Historische boeken

 

 

 

Alya

 

‘Alya’, mijn eerste historische roman, die van start gaat in het Cordoba van de negende eeuw, zit als ik dit schrijf (25 augustus 2017) bij uitgeverij Mozaïek in de redactiefase. Natuurlijk is een uitgave pas zeker als de redactie naar tevredenheid (van zowel uitgever als auteur) afgerond wordt en er een contract getekend is. Ik heb er veel vertrouwen in dat het met dat uitgeefproces goedkomt. Uitgever noch auteur heeft er immers belang bij om halverwege de rit af te haken. Dat gebeurt alleen bij buitengewone of onvoorziene omstandigheden.
Wanneer ‘Alya’ uitkomt is nog niet duidelijk. Dat hangt niet alleen van de duur van het redactieproces af, maar ook van de planning van de uitgever. Ik verwacht dat het begin of medio 2018 zal worden. Zo gauw er meer over bekend is, laat ik dat op deze plek weten.

Update 7 november 2017:
Intussen staat om te vast dat ‘Alya’ vanwege de lengte (bijna 150.000 woorden) in twee delen wordt uitgegeven. Deel een met als titel ‘Alya’ verschijnt in april 2018, deel twee een halfjaar later. Voor dat laatste deel moet ik nog nadenken over een passende titel. 

 

Beginfragment (tijdens het redactieproces kunnen er nog kleine aanpassingen volgen…)

Er is iets met vader. Gisteren vermoedde ik dat alleen nog maar. Nu weet ik het zeker. Ik zie het aan de manier waarop hij binnenkomt, aan zijn zwijgen tijdens de maaltijd en bovenal aan de manier waarop hij de laatste dagen naar mij kijkt. Hij maakt zich zorgen, zorgen om mij. Ik voel het in mijn hart. Waarom in Allah’s naam? Ik ben er zeker van dat Omar tevreden is over mijn vorderingen. Berbers en Hebreeuws beheers ik intussen zo goed dat geen enkele woordspeling mij ontgaat. Ik spreek het intussen bijna net zo snel als het Arabisch van Al Andalus. Alleen de taal van de barbaren uit de gebieden ten noorden van de Tajo en Ebro blijf ik lastig vinden. Nou ja, eigenlijk kan ik daar niet zo veel aan doen. Vader schonk mij in het begin van de lente een eigen slavinnetje uit het verre Navarra, niet alleen omdat ik daar intussen met mijn veertien jaar oud genoeg voor ben, maar ook om mij te helpen de taal van haar land te leren. Helaas is Oncha om de een of andere vreemde reden doodsbang voor mij. Hoe ik ook mijn best doe om het meisje op haar gemak te stellen, ze blijft mij maar met haar grote blauwe angstogen aanstaren. In plaats van normaal te praten, zoals ik van haar vraag, mompelt ze maar wat binnensmonds. Oncha moest eens weten wat voor mazzel ze had om voor een zacht prijsje in ons huis opgenomen te worden. De handelaar uit Saragusta die haar meenam naar Qurtuba, bracht haar namelijk eerst naar de eunuchen die de harem van de emir beheren. Om de een of andere reden keurden die haar af. Waarom? Ik zou het niet weten. Oncha is welgevormd en zeker niet lelijk. Bovendien is ze helblond, iets waar de emir net als al zijn voorgangers dol op is. Een keer heb ik Oncha gedwongen om haar sluike goudgele lokken ter vergelijking naast mijn gitzwarte krullen te houden. Het contrast kon werkelijk niet groter zijn. Oncha werd er nog verlegener van dan ze al is, ook al glimlachte ik nog zo vriendelijk naar haar.

 

 

 

 

IJstijd (2010)    –    Uitgegeven door Averbode in de serie Vlaamse Filmpjes

Onder de coverafbeelding volgt het complete verhaal zoals het in 2010 is gepubliceerd

 

 

Na een aantal korte verhalen in diverse bundels werd ‘IJstijd’ mijn eerste historische (jeugd)boek. De serie ‘Vlaamse Filmpjes’ is een begrip in Vlaanderen en wordt al meer dan tachtig jaar op rij uitgegeven. De kinderen van de hoogste groepen in het basisonderwijs (de Nederlandse groep 7 en 8) en de beginklas van het voortgezet onderwijs (in Nederland de brugklas) kunnen er zich via de school op abonneren. Elk jaar verschijnen er twaalf nieuwe deeltjes. Om een indruk te geven van de diversiteit (het zijn natuurlijk niet allemaal historische verhalen) plaats ik hieronder de link naar het jaarprogramma 2017-2018.

