u voor uw genade, mijn Heer,’ stamelt hij.

Pas tegen de avond van de vierde dag ziet hij Eguskina opnieuw. Tussen twee eunuchen in loopt zij naar Abdullah’s vertrekken. De volgende morgen wordt ze, alweer tijdens zijn wacht, teruggeleid. Umars hart gaat als een razende tekeer als hij haar langs ziet komen. Ze oogt vermoeid en kijkt hem slechts een ogenblik aan.
Dat gaat zo een aantal dagen door. Telkens maakt Eguskina een meer uitgeputte indruk. Umar wordt steeds wanhopiger. Om zichzelf te redden heeft hij een onschuldig meisje in het ongeluk gestort. Hij kan slechts één manier bedenken om na zijn dood alsnog met een zuiver geweten voor Allahs troon te verschijnen; het meisje moet terug naar huis…
Hij bedenkt een driest vluchtplan, dat echter alleen kans van slagen heeft als Eguskina voorbereid is en weet wat haar te doen staat als het zo ver is. Maar hoe vertelt hij haar dat als ze elkaars taal niet spreken? Het kost hem niet zo veel tijd om een oplossing te bedenken. Cordoba is na Bagdad de grootste stad ter wereld. Er is dus zeker wel iemand te vinden die de taal van Léon spreekt en die ook kan schrijven.
Na zijn dienst gaat Umar naar de slavenmarkt, op zoek naar een handelaar die ook slavinnen uit de christelijke landen in de aanbieding heeft. Hij vertelt dat hij een mooie blonde slavin voor een halve dag nodig heeft. De handelaar fronst zijn wenkbrauwen na dat vreemde verzoek en noemt vervolgens een veel te hoge prijs. Bijna betaalt Umar die zonder af te dingen. Net op tijd bedenkt hij dat zoiets achterdocht zou wekken.
‘Ik betaal de helft van wat je vraagt en dan nog alleen als ze naast haar eigen taal ook Arabisch spreekt,’ zegt hij.
De slavenhandelaar twijfelt voor de vorm, maar stemt al snel toe. Hij leidt Umar naar een groepje meisjes. ‘Zoek er zelf maar een uit,’ zegt hij. ‘Je moet wel ook haar volledige waarde als onderpand betalen. Je krijgt het terug als je haar onbeschadigd terugbrengt.’
Umar knikt enkel. Hij zwijgt tot de handelaar buiten gehoorsafstand is. ‘Wie van jullie spreekt Arabisch en kan iets in de taal van Léon schrijven?’ vraagt hij. ‘Dat laatste is het enige wat ik verlang. Wie met mij meegaat, zal ik belonen en met geen vinger aanraken.’
Tot zijn opluchting reageert een van de meisjes meteen. ’s Avonds heeft hij het rolletje perkament met de boodschap die hij nodig heeft. Daarna kost het alleen nog een paar zilverstukken om die door een eunuch bij Eguskina te laten bezorgen. Kan Eguskina lezen? Zeker weet Umar dat niet, maar heel zijn gevoel zegt van wel. En anders is zij slim genoeg om een van de andere haremvrouwen in vertrouwen te nemen. Enkele daarvan zijn van edele komaf en komen uit Asturië en Navarra, waar men ongeveer dezelfde taal spreekt als in het koninkrijk Léon.

Nog een paar martelende dagen duurt het voordat Eguskina voor de eerste keer niet van de haremverblijven naar Abdullah’s slaapvertrekken gebracht wordt. Zo gauw de duisternis valt, verlaat Umar zijn post en sluipt naar binnen…
De eunuch die de wacht houdt voor de ingang van de Eguskina’s slaapvertrek kijkt hem stomverbaasd aan, maar reageert niet. Hoe kan hij ook weten dat hij van een van Abdullah’s lijfwachten iets te duchten heeft? Een moment later zakt hij met een zucht ineen. Umar sleept hem de slaapkamer in. Hij trekt zijn kleren uit en wurmt de eunuch uit de zijne. Gelukkig heeft de man ongeveer zijn formaat. Hij loopt naar het bed van Eguskina, schudt haar voorzichtig wakker en legt een hand over haar mond om te voorkomen dat ze van schrik gaat schreeuwen. Eguskina wordt wakker. Volmaakt kalm kijkt ze hem aan. In het halfduister lijken haar groene ogen licht te geven.
Iets raakt Umar op het achterhoofd. Voordat alles zwart wordt, ziet hij haar glimlach…

 

Het water in de murenenvijver kolkt heftig en begint langzaam rossig te kleuren.
‘Eigenlijk heb ik wel met hem te doen,’ zegt Eguskina tegen de tolk die vlak achter haar staat en al haar woorden ijverig in het Arabisch herhaalt. Ze buigt zich voorover om het schouwspel daar beneden beter te kunnen zien en schudt daarbij haar rode lokken los.
Umar heeft zich tot dan gedragen als een rechtgeaarde lijfwacht van de emir. Al is het vlees op zijn onderbenen tot op het bot weggevreten en al naderen de klikkende kaken van de murenen zijn edele delen, hij heeft nog geen kik gegeven. Maar als hij omhoog kijkt en de geamuseerde houding van Eguskina opmerkt, ontsnapt hem een dierlijke jammerklacht.

Eguskina wendt zich tot de emir en kijkt hem verschrikt aan.
‘Wat is er?’ reageert Abdullah met een minzame glimlach. ‘Je hebt medelijden met de man die jou ontvoerde en je leven meer dan een keer in gevaar bracht?’
‘Nou ja, een klein beetje wel,’ reageert Eguskina. ‘Hij wilde me terugbrengen naar mijn dorp, waar enkel lompe boerenkinkels leven. Daar dacht hij mij een grote dienst mee te bewijzen. Tja, slim lijkt hij me niet te zijn. Hij vond het zielig dat ik me ’s nachts zo moet uitputten. Hij zag helemaal over het hoofd dat ik daar geen enkel probleem mee heb en dat ik overdag alle gelegenheid krijg om weer op krachten te komen.’
Ze lacht nu hardop. Het geluid wordt door Umars gegil overstemd. Eguskina buigt zich naar Abdullah toe. Ze zorgt er voor dat Abdullah daarbij voluit van het uitzicht op haar boezem kan genieten.
‘Van het begin af aan deed hij precies wat ik wilde. Van mijn moeder erfde ik een paar vaardigheden die in de omgang met mannen hun diensten bewijzen.’
‘Een soort tovenarij misschien?’ oppert Abdullah, terwijl hij zijn ogen niet van haar borsten af kan houden. ‘Ik heb me laten vertellen dat de christenen geloven in iets dat ze wonderen noemen. Ik moet eerlijk toegeven dat jouw wonderlijke gaven ’s nachts meer dan voortreffelijk werken. Maar je gaat mij toch niet ook hier op die manier betoveren? Of toch?’ Zijn gezicht glimt van genoegen.
Daar beneden is het intussen stil geworden. Eguskina’s schaterlach weerkaatst van het vijveroppervlak, waar enkel nog wat rossig schuim ronddrijft.
‘Oh nee, mijn Heer. Dat zou ik nooit durven.’
Ze knipoogt naar de tolk, buigt zich over de emir heen en geeft hem een speels kneepje in de wang.

 

4. Chan-mi

Verhaal nummer vier is net zoals de meeste van mijn oudere verhalen de vrucht van een schrijfwedstrijd. In dit geval ging het om een van de betere wedstrijden, omdat de organisator (uitgeverij Historische Verhalen) alle voor een bundel geselecteerde verhalen nauwgezet redigeert.
Van de eenentwintig shortlistverhalen haalde ‘Chan-mi’ de tweede plaats, wat een prominente plek in de bundel ‘Korte verhalen uit de Gouden Eeuw’ opleverde. De bundel kwam in 2017 uit en kreeg onder andere op Hebban een reeks mooie recensies.
Het verhaalidee borrelde bij mij op na het lezen van het scheepsjournaal van Hendrick Hamel, die met het VOC-schip de Sperwer in de zomer van 1653 op de kust van Korea strandde. Van de vierenzestig bemanningsleden overleefden er achtendertig. Ze mochten Korea echter niet verlaten, omdat de regering het bestaan van het land verborgen wilde houden. Dertien jaar later, in 1666 slaagde een deel van de oorspronkelijke bemanning er in om in een primitief vaartuig de VOC-factorij in het Japanse Nagasaki te bereiken. Stof genoeg voor een aantal spannende verhalen. Om de geijkte wegen te vermijden koos ik er voor om niet uit te gaan van de lotgevallen van een van de bemanningsleden, maar het verhaal te schrijven vanuit het perspectief van een Koreaans meisje, namelijk de bastaarddochter van een Koreaanse magistraat. Dat was een behoorlijke uitdaging, omdat het nogal wat research naar de Koreaanse geschiedenis, samenleving en cultuur met zich mee bracht. Dat ik juist met dit verhaal hoge ogen gooide, deed me dan ook deugd.

 

 

Hanyang (Seoul) –  voorjaar 1658

 

O blauwgroene stroom die zich van de heuvels haast,
Beroem je niet op je snelle vaart:
Eenmaal deel van de wereldzee,
Is er geen weg terug.
Waarom blijf je niet en rust hier uit,
Waar verlaten heuvels baden in het licht van de maan? 