http://www.averbode.com/Pub/vlaamsefilmpjes/vlaamsefilmpjes-Jaarprogramma.html

Ook dit jaar (in 2017) heb ik weer een verhaal ingezonden en met succes. Op 31 oktober hoorde ik dat ‘Naar het Walhalla’, opnieuw een historisch verhaal, bij de eerste vijf geselecteerde verhalen zat en du in het schooljaar 2018-2019 uit gaat komen.

De prachtige tekeningen zijn van de hand van de Belgische illustrator Luc Vincent. Ik hoop dat hij ook de illustraties in mijn volgende boekje gaat verzorgen, want hij is net als ik een liefhebber van de historie en van historische verhalen.

 

 

IJstijd

 

Thuans plan

In een donker hoekje, achter in het rondhuis, luisterde Thuan naar het gesprek van de jagers die rond de vuurplaats zaten. De gloed van het flakkerende vuur kleurde de gezichten van de mannen rood. Hun hoofden wierpen grillige schaduwen op de wanden van mammoetleer.
‘Binnenkort komen de eerste winterstormen en trekken de kuddes naar het zuiden,’ zei een oude jager. ‘Als de jacht zo slecht blijft verlopen, zullen velen van ons de winter niet overleven. De borsten van de jonge moeders zullen geen melk meer geven en voor de lente aanbreekt, sterven al hun baby’s.’
De andere mannen staarden zwijgend in het vuur. Ze wisten dat de oude man de waarheid sprak en ze schaamden zich, omdat de jacht ook vandaag bijna niets had opgebracht. Met niet meer dan een paar magere poolhazen waren ze tegen het vallen van de avond doodmoe teruggekeerd.
Orrik, de nieuwe aanvoerder, was de eerste die de stilte verbrak.
‘Iemand heeft de geesten van rendieren, muskusossen en mammoeten beledigd. Nu waarschuwen zij de dieren voor onze pijlen en speren,’ zei hij. ‘Daarom lukt het ons niet meer zo dichtbij te komen dat we onze wapens kunnen gebruiken. Wie zijn schuld zou dat zijn?’
Orrik keek de kring rond. Toen niemand antwoord gaf, snoof hij luidruchtig en mikte een flinke klodder spuug in het vuur. Een luid gesis volgde.

 

 

‘Ik weet het antwoord,’ vervolgde hij. ‘Thiari heeft heel zijn leven de geesten gesard en uitgedaagd. Weten jullie nog dat zijn vrouw een misvormde zoon baarde en dat zij meteen daarna stierf? Nu zijn de geesten tenslotte zo boos op hem geworden dat zij hem ontvoerd hebben. Ook de stam straffen ze door de jacht te laten mislukken.’
Thuan voelde zijn bloed koken. Hoe kon Orrik nu zo’n afschuwelijke onzin over zijn vader vertellen? En die misvormde zoon? Wie anders kon Orrik daarmee bedoelen dan hij zelf met zijn kreupele been!
Maar Orrik wist toch ook hoe moedig en succesvol zijn vader jaren achtereen de jagers aangevoerd had! Was hij dan nu al vergeten hoe Thiari afgelopen zomer een sabeltandtijger gedood had, die de groep jagers aanviel? Orrik zelf vertelde na de terugkeer van de jacht over de heldendaad van Thuan’s vader. Thiari was doodkalm blijven staan toen het reusachtige roofdier op hem af sprong. Van korte afstand wierp hij het beest een zware speer dwars door de keel. De tijger had nog zo veel vaart dat hij Thiari omver wierp en bovenop hem terecht kwam. De andere jagers moesten het dode dier van hun aanvoerder af trekken en droegen Thiari terug naar de nederzetting. En diezelfde Orrik die Thiari toen zo bewonderd had, beweerde nu allemaal vreselijke dingen in plaats van naar zijn vader te blijven zoeken!
Een maan en een aantal dagen waren nu verstreken sinds de dag waarop Thiari na een mislukte jacht verdween. Toen de rest van de mannen laat in de middag aanstalten maakte om huiswaarts te keren, wilde Thiari eerst nog een spoor volgen. Hij voelde dat er ergens een kudde in de buurt moest zijn, zei hij. Maar Orrik en de andere jagers geloofden hem niet. Ook waren ze bang niet voor de avond terug te zijn en ze gingen dus zonder hem verder. Bij het vallen van de duisternis was Thiari nog altijd niet terug. Twee dagen lang zochten de jagers naar hem, maar tevergeefs.
‘Orrik heeft gelijk,’ zei Ullah de sjamaan. ‘Sinds Thiari verdween, zijn de geesten boos op onze stam. Ze tonen mij niet langer waar de kuddes zich bevinden. In mijn dromen blijft de vlakte leeg.’
Amsja, de oudste van de jagers, kuchte eens. ‘Ullah. Ik had de afgelopen jaren toch vaak het idee dat niet jij, maar juist Thiari ons naar de beste jachtplaatsen leidde. Zou het misschien zo zijn dat de geesten Thiari toen meer vertelden dan jou?’
Orrik sprong overeind. ‘Hoe durf je de sjamaan te beledigen?’ riep hij. ‘Iedereen weet dat we zijn hulp bij elke jacht nodig hebben. Straks laten de geesten ons helemaal in de steek. Dan zijn wij allemaal voorgoed verloren!’
‘Kalm aan Orrik,’ zei Amsja. ‘Het was niet mijn bedoeling om Ullah te beledigen. En je hebt gelijk, het is geen goed teken dat Thiari zo plotseling verdween.’
Orrik keek de kring rond. Toen iedereen instemmend knikte, ging hij weer zitten.
Thuan moest zich beheersen om te blijven zitten en niet te gaan schreeuwen.
Die lafaard van een Amsja wist heel goed dat het verdwijnen van Thiari niets met de slechte jacht te maken had. Hij durfde de nieuwe aanvoerder gewoon niet tegen te spreken!. En Ullah was precies hetzelfde. De boze geesten mochten hen halen.
Met veel moeite hield hij zich in. Als de jagers met de sjamaan spraken, mocht niemand hen storen. Dat was een belediging van de geesten. Zoiets werd streng bestraft. En hem zagen ze ook nog eens meer als een meisje dan als een jongen! Omdat hij mank liep, kon hij nooit mee op jacht. Hij kon de jagers gewoon niet bijhouden en hielp dus de vrouwen en meisjes bij het verzamelen van eetbare planten of het looien van de huiden. De meeste jagers deden net of hij niet bestond. Sommigen van hen, vooral die van zijn eigen leeftijd, bespotten hem zelfs om zijn slechte been.

Toen iemand zachtjes zijn schouder aanraakte, schrok Thuan op uit die sombere gedachten. Ushi stond naast hem en hield hem een reep gedroogd vlees voor.
‘Heb je geen honger?’ vroeg zij. ‘Sinds Thiari weg is, heb ik je nauwelijks nog iets zien eten. Nu de winter er aan komt, moet je wel wat vlees op je botten krijgen.’
Thuan wist hoe goed haar woorden bedoeld waren. Naast zijn vader en de oude stammoeder was Ushi de enige op wie hij altijd kon rekenen. Maar nu kwam Ushi op een heel verkeerd moment naar hem toe.
“Ga weg.” zei Thuan. ‘Ik heb je niet geroepen en ik heb ook geen honger.’
Heel even keek Ushi hem verbaasd aan. Toen trok ze haar hand terug van zijn schouder. Zonder een woord te zeggen, draaide ze zich om en verdween.
Meteen had Thuan spijt van zijn woorden. Maar dit was niet het ogenblik om daar bij stil te staan. Hij had zonet het belangrijkste besluit in zijn leven genomen. Hij ging zijn vader zoeken!