‘Chan-mi, waarom antwoord je niet?’
Bijna laat ik mijn penseel vallen. ‘Vergeving, zuster. Ik hoorde je niet binnenkomen,’ zeg ik met de eerbied die ik een echte dochter verschuldigd ben. ‘Van mijn lerares moet ik een gedicht van Hwang-yi kopiëren.’
‘Een gedicht?’ zegt Chae-yong smalend. ‘Laten ze jou in die kisaengschool dan nooit eens iets nuttigs doen?’ Mijn antwoord wacht ze niet af. ‘Vader wil je spreken. Hij is in de anbang.’
Het hart klopt in mijn keel. De anbang? Moet ik echt naar de mannenruimte? De laatste dagen heb ik daar alleen generaals en hoge ambtenaren van het koninklijk hof naar binnen zien gaan. Vrouwen mogen de anbang normaal niet betreden, zeker niet als ze zoals ik geboren zijn uit een concubine.
‘Schiet op,’ zegt Chae-yong, ‘als je treuzelt, maak je het alleen maar erger.’

In de mannenruimte schemert het, zodat vader niet meer is dan een vaag silhouet. Ik zink op mijn knieën en druk mijn voorhoofd tegen de bodem van glad oliepapier.
‘Chan-mi,’ zegt vader. ‘Heb ook jij gehoord van de bleke mannen uit een ver land, die vijf jaar geleden strandden op het eiland Cheju?’
‘Ja, vader,’ antwoord ik. ‘Iedereen in Hanyang kent dat verhaal. Ik heb ook gehoord dat die mannen landgenoten zijn van Pak Yŏn, uw aangenomen zoon.’
‘Wil je graag een kisaeng worden, Chan-mi?’ vraagt vader ineens.
Mijn hoofd tolt van die onverwachte wending.
‘Ik ben geen echte dochter zoals Chae-yong,’ antwoord ik voorzichtig. ‘De kisaengschool is voor mij de enig mogelijke weg om de oude verhalen en gedichten te leren en er misschien ooit zelf een te schrijven. Pas als ik echt een kisaeng ben, kan ik uw vraag beantwoorden.’
Vader glimlacht. ‘Je bent slim, Chan-mi. Het antwoord luidt dus nee.’
Ik zwijg en durf enkel met een kort knikje te reageren.
‘Ik heb je lerares gesproken,’ gaat vader onverstoorbaar verder. ‘Bo-hui zegt dat jij haar meest getalenteerde leerling bent, net zo goed in muziek en dans als in literatuur en dichtkunst. Ze beweert dat je ooit Hwang-yi zelf zult evenaren.’
Ik voel tranen opkomen en moet veel moeite doen om die terug te dringen. Nooit eerder sprak vader zo lovend over mij. Hij heeft gelijk. Een kisaeng wil ik niet worden, al houd ik van bijna alles wat ik van Bo-hui leer. Maar ik gruw van het vooruitzicht om straks als kisaeng het bed te moeten delen met elke edele yanbang die dat wenst, al is hij nog zo oud en lelijk.
Vader komt overeind en gaat naast mij zitten, alsof ik een echte dochter ben.
‘Chan-mi,’ zegt hij, ‘ik heb met Pak Yŏn gesproken, die vele jaren eerder dan die mannen met zijn schip op de kust van Choson strandde en die inderdaad uit hetzelfde land komt. Ik heb je nooit zijn echte naam verteld. Die klinkt vreemd en luidt Jan Weltevree. Je weet waarschijnlijk dat hij in opdracht van de koning geweren en kanonnen ontwerpt zoals zijn landgenoten die gebruiken. Maar Pak Yŏn wordt oud. Daarom wil hij een van zijn landgenoten opleiden. Hij heeft een jongen van zeventien jaar op het oog die in zijn eigen taal Claes Arentszoon heet. Hij weet niet alleen alles van geschut af, maar bezit ook andere talenten. Pak Yŏn heeft hem al veel geleerd, maar het is niet genoeg. De jongen kan hem pas opvolgen als hij onze taal uitmuntend beheerst.’
‘Wordt het mijn taak om die jongen les te geven?’ Ik schrik van mijzelf. Een meisje wordt niet geacht om dat soort vragen te stellen. Ik hoor af te wachten…
Maar vader neemt er geen enkele aanstoot aan. Integendeel, hij glimlacht.
‘Juist, Chan-mi. Al ben je nog maar vijftien, jij bezit daar de kennis voor. Dat heeft je lerares mij verzekerd. Bovendien kan de jongen dan in mijn eigen huis onderwijs krijgen.’
Maar ik mag helemaal niet alleen bij een jongen zijn! Zou Chae-yong dan altijd naast mij moeten zitten? Dat zou ik vreselijk vinden.
Vader lacht om mijn verbaasde blik. ‘Het is eenvoudiger dan je denkt, kleine dochter. Als ik weg ben en dat is vaak het geval, geef je de jongen gewoon hier les.’
Plotsklaps zit er een brok in mijn keel. ‘Mag dat wel?’ weet ik uit te brengen. ‘En hoe moet het dan met mijn eigen lessen?’
‘Als de jongen jou wil, mag hij je huwen. Dan hoef je geen kisaeng te worden.’
Sprakeloos kijk ik vader aan.
‘Morgen geef je hem zijn eerste les,’ gaat hij rustig verder. ´Je mag hem Baram noemen naar de wind die zijn schip naar de kust van Choson blies. Ga nu naar je school, Chan-mi, en leg je lerares uit waarom je niet meer komt. Maar vertel Bo-hui nog niet dat die jongen jou huwt. Jij mag niet weigeren. Baram wel. Maar ik verwacht niet dat hij dat zal doen. Je bent een zeldzaam juweel, Chan-mi. Dat zal de jongen ongetwijfeld zien. Ik ben blij dat ik je deze kans kan geven, kleine dochter.’
Opnieuw voel ik tranen opwellen. Vader bedoelt dat hij van mij houdt en het beste voor mij wil, al kan een generaal dat onmogelijk rechtstreeks tegen zijn bastaarddochter zeggen. Zonder dralen sta ik op, buig en verlaat de anbang.
In de vrouwenruimte negeer ik Chae-yongs nieuwsgierige blikken. Ik loop naar buiten en volg het pad dat zich tussen de rijstvelden in wijde bochten omhoog slingert om bij de kisaengschool op de top van de heuvel te eindigen.

 

Hanyang –  najaar 1659

Als ik mijn ogen open, voel ik Barams warme lichaam vlak naast mij. Hij is al wakker en kijkt naar mijn blote borsten. Ik lach, steek mijn arm uit en woel door zijn helblonde haar. Baram betovert mij elke dag opnieuw, net zoals die allereerste keer, toen hij de anbang binnenstapte, mij met zijn blauwe ogen opnam en toen met een zwierig armgebaar voor mij boog alsof ik een echte koningsdochter was.
‘Hoe lang moet je nog om je vader rouwen, Chan-mi?’ vraagt hij.
Ik zou boos moeten worden om die weinig subtiele vraag, maar daar ben ik gewoonweg niet toe in staat.
‘Tot de komende zomer,’ antwoord ik. ‘Tot dan zul je geduld moeten hebben.’
‘Jij ook,’ zegt hij. Plagend knijpt hij in mijn wang.
Ik zucht en leg mijn hoofd op zijn schouder. Baram kent mij intussen goed genoeg om te weten dat ook ik die verplichte onthouding moeilijk vind. Maar we weten allebei wat er gebeurt als we ons daar niet aan houden en ik te vroeg in verwachting raak. Hij verspeelt dan zijn bevoorrechte positie en ik verlies alles, zelfs mijn leven. Een vrouw die haar eer te grabbel gooit, moet ter plekke haar paedo gebruiken, het rituele mes dat elke gehuwde vrouw in Choson draagt.
Baram streelt mijn arm. ‘Ik moet je iets vertellen, Chan-mi,’ zegt hij.
Ik luister o zo graag naar Barams melodieuze stem met die eigenaardige tongval, vooral als hij vertelt over zijn geboorteland, oneindig ver van Choson, waar men een vreemde god aanbidt en vrouwen bijna net zo belangrijk schijnen te zijn dan mannen. Maar nu klinkt Barams stem ineens afgemeten en vlak…
‘Gisteren werd ik naar het paleis ontboden, Chan-mi. Tot mijn grote verbazing moest ik voor de koning zelf verschijnen. Pak Yŏn was er ook. Hij wordt te oud om nog langer naar de garnizoenssteden te reizen om elk stuk geschut te controleren, vertelde hij. De koning zelf ondervroeg mij over mijn vorderingen. Ik kon al zijn vragen en ook die van de raadsheren naar tevredenheid beantwoorden. De koning dicteerde mij daarna een tekst. Toen ik alles foutloos in het han’gǔl op wist te schrijven werd ik ter plekke tot Pak Yŏns plaatsvervanger en opvolger benoemd. Morgen reis ik naar P’yŏngyang, daarna naar alle andere provinciehoofdsteden en de belangrijkste havens.’
‘Hoe lang blijf je weg?’ fluister ik.
Baram antwoordt niet meteen. Eerst kust hij mij. ‘Lang,’ zegt hij dan. ‘Te lang… Sommige generaals verwachten een nieuwe landing van de Japanners. Er is zelfs al een gezant naar Bejing gezonden om de Ming-keizer te waarschuwen.’
Slechts één woord onthoud ik. Lang…

 

Saesong – zomer 1666

Barams vrees wordt bewaarheid. Elk jaar moet hij in alle oorlogshavens het geschut gaan controleren. Om elkaar nog af en toe te zien betrekken we dicht bij de haven van Saesong een hooggelegen woning met een schitterend uitzicht over de zuidelijke zee. Dat kan de pijn van Barams bijna voortdurende afwezigheid niet verzachten. Elke keer als ik bij het ontwaken begerig naar zijn lichaam tast, maar enkel lucht voel, begin ik een stukje leger en mistroostiger aan weer een nieuwe dag.