 

Een spannende nacht

Het had ook voordelen als je door bijna iedereen genegeerd werd. Thuan sliep bij de jongste jagers in een groot rondhuis. Niemand lette op hem toen hij die volgende morgen naar buiten liep. Ze zouden wel denken dat hij gewoon ging plassen. Geen van de jongens viel het op dat hij zijn slaapvacht en een speer bij zich droeg.
Zonder nog één keer om te kijken, liep Thuan weg van het rondhuis, de grote vlakte op. Hij deed zijn uiterste best om alleen nog maar te denken aan de taak die nu voor hem lag. Dat lukte niet helemaal. Meteen zag hij Ushi’s gezicht voor zich en hoe verbaasd en beledigd zij gekeken had.
Hij schaamde zich om zijn vervelende reactie. Hij had Ushi toch wel even uit kunnen leggen waarom hij zo’n boze bui had. Wat kon zij daar nu aan doen.
En waarom had hij haar eigenlijk niet gewoon verteld wat hij van plan was? Zo lang ze elkaar kenden, hadden zij nooit geheimen voor elkaar gehad. Wat zou Ushi denken als zij hoorde dat hij vertrokken was zonder afscheid van haar te nemen? Misschien was ze nu wel zo boos dat zij niets meer met hem te maken wilde hebben.
Maar nee, ook Ushi kon hij niets vertellen. Dit was zíjn plan en dat moest het blijven. Als de jagers naar de kletsverhalen van Orrik en Ullah luisterden en weigerden naar Thiari op zoek te gaan, dan zou híj dat moeten doen!
Hij vond een dikke, gevorkte tak en sneed die met zijn stenen mes zo bij dat hij die bij het lopen als steun kon gebruiken. Zo kwam hij sneller en met minder pijn vooruit.
Het was moeilijk om de kortste weg naar de rand van het ijs te vinden. Sommige punten herkende Thuan van vroeger, als hij, zittend op Thiari’s rug, wel eens verder van de nederzetting kwam. Hij herinnerde zich een hoge heuvel met een zwarte rotspartij op de top. Toen hij die voorbij was, kon hij zich alleen nog richten op de zon, totdat die in de loop van de middag verdween achter een dicht wolkendek.
Tegen de avond wist Thuan niet meer zeker of hij nog wel de juiste richting aanhield. Met de hand boven de ogen tuurde hij over de eindeloze toendravlakte.
Vaag zag hij een smalle zwarte streep aan de horizon. Dat moest het ijs zijn! Opgelucht haalde hij adem en ging verder. Voor even vergat hij de eeuwige pijn in zijn been. Ook op het gehuil van een roedel wolven in de verte lette hij niet echt.
De rand van het ijs was te ver weg om deze dag nog te kunnen bereiken. Thuan keek om zich heen op zoek naar een geschikte overnachtingsplek. Alles hier, tot aan de horizon toe, zag er hetzelfde uit. Tussen met algen begroeide keien en allerlei soorten mos bood slechts hier en daar een laagte in de bodem wat bescherming tegen de winterstormen. Thuan zocht zo’n kom op en vond er een beschutte plek tussen een overhellend stuk rots en wat lage wilgenstruiken. Hij wikkelde zich in zijn slaapvacht, in de hoop dat het die nacht niet zou gaan regenen. Een beetje sneeuw was minder erg. Die schudde je ’s morgens zo weer van je vacht.
Maar gelukkig bleef het droog. Toen een bleke maan boven de horizon verscheen, verdreef de vermoeidheid Thuans zorgen. Langzaam gleed hij weg in een diepe, droomloze slaap.

Hij schrok wakker van het gehuil van wolven. Toen hij nog een klein kind was, had Thiari hem al verteld dat de meeste wolven angstvallig uit de buurt van mensen bleven. Toch staarde hij met wijd open ogen in de nacht en greep zijn speer stevig vast toen hij de geluiden steeds dichterbij hoorde. Nu kwam het ook bij hem op hoe vreemd het was dat deze dieren ’s nachts op pad waren. Wolven jaagden normaal overdag en rustten ’s nachts, net als mensen.
Maar deze roedel gedroeg zich niet normaal. Deze dieren kwamen duidelijk recht op hem af! Hij meende hun roofdierlijven al te ruiken. Razendsnel dacht hij na. Zou hij opstaan en vluchten? Nee, dat was zinloos! Dat zou alleen maar hun jachtinstinct opwekken. Binnen een paar tellen zouden ze hem achterhalen en aan stukken scheuren.
Als hij gewoon zo stil mogelijk bleef liggen, zouden ze hem misschien niet opmerken. Thuan maakte zich zo klein mogelijk, stak met één hand zijn speer schuin omhoog en trok met de andere hand de slaapvacht zo ver mogelijk over zijn hoofd. Hij dwong zichzelf met één oog door de vrij gebleven opening te blijven kijken.
Plotseling waren er zwarte schaduwen, die huilend en jankend over hem heen sprongen of langs hem schoten. Bijna meteen stierf hun geluid weer weg.
Net toen Thuan overeind wilde gaan zitten, hoorde hij vlakbij een blazend geluid.
Zo langzaam en voorzichtig mogelijk draaide hij zijn hoofd in die richting.

Een enorme schaduw verduisterde de sterren. Twee bewegingloze, felgele ogen staarden hem recht aan. De zwakke maan gaf net genoeg licht om twee lange, vlijmscherpe tanden te kunnen zien. Op de rand van de kom zat een sabeltandtijger!
Thuan verstijfde. Hij kreeg kippenvel en al zijn nekharen gingen recht overeind staan.
De reusachtige kat snoof luid, schudde een keer met zijn kop en stak een geklauwde poot met nagels als kromme messen naar Thuan uit.
Vreemd genoeg voelde Thuan geen spoor van angst. Hij was alleen maar kwaad op zichzelf. Wat had zijn vader nu aan de hulp van zo’n zwakke, domme zoon die zich door het eerste het beste beest op liet vreten? Niets dus!
Maar om de een of andere reden vond de tijger hem niet de moeite waard om op te eten en verloor zijn belangstelling. Hij trok zijn poot terug, brulde nog één keer oorverdovend en verdween geruisloos in de nacht.
Eerst kon Thuan nauwelijks geloven wat er zonet gebeurd was. Een sabeltandtijger die op wolven jaagde? Dat bestond toch niet? En waarom had dit roofdier zijn leven gespaard?
Toen Thuan goed over die vragen nadacht, sloeg zijn stemming helemaal om. Dit kon alleen maar een teken van de geesten zijn. Die hadden de sabeltandtijger bevolen zijn leven te sparen. De geesten hielpen hem!
Hij  zou zijn zoektocht voortzetten. Niets kon hem nu nog tegenhouden!

 

Ushi’s plan

Nooit eerder was Ushi zo boos op zichzelf geweest. Het was allemaal haar schuld! Ze had die vorige avond ook het grootste deel gehoord van wat Orrik en Ullah zeiden. En ze kende Thuan toch! Als ze haar verstand gebruikt had, had ze meteen kunnen raden wat hij van plan was! Toen een van de meisjes haar tegen de avond vroeg of zij Thuan gezien had, vermoedde ze meteen wat er aan de hand was.
Ze móest en zóu haar fout goed maken door Thuan te volgen. Hij was nog niet ver weg en misschien kon ze zijn spoor nog vinden.
Het had geen zin de mannen om hulp te vragen. Na gisteravond wist ze zeker dat die niets om Thuan gaven.
Er was slechts één iemand die ze nu om raad kon vragen. Dat was Elani, de oude stammoeder, die al jaren in haar eigen rondhuis leefde. Snel ging Ushi daarheen, groette de stammoeder eerbiedig en ging aan haar voeten zitten.
‘Je komt om mij iets te vragen, mijn kind,’ zei Elani. ‘Vertel het maar meteen.’
Ushi keek stomverbaasd. De stammoeder zag het en glimlachte.
‘Zo moeilijk is het niet om dat te raden,’ zei ze, ‘Normaal kom je alleen om mij te helpen en steek je meteen de handen uit de mouwen. Nu kom je heel rustig bij me zitten. Dat heb je nooit eerder gedaan. En ik heb je ook nooit zo ernstig zien kijken.’
Ushi besloot rechtuit te spreken. Ze had immers geen tijd te verliezen.
‘Oudste moeder,’ zei ze, ‘Ik ga iets doen dat misschien nooit eerder een meisje van de stam gedaan heeft. Ik ga Thuan achterna om hem te helpen Thiari te vinden. Maar ik kan niet gaan zonder uw toestemming en uw hulp. Als ik u zo maar in de steek laat, zullen de geesten mij niet willen helpen.’
‘Je zult het niet geloven,’ zei Elani, ‘maar ik heb over dat alles al lang nagedacht. Ik weet waarom Thuan verdwenen is. Ik weet ook dat jij nóg een reden hebt om Thuan te volgen. De hele stam weet dat jij erg op die jongen gesteld bent.’
Ushi bloosde tot achter haar oren en wist niet goed wat ze daarop moest zeggen. Maar ze had nog één laatste vraag aan Elani.
‘Stammoeder, vertel me alsjeblieft of de geesten me zullen helpen als ik Thuan ga zoeken. Volgens Orrik en Ullah zijn alle geesten van de grote vlakte boos op Thiari. Kan het zijn dat die twee gelijk hebben?’
Elani dacht even na voordat ze antwoordde.
‘Ik weet niet altijd precies wat de geesten denken, Ushi. Maar ik weet wel zeker dat de geesten houden van mensen die moedig zijn en doen wat ze moeten doen. En maak je over mij vooral geen zorgen. Er zijn meer meisjes die mij kunnen helpen.’
‘Dank u, stammoeder,’ zei Ushi eenvoudig en al haar twijfels verdwenen. Ze stond op en vertrok.