Als de zomer bijna voorbij is, staat Baram op een zonovergoten namiddag totaal onverwacht voor mij. Ik werp mij in zijn armen en houd tijdelijk op met denken. De gedachte dat hij morgen misschien weer afreist, wil ik niet in mijn geest toelaten.
‘Chan-mi, ik moet je iets vertellen,’ zegt Baram als ik hem eindelijk loslaat.
Ik verstijf en kijk hem verbijsterd aan. De laatste keer dat Baram die zin uitsprak staat nog in mijn geest gegrift.
Baram pakt mij bij de schouders en schudt zijn hoofd. ‘Nee nee, Chan-mi,’ zegt hij, ‘het is niet wat je denkt. Deze keer heb ik goed nieuws. Een aantal van mijn landgenoten zijn er in geslaagd om een boot te bemachtigen. Ze vroegen mij of ik ook terug wil naar mijn geboorteland. Ik antwoordde dat ik dat zielsgraag wil, maar niet zonder jou.’
Ik kan het bijna niet geloven en staar Baram met open mond aan.
‘Kun je met die boot helemaal naar jou land?’
Baram moet lachen om die vraag. ‘Natuurlijk niet. We gaan eerst naar Japan.’
Mijn hart staat stil. Japan! Bijna alle families in Choson treuren nog om de doden die bij de laatste Japanse invasie zijn gevallen en om de wreedheden die toen zijn begaan. Zonder de hulp van de Chinese keizer zou mijn land niet meer bestaan. Japan is wel het laatste land waar ik voet aan land wil zetten.
‘Nee, Baram. Dat nooit,’ zeg ik. ‘Misschien helpen de Japanners jullie, maar mij zeker niet. Ze doden mij of verkopen mij als een goedkope slavin.’
‘Niet als ik vertel dat je mijn vrouw bent,’ probeert Baram nog.
Ik schud mijn hoofd. ‘Is er dan geen andere weg? We kunnen eerst naar Bejing reizen. Ik spreek Mandarijn en ken ook de Chinese schrifttekens. In China zal men ons geen haar krenken.’
Baram zwijgt en kijkt mij aan zonder mij te zien. Ademloos wacht ik af.
‘Wie weet, Chan-mi’ zegt hij ten slotte bedachtzaam. ‘We zouden misschien vanuit China de Hollandse nederzetting in Formosa kunnen bereiken vanwaar we dertien jaar geleden vertrokken. Maar ik weet niet of de koning mij zal laten gaan.’
Bijna word ik boos. ‘Willen jullie de koning toestemming vragen om naar Japan te varen?’ vraag ik. ‘Je weet heel goed dat je die goedkeuring niet zult krijgen.’
Baram kijkt mij peinzend aan en buigt dan zijn hoofd. ‘Je hebt gelijk, Chan-mi,’ zegt hij zacht. ‘Ik zal mijn landgenoten laten weten dat ze zonder mij moeten gaan.’

Die avond weet ik niet of ik blij of bedroefd moet zijn. Baram, die zo graag praat en altijd aandacht voor mij heeft, is nu stil en afwezig. Mijn hart bloedt als ik bedenk dat hij misschien door mijn schuld zijn thuisland nooit meer zal zien.
‘Baram, je kunt ook zonder mij gaan,’ gooi ik er zonder nadenken uit.
Nu ziet hij mij weer. ‘Kom hier, Chan-mi,’ zegt hij enkel. Daarna bedrijft hij de liefde met mij. Een mooier antwoord had hij niet kunnen geven.

Twee dagen later moet Baram naar de hoofdstad om verslag uit te brengen van zijn laatste inspectiereis.
‘Denk je na over China?’ vraag ik bij zijn vertrek.
‘Natuurlijk,’ verzekert hij mij. ‘Maar het is al laat in het jaar voor zo’n verre reis. Het is beter om te wachten tot de lente.’
Ik knik. ‘Kom snel terug, Baram.’
Hij kust mij en daalt zonder om te kijken de heuvel af waarop ons huis staat.

Als de dagen zich als kralen aaneenrijgen zonder dat ik enig bericht van Baram krijg, word ik steeds onrustiger. De nazomer is prachtig. Zelden zag ik de hemel zo blauw. Vanuit ons huis kan ik alle eilanden voor de kust onderscheiden tot de allerkleinste rotspunt toe. Wel is het uitzonderlijk droog. Daarom zie ik de stofwolk op de kustweg al wanneer die niet meer is dan een vaag vlekje op mijn netvlies. De knoop die zich langzaam maar zeker in mijn maag vormt, kan ik niet verklaren en ook niet waarom ik zo zeker denk te weten dat die te maken heeft met wat daar in de verte nadert…

Moeizaam en met stramme bewegingen stapt Pak Yŏn uit het rijtuig. Als aan de grond genageld blijf ik in de deuropening staan. Hoe ik ook mijn best doe om die gedachte te verdringen, ik kan slechts één reden bedenken waarom Pak Yŏn op zijn leeftijd de reis van Hanyang naar Saesong zou ondernemen.
Ik kom tot mijzelf en bedenk dat het erg onbeleefd is om alleen maar af te wachten. Terwijl alles in mijn hoofd gonst, loop ik de oude man uit Barams land tegemoet. Zwijgend blijven we tegenover elkaar staan.
‘Je hebt nieuws over Baram?’
‘Ja, Chan-mi,’ antwoordt Pak Yŏn.
‘Slecht nieuws?’
Pak Yŏn zwijgt en buigt zijn hoofd…

Die nacht is het volle maan. Ik kniel neer op de plek waar Baram mij die laatste keer heeft liefgehad. Als ik mijn ogen sluit, word ik warm van binnen en beleef het van de eerste streling af opnieuw.
Dan sta ik op en ga naar buiten. Voor ons huis kniel ik neer op de rotsbodem. De zilveren maanschijf weerspiegelt zich in de zee voor mij, waarin ook Formosa ligt, de poort naar Barams wereld. Voordat ik naar mijn paedo tast om die wereld na hem te betreden, denk ik een laatste keer aan Hwang-yi.

O blauwgroene stroom die zich van de heuvels haast,
Beroem je niet op je snelle vaart:
Eenmaal deel van de wereldzee,
Is er geen weg terug.
Waarom blijf je niet en rust hier uit,
Waar verlaten heuvels baden in het licht van de maan? 

 

 

3. Een hemels leven

Niet alleen de verhalen van de Grieks-Romeinse mythologie, maar ook de klassieke bijbelverhalen blijven voor mij een dankbare bron van inspiratie. Als kind leefde ik nog in de tijd dat op je rapport het punt voor godsdienst en vooral het getal achter ‘misbezoek’ een prominente plaats innam.
Het leukste vond ik de tekenopdrachten. Meestal waren die nogal saai, maar bij de godsdienstles waren ze soms behoorlijk spannend. Dan mocht je bijvoorbeeld naar hartelust blote mensen in een laaiend vuur tekenen, waar gehoornde rode monsters geestdriftig in stonden te prikken, naar ik toen vermoedde om te controleren wie er al gaar was.
Mijn fascinatie voor dat soort helse taferelen is zo ongeveer het enige dat van mijn verder behoorlijk mislukte katholieke opvoeding is blijven hangen. Zo’n vijftig jaar later inspireerde het mij tot het schrijven van het verhaal over Angelino en Roberto, waarmee ik in 2017 voor het eerst een plekje kreeg in Ganymedes, de langst bestaande jaarbundel in het fantastische genre. 

Pieter Bruegel De Oude – De val der opstandige engelen 1562

 

O hemel! Hoe kon ik Roberto nu uit het oog verliezen? Voor een mens lijkt zoiets een onbeduidende onachtzaamheid. Niet voor mij. Toen Michaël mij Roberto toewees, peperde hij het mij nog eens in. ‘Angelina,’ zei hij, ‘zo lang het aan jou toevertrouwde mensenkind leeft, mag je nóóit, maar dan ook nóóit je aandacht laten verslappen. Dat alom aanwezige satansgebroed slaapt nooit. Het wacht op de dag dat jij een fout maakt en straft die dan genadeloos af.’
Heel even richtte ik mijn aandacht op een jong stelletje, dat op een bankje zat te flikflooien zonder zich van iets of iemand wat aan te trekken. Wat bezielde me om mij door zoiets banaals af te laten leiden?

Er is geen tijd om daarover na te denken. In paniek flits ik langs volle terrassen en drukke winkelpromenades, wanhopig tastend naar Roberto’s aura.
Het is niet enkel de angst om te falen, die mij voortdrijft. Als ik Roberto zie of zelfs maar aan hem denk, word ik overvallen door een warm gevoel dat heel mijn lichaam aangenaam doet tintelen, tot in de topjes van mijn vleugels toe. Het is een gevoel waarover ik daarboven nooit iemand hoorde reppen, maar waarvan ik heel goed weet dat het voor mij streng verboden is. Het is iets lichamelijks, niet passend voor etherische wezens die alleen in acute noodgevallen hun vleselijke vorm aan mogen nemen. Maar toch, voor al het goud in het paradijs wil ik Roberto niet verliezen…
Eindelijk, na een paar angstige uren, voel ik hem weer, maar wel verbazend vaag, alsof hij in korte tijd een enorme afstand heeft afgelegd.
Of… ? Aan die andere mogelijkheid durf ik niet eens te denken

Op een gazon in het stadspark vind ik hen. Van schrik neem ik bijna mijn stoffelijke vorm aan. De vrouw die naast Roberto ligt, ziet er met haar golvende roodblonde haar engelachtig genoeg uit. Ik weet wel beter, zeker als haar blik Roberto loslaat en zich op mij richt. Een flauwe glimlach speelt rond haar mond. Zij ziet mij, zij weet dat ik haar herken en schept daar een satanisch genoegen in. Erger, zij heeft Roberto al zo in haar greep, dat ik er niet meer in slaag om tot hem door te dringen.
Wat nu? Eigenlijk moet ik hier zo snel mogelijk melding van maken en mijn plaats afstaan aan iemand met ervaring in het oplossen van dit soort helse klussen. Ik word misselijk van angst als ik besef dat ik Roberto dan voor altijd kwijt ben. Dat nooit! Als ik vanaf nu geen ogenblik meer verzaak, maakt die duivelin vroeg of laat ook een fout. Met engelengeduld besluit ik te gaan wachten op die éne kans…

Vooral de nachten worden een ware hel. Ik durf niet van Roberto’s zijde te wijken en kan mijn ogen geen moment sluiten voor al het walgelijks dat zich vlak voor mij afspeelt. Machteloos moet ik aanzien hoe zij hem op alle mogelijke manieren in bezit neemt. En het ergste, Xanti – zo luidt haar naam – weet dat ik toekijk. Op die manier geniet ze dubbel van haar duivelse verleidingskunsten. Ze kronkelt op of onder Roberto’s zwetende lichaam, schreeuwt het uit van genot en vergeet zelfs dan nooit om mij af en toe een triomfantelijke blik toe te werpen.

Spoedig daarna vraagt Roberto haar ten huwelijk. Zo volledig is hij in Xanti’s ban, dat ik niet verbaasd ben over de plek die hij voor de trouwplechtigheid kiest; het stadspark waar zij hem in de val lokte en waar ik hen voor het eerst samen zag.
Midden op een grasveld is een rode, met bloemen versierde boog opgericht. Terwijl ze daar onderdoor lopen, regent confetti op hen neer.  Ze omhelzen elkaar en Roberto kust Xanti met volle overgave. Op dat moment gebeurt er iets dat mij met stomheid slaat. Tijdens die lange kus laat Xanti haar greep op Roberto’s  geest los. Helemaal vrijwillig gunt zij hem een moment van volledige vrijheid. Hoe kan dat nu? Waarom neemt zij op die manier het risico om Roberto aan mij te verliezen? Ze weet dat ik toekijk en op een kans als deze loer. Is ze echt zó zeker van haar zaak?
‘Je bent verduiveld mooi,’ fluistert Roberto in haar oor.
‘Zou je mij overal volgen?’ vraagt Xanti.
‘Natuurlijk.’
‘Zelfs in de dood?’
‘Waar je maar wilt,’ antwoordt Roberto.
Tijd om over die woorden na te denken heb ik niet. Dit kan mijn laatste kans worden om Roberto voor de poorten van de hel weg te slepen. Razendsnel tast ik naar zijn geest. Vergeefs!  Ik voel hem en hij voelt mij, maar toch weigert hij mijn boodschap toe te laten of er zelfs maar een ogenblik naar te luisteren. De hellefeeks heeft hem zo ver gekregen dat ze geen dwang of overreding meer nodig heeft! Mijn aanwezigheid laat hem koud.
Godzijdank was ik niet zo onnozel om mijn lichamelijke vorm aan te nemen. Dan zou ik zeker in tranen zijn uitgebarsten en mijzelf volslagen belachelijk gemaakt hebben. Leeg en gebroken laat ik het park achter mij. Roberto merkt het niet eens op, maar Xanti uiteraard wel. Haar geluidloze, spottende lach achtervolgt mij nog een hele tijd. Het brandt een gloeiend litteken in mijn ziel.

Pas de volgende dag dringt het ten volle tot mij door hoe beroerd de zaken er voor staan. Als ik voor de raad van aartsengelen ootmoedig mijn fouten toegeef, voldoende berouw toon en mijn straf gelaten onderga, zal ik ooit weer in genade aangenomen worden, maar Roberto zal ik nooit meer terugzien. Heel mijn eeuwige leven zullen de herinneringen aan zijn warme, altijd zo nabije lichaam mij kwellen.
Ik neem het wanhopige besluit om niet terug te keren naar mijn hemelse basis. Als een eenzame dwaalengel blijf ik op aarde achter, altijd op mijn hoede voor de vallen die Xanti’s soortgenoten zetten en intussen de wildste plannen uitbroedend. Een voor een verwerp ik ze, totdat ik er uiteindelijk één overhoud…

Zeven dagen later lopen Roberto en Xanti gearmd door een drukke winkelstraat. Xanti’s oog valt op de etalage van een trendy modezaak.
‘Hé,’ roept ze, ‘zoiets zocht ik al een eeuwigheid!’
Ze laat Roberto los en snelt de straat over, net als er een tram nadert. Ik schiet naar voren en neem voor één ondeelbaar ogenblik mijn stoffelijke vorm aan, net lang genoeg om Xanti op het juiste ogenblik een por in haar rug te geven.
Na de klap en het geluid van haar brekende botten zweef ik meteen weer omhoog. Tot mijn onuitsprekelijke opluchting constateer ik dat ik afdoende met Xanti’s menselijk omhulsel heb afgerekend. Roberto zinkt naast haar gebroken lichaam op de knieën. Onder haar hoofd vormt zich een plas helrood bloed.
‘Ik zal op je wachten,’ fluistert Xanti. Meteen daarna breken haar ogen.
Wat bedoelt die verraderlijke helleveeg daar nu weer mee? Natuurlijk wacht ze op hem. Ze gaat er alles aan doen om hem in een ander lichaam opnieuw te verleiden en hem vervolgens alsnog op zijn helse bestemming af te leveren. Dat is haar opdracht. Voor dat doel is zij geschapen. Maar waarom moet ze dat zo nodig hardop tegen Robert zeggen?
Ach, wat doet het er toe? Een tweede kans zal Xanti niet krijgen. Voordat ze dat andere lichaam gevonden en in bezit genomen heeft, heb ik Roberto al lang en breed terug. Dan zal  ze haar nederlaag moeten erkennen en op zoek gaan naar een verse prooi. Zonder Xanti’s duivelse invloed zal Roberto’s geest zich snel weer voor mij openen.

Maar Roberto’s geest opent zich na die dag voor niets of niemand meer. Hij geeft zijn baan op en komt enkel nog de deur uit om naar de slijterij te lopen.
Ik ben niet meer van zijn zijde weg te slaan. Geduldig probeer ik hem elke dag en nacht opnieuw te bereiken, maar vergeefs. Integendeel, hoe harder ik mijn best doe, hoe meer nachtmerries hij lijkt te krijgen.
Ik moet iets anders bedenken. Maar wat? Als ik Roberto tijdens een broeierige zomernacht woelend en zwetend in bed zie liggen, breekt uiteindelijk het besef bij mij door dat ik moet kiezen of delen. Ga ik iets bereiken door nog langer de schone schijn van deugdzaamheid op te houden? Nee dus! Xanti’s rechtstreekse aanpak bleek heel wat effectiever dan al dat braaf, bemoederend gedoe van mij.
De eerstvolgende nacht verloochen ik mijn astrale aard en laat in één klap al mijn remmingen varen. Ik neem mijn stoffelijke vorm aan en glijd naakt langs Roberto in bed. Nu pas besef ik ten volle over welke wonderlijke zintuigen mensen zoal  beschikken. Natuurlijk wist ik dat wel, maar voelen wat die zintuigen met je lichaam doen is nog heel iets anders. Als ik eindelijk zo dicht bij Roberto lig dat ik de warmte van zijn gespierde lichaam kan voelen, tril ik van top tot teen en niet alleen vanwege de ondraaglijke spanning… Ik waag het om een hand op zijn schouder te leggen.    Roberto kreunt zachtjes, draait zich om en strekt zijn armen al naar mij uit. Als hij echter mijn gezicht ziet, spert hij zijn ogen wijd open en kijkt mij met een blik vol regelrechte afschuw aan. Dan stoot hij me zo hardhandig uit zijn bed dat ik pardoes op de grond val. Huilend en helemaal buiten zinnen vlucht ik uit mijn mensenlichaam, zo overmand door pijn en verdriet dat ik in een peilloos diep zwart gat stort.

Als de wereld weer tot mij doordringt, verman ik mij en keer op mijn schreden terug. Ik kan eenvoudig niet anders. Het levert mij de ergste schok vanaf mijn schepping in het begin der tijden op. Roerloos ligt Roberto op zijn bed. Zijn open ogen staren naar het plafond. Op het nachtkastje ligt een leeg pillendoosje.
Dan, eensklaps, vult een dichte, gelige mist de kamer. Als de zwaveldampen langzaam optrekken, zie ik Roberto gewoon weer rechtop zitten. Xanti staat naakt naast zijn bed en buigt zich over hem heen. Met spijt moet ik toegeven dat ze voor een duivelin een prachtig lichaam heeft. Haar rode horentjes kleuren prachtig bij haar blonde haar en zelfs haar gevorkte staart weet ze heel bevallig met elke beweging van haar heupen mee te laten dansen.
‘Weet je nog wat je mij beloofde?’ vraagt ze.
‘Zeker,’ zei Roberto. ‘Ik werd net wakker en wilde je meteen gaan zoeken.’
Xanti straalt en zwiept vol vuur met haar staart.
‘Waarom heb je juist mij uitgekozen?’ vraagt hij.
Xanti zwijgt en laat haar staart hangen. Een frons verschijnt op haar gezicht.
‘Dacht je echt dat Satan ons inspraak gunt?’ zegt ze. Ze wendt haar blik een ogenblik af en kleurt zo mogelijk nog roder dan ze al was. ‘Nee hoor. Je werd mij gewoon toegewezen. Maar geloof mij Roberto, toen ik je voor het eerst zag, vergat ik dat op hetzelfde moment en maakte het niets meer uit.’
Xanti neemt Roberto bij de hand en leidt hem de tunnel naar de oneindigheid in. Als verlamd kijk ik toe hoe ze, hun handen ineengestrengeld,  samen in het verblindend witte licht verdwijnen. Ingrijpen kan ik niet. Eenmaal op weg naar het hiernamaals heb ik geen enkele invloed meer op wie dan ook. Het enige wat mij rest is hen, mijn hart vervuld van afgrijzen, op eerbiedige afstand te volgen.