 

Ushi op de toendra

Ushi wist hoe gevaarlijk het was om helemaal alleen over de toendra te reizen. Enkel een groep jagers kon, als ze de hele nacht door een vuur lieten branden, zonder gevaar dagen achter elkaar op de toendra doorbrengen. Maar Thuan had nú haar hulp nodig. Dus negeerde Ushi het gevaar en vroeg ze zich enkel af in welke richting hij gegaan kon zijn.
Zij kende Thuan zo goed dat ze zijn gedachten bijna kon raden. Er was slechts één richting die hij gekozen kon hebben en dat was de rand van het grote ijs. Maar… er waren nergens vaste paden op de toendra. Hoe moest ze dan zijn spoor vinden?

In een flits herinnerde ze zich dat Thuan altijd als steun een gevorkte tak sneed als hij lange tijd achtereen moest lopen.
En inderdaad, een eind buiten de nederzetting vond ze een paar vers afgesneden takken. Even verder zag ze de eerste indruk van een stokpunt. Die kon ze vandaar zonder al te veel moeite volgen. Thuan was inderdaad in de richting gegaan die zij verwachtte.
’s Avonds had Ushi het geluk een ondiepe grot te vinden, waar geen verse sporen van roofdieren te zien waren. Ze legde een vuurtje aan en kroop onder haar vacht. Die nacht sliep ze slechts af en toe uit angst dat het vuur zou doven.
Halverwege de volgende dag zag Ushi de vuilwitte muur van het grote ijs langzaam maar zeker hoger worden, tot hij voor haar gevoel de halve hemel vulde.
Een eind voor het begin van het ijs stroomde een riviertje. Daar zag ze een aantal bruinzwarte, gehoornde dieren rondzwerven, op zoek naar voedsel. Een kudde muskusossen! Gelukkig had ze die op tijd opgemerkt. Als ze te dicht bij de kalveren kwam, zou de leidende stier haar zonder aarzelen aanvallen. Ushi zag dat hij haar al gezien had en met gebogen kop, de lange horens naar voren gericht, tussen haar en de rest van de kudde stond. Ze zorgde er angstvallig voor dat ze voldoende afstand bewaarde. Een eind verder stond ze voor het begin van een met ronde keien bezaaide helling.

 

Een gelukkig toeval

Thuan had een kale helling beklommen aan de voet van de ijskap, die als een reusachtige muur boven de toendra uitrees. Hij had op die plek al een nacht doorgebracht en zat nu met zijn rug tegen een groot rotsblok in de warmte van de late middagzon.
Hij wist hoe hopeloos de taak was zijn vader op de eindeloze vlakte te vinden, zeker omdat hij alleen maar kon raden naar de richting waarin Thiari gegaan was. Daarom besloot hij desnoods een aantal dagen achter elkaar op deze plek blijven. Vanaf deze hoge uitkijkpost kon hij een groot gebied in een keer overzien. Het was het eerste echte plan dat hij wist bedenken, behalve dan zijn besluit om eerst in de richting van het grote ijs te gaan. Vader had hem wel eens verteld dat mammoeten ’s winters vaak de rand van de ijskap opzochten en hij had gewoon het gevoel dat Thiari het spoor van een mammoetkudde had gevonden.
Er waren meer dieren die in de buurt van het ijs bleven. Een kudde muskusossen graasde een eind beneden hem langs de met wilgen begroeide oever van een riviertje. Thuan speurde met een hand boven zijn ogen de beekoever af.
Toevallig keek hij een moment naar de lege vlakte daarachter en zag een kleine, bewegende stip in zijn richting komen. Heel zijn lichaam trilde van opwinding. Zou hij Thiari al zo snel gevonden hebben? Maar toen het figuurtje dichterbij kwam, zag hij al snel wie daar naderde. Door haar manier van lopen en bewegen herkende hij haar. Het was Ushi!
Thuan kroop op handen en knieën vanachter het rotsblok waartegen hij gezeten had. Hij kwam overeind en riep, met zijn armen zwaaiend, uit alle macht Ushi’s naam.
Op hetzelfde moment streek een ijskoude windvlaag langs zijn gezicht. Achter zich hoorde hij een huilend, fluitend geluid.
Thuan wist onmiddellijk wat die zo plotselinge ijzig koude wind betekende. Er was een ijsstorm op komst! Heel soms, altijd onverwachts, werd de vrieslucht boven de ijskap vanuit het noorden met orkaankracht over de rand van het ijs geblazen. Spoedig zou de vlakte daar beneden in een witte woestenij veranderen.
Van het ene moment op het andere zag hij Ushi niet meer. Jagende stuifsneeuw geselde zijn gezicht en de gierende wind blies hem bijna omver.
Als ze niet snel ergens beschutting vonden, zouden ze deze storm niet overleven! Hun kleding was in deze kou niet warm genoeg was om hen tegen bevriezing te beschermen. Wanhopig kroop hij in de richting waar hij Ushi het laatst gezien had.