Op het eind van de tunnel komen ze bij de splitsing, waarvan de ene tak naar het eeuwige licht leidt en de andere naar het helse vuur.
Daar gebeurt het ondenkbare… In plaats van op dat punt direct de voor Roberto fatale tak te kiezen, staat Xanti abrupt stil en omhelst hem onstuimig. Eensklaps begrijp ik het duivelse dilemma waarmee zij al die tijd geworsteld moet hebben. Voor eeuwig wil zij Roberto bij zich hebben, net als ik, maar ze weet ook welke vreselijke prijs Roberto daarvoor zal moeten betalen.
Ik word overvallen door een diep gevoel van schaamte. Zelf had ik totaal niet aan de mogelijkheid gedacht dat een duivelin dit soort gevoelens kan koesteren, zo volkomen was ik beheerst door mijn nogal onhemelse verlangen om Roberto van haar af te troggelen en hem helemaal voor mij alleen te hebben.
‘Welke ingang leidt naar de hemelpoort?’ vraagt Roberto simpelweg.
Eén tel kijkt Xanti naar links. Voor Roberto is dat genoeg. Zonder een moment te aarzelen grijpt hij haar bij de staart, laat niet meer los en sleurt haar die kant uit. Eventjes stribbelt Xanti tegen, maar volgens mij is dat enkel voor de vorm. Van stomme verbazing vergeet ik bijna hen te volgen.

‘Je kunt nu wel zeggen dat jij voor die duivelin instaat,’ hoor ik Petrus mopperen, ‘maar weet jij ook wie er voor op kan draaien als zij hier straks problemen veroorzaakt?’ Wijdbeens en met de armen over elkaar staat hij voor de hemelpoort.
Dan doet Petrus, geheel tegen mijn verwachting in, alsnog een stap opzij en gebaart dat Xanti en Roberto verder mogen. De doffe wanhoop in Roberto’s ogen moet hem vermurwd hebben.
‘Vooruit dan maar,’ zegt hij, ‘loop snel door. Maar hang dit alsjeblieft niet aan de grote klok. Voordat je het weet gaat het als een lopend vuurtje rond. Dan lopen die van hiernaast binnen de kortste keren de poort plat.’

Als de twee naar binnen zijn, wendt Petrus zich tot mij. ‘Knap werk, Angelina,’ zegt hij. ‘Die jongen de hemel binnenleiden zal voor jou niet zo’n probleem geweest zijn, maar hoe heb je háár in ’s hemelsnaam zo ver gekregen?’

Ik ben te treurig en te lamgeslagen om meteen een antwoord te bedenken. Maar snel richt ik mijn hoofd weer op. Dit is mijn eigen schuld. Ik heb het verknald en Xanti heeft haar eeuwigdurende verbintenis met Roberto meer dan verdiend. Voor mij is dit het einde. Eigenlijk moet ik mij nu meteen bij Michaël of een van zijn collega´s gaan melden, maar dat kan ik nog niet opbrengen.
´Ik weet het zelf ook niet,´ antwoord ik ten slotte en keer Petrus de rug toe. Als verdoofd loop ik door de tunnel terug.
Bij de splitsing flitst een gedachte door mijn hoofd, die mij als door een vuurschicht getroffen stil doet staan. Michaël zal mij na mijn onvergefelijk wangedrag zo goed als zeker verbannen naar het vagevuur. Een herkansing in mijn oude functie zal ik daarna nooit meer krijgen. Kortom, ik heb niets te verliezen…
Het idee, dat langzaam vaste vorm aanneemt in mijn hoofd, lijkt waanzinnig, maar hoe ik het ook wend of keer, het is mijn enige kans op een nieuwe opdracht. Als mijn plan slaagt en ik mijn nieuwe werkgever weet te overtuigen, kan ik, net als Xanti, minstens één man daar beneden een hemels leven gaan bezorgen. Ik heb mijn ogen altijd goed de kost gegeven. Daar beneden lopen meer Roberto´s rond…

Resoluut loop ik de rechtertak in, zonder acht te slaan op de snel toenemende hitte.

 

 

2. Naya

‘Naya’ is een op de Griekse mythologie geënt verhaal, waarvoor ik de inspiratie haalde uit een schilderij dat mijn schrijfkamer siert, namelijk ‘Hylas en de nimfen’ van John William Waterhouse. Dat werk zorgde in 2018 voor enige ophef omdat de Manchester Art Gallery het verbande naar de museumkelder, wat al snel tot felle protesten leidde. Naderhand bleek dat het om een stunt ging, bedoeld om een discussie over de functie van het naakt in de kunst uit te lokken. 
In 2018 won ik met dit verhaal de schrijfwedstrijd ‘Achterblijvers’ van Godijn Publishing, wat me uiteraard ook een plekje in de gelijknamige bundel opleverde.

 

 

Naya zwaait de bronzen hak hoog boven haar hoofd en haalt uit naar de gebarsten aarde voor haar voeten. Bij elke klap stelt ze zich voor dat ze niet op een stenige akker staat, maar op Hilas’ blote rug en dat de punt van haar hak niet de grond, maar zijn warme vlees doorboort. Zo gauw die vurige haat uitgeblust raakt, is ze verloren. Dan dooft haar geest uit en zal ze in niets meer te onderscheiden zijn van Hilas’ menselijke slaven en slavinnen. Als het ooit zo ver met haar komt, is de weg naar haar oude leven voor eeuwig afgesloten.
Die gedachte beneemt Naya bijna de adem. Een moment staat ze stil en wist het zweet van haar voorhoofd. Voor de allereerste keer komt Borus niet meteen grauwend op haar af om haar tot werken aan te zetten. Hilas’ hellehond verandert van het ene ogenblik op het andere in een standbeeld. Zijn gloeiende ogen zijn niet langer op haar gericht, maar op iets of iemand in het woud achter de akkers. Alleen zijn slangachtige staart blijft in beweging. Die ranselt zijn gepantserde rug met zo veel kracht dat de vonken in het rond springen. Borus huilt hoog en klaaglijk, alsof daar ergens tussen de oude eiken iets huist dat hem de baas is. De bomen in de verte zingen een zacht lied, een lied waarvan Naya weet dat het voor haar oren is bestemd. Nee… zo is het niet helemaal. Ze voelt dat eigenlijk alleen maar. Alles wat ze was en alles wat ze ooit wist, heeft Hilas haar afgenomen om haar tot de zijne te maken. En zelfs dat weet ze niet zeker. Maar waarom anders probeert Hilas haar elke nacht te verleiden en veroordeelt hij haar na elke weigering tot een nieuwe dag zwoegen onder de brandende zon?
Er is een nóg groter raadsel, waarover Naya zich elke dag en vaak ook ‘s nachts het hoofd breekt. Waarom neemt Hilas haar niet met geweld, terwijl hij dat zo makkelijk zou kunnen? Ze is klein en zwak en al voelt ze met heel haar wezen dat er iets bijzonders in haar schuilt, ze denkt niet dat ze zo ver van huis over enig vermogen beschikt dat Hilas tegen zou kunnen houden. Vragen… vragen… Nu weer de vraag waarom Borus zich plotseling zo anders gedraagt? Vragen, maar geen spoor van een antwoord.
Naya staart naar het plotseling zo verlokkende woud. Dan komt vanuit het niets een idee bij haar op. Ze moét weten of die verandering in Borus toeval is of blijvend. Er is slechts een manier om daar achter te komen. Ook al staat de zon nog hoog aan de hemel, Naya stopt met haar werk, legt de hak over haar schouder en keert terug naar Hilas’ woning. Normaal zou Borus haar onmiddellijk de weg versperren en haar met ontblote tanden dwingen om haar werk te hervatten. Maar deze keer blijft hij rustig langs haar lopen. In een opwelling legt Naya een hand op de hondenkop en krabt de schubben achter Borus’ oren. De hellehond staat dat toe. Sterker, hij likt haar hand met zijn gevorkte tong. Naya haalt een keer diep adem en versnelt haar pas. Zou het woud echt tot leven zijn gekomen? Heeft het de macht om Borus te temmen of gaf het haar de kracht om dat zelf te doen?

Naya … klinken die nacht stemmen vanuit een onbestemde verte. Keer terug naar ons. Herinner je wat je bent en hoeveel we van je houden …
Met een schok wordt Naya wakker. Ze gaat rechtop zitten en pijnigt haar hersenen. Wie roept haar in haar slaap? En waarom denkt ze dan aan water en aan een door de lentezon beschenen oever met frisgroen gras en geurende bloemen? Hoorde zij daar ooit thuis?
Zoals alle dagen hiervoor komt Hilas midden in de nacht naar haar bed. Hij kleedt zich uit en gaat naakt naast haar liggen. Hoezeer Naya hem ook haat om wat hij haar laat doen en om al de vragen die hij weigert te beantwoorden, elke keer als ze wakker wordt bij zijn komst, voelt ze de hitte van Hilas’ lichaam heel dichtbij het hare en kan ze nauwelijks de drang weerstaan om aan haar verlangen toe te geven. Dan staart ze trillend, beide vuisten gebald, met open ogen in het duister. Iets zegt haar dat als ze Hilas ook maar een keer aanraakt, dat verlangen het zal winnen; dat ze dan de zijne zal worden en haar eigen ik voor eeuwig gaat verliezen. Nooit ziet ze dan het koele meer uit haar dromen terug…

De volgende morgen is Naya nog maar net aan het werk als het lied uit het woud verder gaat waar het gisteren ophield. Eerst lijkt het op het ruisen van bladeren of op een zachte windvlaag. Dan pas volgen de woorden. Keer terug, zuster… keer terug… klinkt het in ieder refrein.
Naya aarzelt geen moment en laat de hak uit haar handen vallen. ‘Kom, Borus,’ zegt ze. ‘We worden geroepen. Leid mij.’ Ze heeft geen idee waarom, maar toch weet ze zeker dat de hond haar zal, nee, dat hij haar moét gehoorzamen.
Borus jankt, schudt zijn kop en krabt met zijn vlijmscherpe klauwen de bodem stuk. Heet kwijl druipt sissend langs zijn hoektanden en vormt een borrelende plas op de aarde onder zijn muil. Heel zijn geschubde lijf trilt en siddert. Dan ineens komt hij tot rust. Hij laat zijn kop hangen en loopt heel rustig in de richting van het woud. Naya volgt hem op de voet. Ze kijkt niet meer om.

Bij haar eerste stap in het woud stopt het lied, maar helemaal zwijgen doen de bomen niet. Ze fluisteren in Naya’s geest en voeren haar van de ene oeroude eik naar de andere. Kom zuster , we wijzen je de weg. Heb vertrouwen in ons. Vanaf dit punt is het Naya die voorop gaat en Borus die haar volgt. Als de avond valt, maakt ze een nest van dorre bladeren tussen de knoestige wortels van een oeroude boom. Ze stelt zich voor dat ze een vos of egel is en kruipt er helemaal in weg. Borus gaat naast haar liggen en houdt haar warm.

Die nacht droomt Naya zachte, rustgevende dromen. Die brengen een deel van haar herinneringen terug, het deel dat te maken heeft met dit woud en met de wezens die erover waken. Ze wordt wakker als de eerste zonnestralen in het woud doordringen. Al zwijgen de stemmen nog, Naya weet wie op haar neerkijken. Het zijn dryaden, haar verre nichten waarmee ze ooit speelde en lachte op de bloemenweide langs hun meer. Ook andere herinneringen komen een voor een bovendrijven, als de bladeren van de waterlelies waartussen ze in haar jeugd verstoppertje speelde met haar zussen. Naya begrijpt nu ook waarom de kleren die ze draagt zo vervelend langs haar zachte huid schuren en waarom ze haar een verstikkend gevoel bezorgen, ook al zijn ze geweven van de fijnste en zachtste draden die mensen kunnen spinnen. Ze is gewoonweg niet geschapen om kleren te dragen.
Naya staat stil, maakt de lus van haar hemd los en trekt het over haar hoofd uit. Halverwege die beweging stopt ze en laat het hemd weer over haar naakte lichaam vallen. Nee , spreekt ze zichzelf in gedachten vermanend toe, daarvoor is het te vroeg, Naya. Je kunt op je weg naar huis nog altijd mannen zoals Hilas tegenkomen, die eerst je geest stelen en daarna je lichaam willen bezitten. Breng ze niet in de verleiding. Niet hier…
‘Kom Borus,’ zegt ze, ‘we gaan verder.’ Bij de eerste stap zijn er meteen weer de stemmen van de dryaden die haar de weg wijzen.
‘Laat jullie eindelijk eens zien,’ roept Naya verlangend. ‘Ik weet wie jullie zijn.’ Vanachter een boomstam klinkt een zucht.
‘Nee,’ antwoordt een ijle stem. ‘Niet zolang je de kleding van een mensenkind draagt en dat schepsel uit de onderwereld je vergezelt. Vraag niet nog eens om ons aan jullie te vertonen, Naya, anders verdwijnen we voorgoed.’
Naya schrikt en vervolgt haar weg in stilte. Als de dryaden nog altijd zo’n angst voor Borus koesteren, zullen zij hem zeker niet getemd hebben. Ook nu ze een deel van haar herinneringen terug heeft, gelooft ze nog altijd niet dat ze zelf dat soort macht bezit. Maar wie of wat dan wel?

Na nog eens twee dagen en nachten bereikt Naya de rand van het woud. Daarachter strekt zich een tot de horizon reikende grasvlakte uit, waardoor een glinsterende rivier zich al meanderend een weg zoekt. Naya aarzelt. De herinneringen aan haar thuis en vooral die aan haar zusters zijn terug, maar zal deze rivier haar daarheen leiden? Na een paar stappen op de vlakte keert ze zich om en kijkt vragend naar het woud. Maar buiten de verdwaalde kreet van een vogel blijft het daar stil. De dryaden zwijgen. Borus echter aarzelt geen moment. Hij volgt de rivieroever. Naya heeft geen keus en doet hetzelfde, al heeft ze geen idee of Borus net zo’n betrouwbare gids is als de dryaden waren.

Als de zon het hoogste punt bereikt, komen ze bij een eenzame wilg, waarvan de takken tot in het water hangen. In de schaduw van de boom zit een vrouw in een eenvoudig linnen gewaad.
‘Weet u waar de naiaden leven?’ vraagt Naya haar.
De vrouw kijkt haar aan met ogen die glanzen als zilver. ‘Je bent ver van huis, Naya, maar wel op de goede weg. Ik wachtte hier op jou.’
‘Hoe wist u dat ik zou komen?’
‘Hoe zou ik het niet kunnen weten? Je komt langs de rivier. Ik ben die rivier. Haar water is het bloed dat door mijn aderen stroomt. Het staat in verbinding met al het water in deze wereld, ook met het meer waarin je zusters zwemmen. Die wenen nog altijd om jou.’
‘Weet u ook waarom Borus mij de weg wijst?’
‘Nee, Naya, maar ik ken een man die het wel weet. Je vindt hem bij de rivier die mijn naam draagt,’ antwoordt de vrouw.
‘Is dat dan niet deze rivier?’
‘Ja en nee. De Styx is mijn slagader waarin alle andere rivieren uitmonden. Je staat nu aan de oever van de Lethe, een van mijn aders. Verdwalen kun je niet langer.’
Naya fronst en kijkt Styx nu recht aan. ‘Maar de Styx eindigt in de krochten van de Hades. Wordt dat dan mijn eindbestemming?’
Styx lacht klaterend. ‘Uiteindelijk wel, maar in jouw geval pas als de wolken sterven en de bron van al het water in deze wereld opdroogt. Een naiade zou dat moeten weten.’
‘Heb ik de man waarover u spreekt dan wel nodig?’ vraagt Naya.
‘Een verstandige vraag,’ antwoordt Styx. ‘Jazeker heb je Charon nodig. Om naar je zusters terug te keren zul je de Styx over moeten steken. Zelfs een naiade mag dat niet zwemmend doen.’
‘Maar ik heb geen obeel bij me. Charon zal me niet toelaten op zijn boot.’
Styx glimlacht. ‘Hilas heeft dus bijna een mens van je gemaakt,’ zegt ze hoofdschuddend. ‘Alleen sterfelijke schepsels hebben een obeel nodig en dan nog alleen bij hun laatste reis.’
Naya knikt alleen maar. ‘Heb ik dan Borus nog nodig?’ vraagt ze. ‘Nee,’ antwoordt Styx, ‘maar tot aan de oever van de Styx zal hij bij je blijven.’ Verder zwijgt ze. Haar zilveren ogen vallen dicht. Ze slaapt.
Naya loopt verder. Borus volgt haar op de voet.

Als Naya de eeuwige mist langs de Styx is gepasseerd en de oever bereikt, is er recht voor haar een zwarte schaduw die langzaam in beweging komt. Charon boomt zijn boot in haar richting. Naya vindt het moment gekomen om weer te worden wie ze was. Ze trekt het rare omhulsel uit dat ze van Hilas moest dragen, stapt naakt in het water en hijst zich aan boord. Styx had gelijk. Charon vraagt niet om een obeel. Hij lijkt haar niet eens op te merken.
Borus volgt haar voorbeeld en springt in de Styx. Het water sist en stoomt waar zijn vurige huid het raakt. Bij zijn eerste stap in de mist is hij weer de hellehond geworden die haar zo lang bewaakte.
‘Zal hij me blijven volgen?’ vraagt Naya angstig, als ook Borus zich aan boord werkt, wat de boot een moment vervaarlijk doet schommelen.
Charon blijft zwijgen. Als een duistere schim boomt hij zijn boot naar de overzijde.
Naya laat zich opnieuw in het water zakken en bereikt even later de tegenoverliggende oever. Tot haar opluchting volgt Borus haar niet, maar zijn gloeiende ogen blijven wel op haar gericht. Zelfs als Charon en zijn boot zijn opgelost in de mist, boren ze zich nog in haar ziel, dwars door de nevels die als levende wezens over het loodgrijze water van de Styx kronkelen.
Als verlamd blijft Naya staan. Pas als ze voelt dat ze buiten het bereik van de hellehond is, durft ze zich om te draaien en op weg te gaan naar haar zusters. Hun stemmen klinken als een welkomstmelodie in haar geest. We missen je, Naya… Maak voort, Naya…

Elke volgende dag wordt de afstand tot haar zusters kleiner en Naya’s verlangen groter. Alleen omdat de rivier stroomopwaarts voert en ze nog de kracht mist om al die tijd tegen de stroom in te zwemmen, gaat ze te voet verder, ook al weet ze weer dat de goden haar schiepen als een waterwezen. Als ze honger heeft, duikt ze in de rivier, vangt vissen zoals een otter dat pleegt te doen en verslindt ze rauw. Elk van die maaltijden herschept een stukje van haar oude ik. Langzaam maar zeker wordt ze weer de naiade die ze ooit was…

Eindelijk staat Naya aan de oever van haar thuismeer. Ze trilt over heel haar lichaam. Als ze haar blik over het spiegelende oppervlak laat dwalen, vullen haar ogen zich met tranen. Naya… Naya… zingen haar zusters in haar geest, waar ben je al die tijd geweest?
Limna, Lilae, Syrinx, Nomia, Melita en Castalia duiken precies tegelijk op tussen de waterlelies en staren haar met hun zeegroene ogen aan.
‘Wacht,’ zegt Naya, ‘geef me even de tijd.’ Met een sierlijke duik verdwijnt ze in het water en zwemt pijlsnel rond het hele meer om niet enkel een naiade te zijn, maar zich ook weer zo te voelen. Daarna pas zoekt ze haar zes zussen op, die snel een kring om haar heen vormen om geen enkel woord te missen.
Naya vertelt hoe Hilas haar vond toen zij in de schaduw van een boom lag te slapen, hoe hij haar met de hulp van een gruwelijke hellehond wist te overmeesteren en hoe ze er door de hulp van de dryaden in slaagde om Hilas’ macht over Borus te breken.
Haar zusters slaken luide kreten van afgrijzen als Naya Borus’ uiterlijk in geuren en kleuren beschrijft.
‘Wat wilde Hilas eigenlijk van je?’ vraagt Castalia, haar oudste zus.
‘Wat dacht je?’ antwoordt Naya. ‘Hij wilde mij en dacht dat ik wel voor hem zou bezwijken als hij mijn verleden en herinneringen stal. Maar een ding vergat ik nooit, dat de goden ons schiepen om mannen te verleiden en niet andersom. Als ik had toegegeven, was ik niet langer een naiade geweest.’
‘Je was in zijn macht. Waarom nam hij je niet gewoon?’ wil Castalia weten.
Naya schudt haar hoofd. ‘Over die vraag heb ik onderweg lang nagedacht. Ik weet het niet.’
‘Is Hilas erg mooi?’ vraagt Lilae, Naya’s jongste zus. Haar groene ogen schitteren. Naya zucht diep. ‘Ja. Geloof me, Lilae. Hem weigeren was het moeilijkst van al.’

Als in een lange droom glijden de dagen en seizoenen voorbij. Af en toe komen er jongelingen uit de omliggende dorpen naar het meer. De meesten bedenken zich bijtijds, maar soms bezwijkt iemand voor de lokroep uit de diepte en knielt neer bij de oever. Even later verdwijnt hij onder water om nooit meer boven te komen. Geen sterveling zal ooit te weten komen waar de naiaden de lichamen bewaren om ze op elk gewenst moment tot leven te wekken, met name als het om een uitzonderlijk mooie jongen gaat. Vooral Lilae is onverzadigbaar.
Naya laat dat alles aan haar zussen over. Zo gauw die zich weer eens begerig om een onnozel mensenkind verdringen trekt ze zich terug, overvallen door een verlangen waarvoor ze geen verklaring heeft, meestal op de plek waar Hilas haar ooit vond.

Op een mooie lentemorgen besluit Naya opnieuw daarheen te gaan om zich te koesteren in de eerste zonnestralen. Ze strekt zich uit op het jonge gras en knijpt van puur genoegen haar ogen dicht. Een schaduw valt over haar gezicht…
‘Waarom heb je me verlaten, Naya?’ vraagt Hilas. Naya knippert met haar ogen. Verbijsterd kijkt ze hem aan. Dan overweldigt het verlangen haar dat ze zo lang heeft onderdrukt en vervolgens is ontvlucht.
‘Kom dichterbij, Hilas. Dan word ik eindelijk de jouwe.’
Hilas ontkleedt zich en gaat rustig naast haar liggen. Zonder enige aarzeling komt Naya overeind en beklimt hem. Ze rilt van genot en denkt vast na over een geheim bewaarplekje, waar geen van haar zussen, met name Lilae, hem ooit zal vinden.
‘En nu, Naya?’ vraagt Hilas na afloop. Naya hijgt nog na en kijkt hem niet begrijpend aan. ‘Nu ben je de mijne,’ antwoordt ze. ‘Kijk eens achter je,’ zegt Hilas. In zijn blik ligt een vreemde glans, die Naya aan de zilveren ogen van Styx doet denken…
Naya draait zich om. Borus’ kaken klappen voor haar neus op elkaar.
‘Juist, Naya,’ zegt Hilas, ‘maar ik verzeker je dat je net iets meer de mijne zult worden.’

Zoals alle andere dagen komt Hilas midden in de nacht naar Naya’s bed. Hij kleedt zich uit en gaat naakt naast haar liggen. Dan voelt ze de hitte van zijn lichaam heel dichtbij het hare en geeft ze al snel aan haar verlangen toe. Als Hilas verdwijnt, staat Naya soms nog op. Haar vuisten balt ze niet langer. Ze staart enkel in het duister en droomt over een koel meer en over haar voor altijd verloren zussen. In de deuropening gloeien twee rode kooltjes…

 

 

  1. Hisse

‘Hisse’ was een van de eerste verhalen die ik voor website en uitgeverij Historische Verhalen schreef. Het onderwerp kwam zeker niet uit de lucht vallen. De research voor mijn in 2018 bij Mozaïek uitgegeven historisch tweeluik (‘Alya’ en ‘Alya’s keuze’) leverde me namelijk voldoende inspiratie en ideeën op voor niet een, maar voor een hele rits verhalen die in de vroege middeleeuwen spelen en waarin de Vikingen een hoofdrol of minimaal een belangrijke bijrol spelen. De komende maanden ga ik er daar nog een paar van plaatsen. 
Online verscheen ‘Hisse’ in 2017, op papier in 2018, in verzamelbundel 2 van Historische Verhalen.

 

 

‘Leif!’ roept Hedda, ‘Hisse is er met je boog vandoor!’
‘Die Friese slavin?’ briest Leif. ‘Bij Thor, dat gaat haar de kop kosten.’
‘Gebruik je verstand,’ zegt Hedda. ‘Geef maar toe dat je zoiets enkel roept omdat Hisse liever sterft dan dat ze voor jou op haar rug gaat liggen. Een portie zweepslagen is genoeg om haar gehoorzaamheid bij te brengen. Weet je dan niet wat een nieuwe slavin kost?’
Leif negeert Hedda’s woorden en stormt naar buiten. ‘Bor! Kom hier!’ schreeuwt hij.
Een paar tellen later staat de wolfshond voor hem. Leif neemt hem mee naar de koeienstal, waar de strozak ligt die voor Hisses bed door moet gaan. Hij drukt Bors snuit er zo ruw op dat de hond klagelijk jankt.
‘Zoek!’ roept Leif met overslaande stem.
Bor blaft luid, waarbij zijn staart driftig heen en weer zwaait. Dan loopt hij de stal uit en verdwijnt in het woud. Leif weet hem slechts met moeite in het zicht te houden. Hij probeert de hond tot de orde roepen, maar Bor heeft enkel aandacht voor het meisje dat hij daar ergens voor zich weet. Als een pijl uit een boog schiet hij al zigzaggend tussen de stammen op zijn doel af.
Ver hoeft Bor niet te gaan. Bij een oude eik houdt de hond halt, jankt zachtjes en draait een paar keer om zijn as. Dan begint hij wild te blaffen. Even later staat een hevig hijgende Leif naast hem en kijkt omhoog. Hij ziet niets dan dicht gebladerte…

Vol verbazing staart Leif naar de pijl die uit zijn borst steekt. Hij gaat door de knieën en valt achterover. Langzaam zakt zijn hoofd opzij. Een straaltje bloed loopt uit zijn mondhoek en sijpelt op het mos.
Hisse laat zich uit de boom zakken en kijkt aandachtig naar Leifs dode lichaam. Dan buigt ze zich voorover en pakt zijn mes.
‘Knap werk, Bor,’ zegt ze. ‘Samen redden wij ons wel.’ Met een ruk trekt ze de pijl uit de borst van haar voormalige eigenaar en wrijft de punt schoon aan zijn hemd.
‘Je had van mij af moeten blijven, Leif,’ zegt ze ernstig. ‘Dan had je nog geleefd.’
De wolfshond heft zijn kop en jankt opnieuw.
‘Rouw je om hem, Bor? Dat verdient hij niet. Kom, we moeten weg van hier.’

De avond valt. Een voor een lossen de stammen op in de duisternis. Als een stille geest scheert een uil over haar hoofd. Hisse staat stil en huivert. In haar dorp aan de Friese kust hield ze van de duinen en de zee. Ook kende ze meren, moerassen en zompige weiden, maar de eindeloze wouden van dit land zijn haar onbekend, op de directe omgeving van het langhuis na.
Voordat het laatste sprankje licht uitdooft, maakt ze een nest van dorre bladeren tussen de wortels van een oude boom. Met Bors kop op haar borst valt ze in slaap.

Hisse moet leren dat ze enkel in leven kan blijven door te doden, soms alleen, soms met Bors hulp. Daarna glijden de meeste dagen als in een droom voorbij. Af en toe zijn de nachten kil en vochtig en ontwaakt ze rillend van de kou, terwijl een gestage regen neerdaalt op het woud en al het leven lijkt op te lossen in een grijze mist. Dan zucht Hisse van teleurstelling en vat pas weer moed als ze Bors tong over haar gezicht voelt.
Twee schatten redden haar. De eerste is het mes dat ze van Leifs dode lichaam stal, de tweede haar benen naald, de enige tastbare herinnering aan haar thuisland. De pelzen van de dieren die ze doodt, looit ze met haar eigen urine. Met de linnen draden van haar hemd maakt ze er warme kleding van.

Op een morgen wordt Hisse wakker in een witte wereld, enkel onderbroken door donkere boomstammen die naar een loodgrijze hemel reiken. Vol verwondering, maar ook angstig schudt ze de poedersneeuw uit haar lokken en kijkt om zich heen. Een hele winter in het woud zal ze niet overleven, weet ze plotseling heel zeker. Ze moet verder, maar in welke richting? Rechtdoor, besluit ze. Ooit zal ze dan de zee weer zien, haar enige hoop om dit wrede land ooit nog achter zich te laten.
‘Kom Bor,’ zegt ze. ‘We gaan naar Friesland.’
Tussen de bomen doemt een gestalte op. Hisse tast naar haar boog, maar als Bor enkel oplettend toekijkt en niet gromt, bedenkt ze zich. Met een hand in Bors nek wacht ze af.
‘Wat doet een meisje alleen in het woud?’ vraagt de man. ‘Ben je verdwaald?’
Hij heeft diepliggende donkere ogen en te oordelen naar zijn grijze haar en baard is hij al oud, al oogt hij nog krachtig genoeg. Over zijn rug hangt een boog en aan zijn zij een mes, maar niet de strijdbijl of het zwaard dat Vikingen plegen te dragen.
Hisses eerste blik neemt haar aarzelingen weg, ook al kan ze dat niet helemaal verklaren. Ze besluit om haar energie niet aan leugens te verspillen. ‘Mijn naam is Hisse. Ik was een slavin totdat ik wist te vluchten. Nu wil ik terug naar Friesland, mijn thuisland. En ja, ik geloof dat ik inderdaad verdwaald ben.’
De oude man neemt haar van top tot teen op. Hisse moet denken aan de mannen op de slavenmarkt van Birka die haar monsterden alsof zij een koe of een schaap was en daarna wilden dat zij zich uitkleedde. Maar dit is anders. De blik van deze man boezemt haar geen spoor van angst in. In zijn ogen leest zij iets van herkenning, al weet zij heel zeker dat zij hem nooit eerder heeft gezien.
‘Ik heet Olaf en ik ben geen slavenhaler, maar een pelsjager,’ zegt hij ten slotte.
Bor loopt naar hem toe en snuffelt aan zijn hand. Olaf krabt de hond achter zijn oor en wijst naar het oosten. ‘Die kant moet je uit, Hisse. Birka is de dichtstbijzijnde haven die je naar Friesland kan voeren.’
‘Nee!’ Hisse schudt driftig haar hoofd. ‘Daar werd ik verkocht. Er zal daar zeker iemand zijn die mij herkent. Zo ongeveer alle mannen uit Birka kwamen mij bekijken.’
‘Dan moet je minstens tien dagen naar het westen reizen,’ zegt Olaf bedaard. ‘De Noren in Kaupang handelen ook met de Friezen.’
‘Wijs je mij de weg?’ Hisse schrikt zelf van die vraag. Ze houdt haar adem in.
Olaf antwoordt niet meteen. Hij staart in de verte en wrijft met een hand door zijn baard. Dan breekt een glimlach door op zijn gezicht. ‘Waarom ook niet, Hisse,’ zegt hij. ‘Mijn pelzen kan ik net zo goed in Kaupang slijten.’

Alle levende kleuren lossen op in neerdwarrelende sneeuwvlokken, totdat de wereld enkel nog bestaat uit zwart, wit en vele tinten grijs. Olaf stopt bij een beekoever en snijdt een bundel soepele wilgentenen af. Razendsnel vlecht hij er twee paar sneeuwschoenen van.
Terwijl Hisse de hare onderbindt, kijkt ze naar Olaf. ‘Waarom help je mij eigenlijk?’
‘Vertrouw je mij?’ vraagt Olaf.
‘Ja,’ antwoordt Hisse. ‘Bor heeft altijd gelijk.’
Olaf werpt een blik op de hond en glimlacht. ‘Je lijkt als twee druppels water op mijn dochter, toen zij nog leefde. Odin zelf moet er de hand in hebben gehad dat ik jou vond.’
Sprakeloos kijkt Hisse hem aan. Nu pas valt het haar op dat Olafs haar meer wit dan grijs is en dat zijn gezicht enkel uit rimpels lijkt te bestaan.

Van dunne huiden en wat stokken maakt Olaf die avond een tent. Tussen Bor en de oude pelsjager glijdt Hisse weg in een warme, droomloze slaap.
De volgende morgen geeft een azuren hemel de wereld haar kleur terug. Vele dagen achtereen zoeken ze hun weg door een maagdelijk sneeuwlandschap. Stoppen doen ze enkel als er gejaagd of gegeten moet worden. Al gauw laat Olaf het boogschieten aan Hisse over. Haar blik is scherper en haar hand vaster.
Als ze bij de oever van een reusachtig meer aankomen, gaat Olaf recht op een bosje wilgenstruiken af. Hij schuift wat takken opzij. Daaronder liggen een omgekeerde kano en twee peddels.

Pas als Hisse doodop is en een roodoranje zon trillend in het meer verdwijnt, koerst Olaf naar een steiger. Aan de waterkant staat een huis op hoge palen.
‘De visser die hier leeft, is mijn vriend,’ zegt Olaf. ‘Ik ga hem vragen of hij ons morgen naar de westelijke oever kan brengen. Dan zijn we al halverwege Kaupang.’
De visser heet Geir. Ook door hem laat Bor zich gewillig strelen.
Na de maaltijd zitten ze samen bij het haardvuur. ‘Geen probleem,’ zegt Geir na Olafs verhaal. ‘Morgenvroeg breng ik jullie. Vissen kan ik overal op het meer.’

Vijf dagen later bereiken ze de top van een heuvel die uitzicht biedt op de haven van Kaupang. Als aan de grond genageld blijft Hisse staan.
‘Wat is er, Hisse?’
‘Drakars,’ fluistert ze.
Hisse staart naar de drakenschepen. Ze ademt zwaar. Haar voeten weigeren haar verder te dragen. Pas als Bor haar hand likt, komt ze weer tot zichzelf.
‘Bracht een drakar je naar Birka?’ vraagt Olaf.
‘Nee,’ antwoordt Hisse. ‘Ons hele dorp werd door een troep Denen uitgemoord. Alleen mij lieten ze leven. Ze ketenden mij aan de mast van hun drakar en namen me mee naar Hedeby. Daar verkochten ze mij aan een Zweedse handelaar. Die bracht me naar de slavenmarkt van Birka.’ Af en toe hapert haar stem.
‘Wil je nog altijd terug naar Friesland?’ vraagt Olaf. Hij pakt Hisse bij de schouders en kijkt haar recht in de ogen.
Hisse aarzelt. Ze weet wat Olaf niet zegt, maar wel bedoelt. Ze heeft nu een keus…
‘Ja,’ zegt Hisse ten slotte. Ze buigt haar hoofd. ‘Dat is mijn thuisland.’
Olaf zucht en laat haar los. ‘Goed. Dan gaan we naar de Friezen.’
‘Weet je zeker dat er ook nu Friezen in Kaupang zijn?’
‘Ja,’ antwoordt Olaf. ‘Naar Kaupang komen er zo veel dat ze een eigen wijk hebben. Ik ken enkelen van hen.’
‘Hoe kan dat?’ De Noren en Denen vallen Friesland bijna ieder jaar aan.’
‘Alle handelaren, uit welk land ze ook komen, worden door koning Halfdan beschermd,’ antwoordt Olaf, ‘op voorwaarde dat hij de eerste keus krijgt uit hun goederen. Werkt dat in jouw land soms anders, Hisse?’
Langzaam schudt Hisse haar hoofd. ‘Nee, tenminste niet in Dorestad. Daar leggen veel Deense en soms ook Noorse schepen aan.’
Stil loopt Hisse naast Olaf verder. Pas als kinderen joelen en haar nawijzen, vraagt ze zich af wat men hier van een vies, in dierenvellen gehuld meisje zal vinden.
Olaf klopt aan bij het grootste huis. ‘Hier leven de rijkste handelaren uit Friesland,’ zegt hij. ‘Als ze je willen helpen, ben je spoedig thuis.’
Een roodharige man opent de deur. Zijn blik schiet van Olaf naar Hisse en terug.
‘Als je pelzen kunt leveren, valt er te praten, Olaf,’ zegt hij. ‘Aan slavinnen hebben we geen behoefte, zeker niet als ze stinken. Was haar eerst en kleed haar behoorlijk.’
‘Ik kom uit Witla,’ roept Hisse in het Fries. ‘Help mij om terug naar huis te gaan.’
De handelaar knijpt zijn ogen tot spleetjes. ‘Heb je daar familie, meisje?’
Hisse buigt haar hoofd. ‘Nee,’ fluistert ze. ‘De Denen hebben iedereen gedood.’
De man grijnst. ‘Geen probleem, kind. Wij vinden wel een echtgenoot voor jou.’
Hisses ogen spuwen vuur. Ze grijpt haar boog. Bors nekharen staan recht overeind. Met blikkerende tanden springt hij. Net op tijd smijt de handelaar de deur dicht.

Hisse hijgt een ogenblik na. Dan wendt ze zich tot Olaf. ‘Mag ik nog eens over je vraag nadenken?’ vraagt ze. ‘Ik geloof niet langer dat ik in Friesland iets te zoeken heb.’
‘Zo lang als je maar wilt, Hisse,’ antwoordt Olaf. ‘Misschien wil je wel voorgoed mijn dochter worden. Wie weet ontmoeten we vroeg of laat een man die jou waard is. Tot dan zullen we met Bors hulp de beste pelsjagers van alle noordelijke landen zijn.’
Hisse straalt en stort zich in Olafs armen. ‘Afgesproken,’ zegt ze.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s