 

Op zoek naar beschutting

De storm stortte zich met zo’n kracht op Ushi dat ze bijna omver geblazen werd. Ze liet zich op de grond vallen, maakte zich zo klein mogelijk en kroop op handen en voeten naar de rotsen voor haar, waar ze misschien enige beschutting zou vinden.
Het duurde niet lang of ze zag in het sneeuwgordijn voor zich een donker silhouet opdoemen. Ze schrok hevig, maar ging verder. Een weg terug was er gewoon niet. Een paar tellen later had ze de bewegende schim bereikt en wist ze wie daar was. Opgelucht en nahijgend van de inspanning klampte ze zich aan Thuan vast..
Maar hier konden ze niet blijven! Als ze niet snel een echte beschutting vonden, zouden ze doodvriezen. Zonet was ze de kudde muskusossen gepasseerd. De dieren waren zeker nog op dezelfde plek. Ze zouden met de hele groep in een kring bij elkaar liggen om de kalveren in het midden warm te houden.
Ushi zette haar handen over Thuans oor en riep luidkeels wat zij van plan was. Hij knikte dat hij haar begrepen had. Ze werkten zich op hun knieën en gingen kruipend verder. Nu het zicht niet verder reikte dan de volgende steen of graspol, bleef alleen de orkaan over als gids. Die bulderde recht vanuit het noorden op hen af. Als Ushi de wind in haar rug hield, moest ze ongeveer in de juiste richting gaan. Recht voor haar, waar de storm naartoe raasde, had ze de groep muskusossen het laatst gezien.Maar al klopte de richting, ze kon niet weten hoe ver ze nog van de kudde waren.
Langzaam maakte de bittere kou Ushi’s handen en voeten gevoelloos. Ze voerde haar tempo op, om snelheid te winnen, maar ook om haar lichaam warm genoeg te houden. Ze klauwde naar alles waar ze enig houvast aan had; takken, stenen, plantenpollen, gaten in de bodem. Af en toe wierp ze een blik over haar schouder om te zien of Thuan nog wel achter haar aan kwam.
Plotseling verschenen de zwaar behaarde lijven van de liggende muskusossen voor hen. Zonder zich te bedenken klauwden ze verder en vonden een plekje tussen twee grote dieren, die onbeweeglijk als rotsblokken bleven liggen. De storm werd nog altijd krachtiger en blies met een oorverdovend geraas vlak boven hun hoofden. Ze trokken de kraag van hun bontjakken zo ver mogelijk over hun gezicht en hielden zich stevig aan elkaar vast. Toen zag Ushi enkel nog een tollend zwart gat en verloor ze het bewustzijn…

 

Samen op weg

Een windvlaag streek langs Ushi’s gezicht. Ze opende langzaam haar ogen en zag de muskusossen overeind komen. In een lange rij verdwenen ze in de richting van de rivieroever.
Ze keek naar de vlakte. Het leek wel of er nooit een storm geweest was. Een zwakke zon brak door de ochtendnevel en verdreef de ergste kou.
Thuan lag doodstil naast haar. Zijn ogen waren gesloten en een dun straaltje bloed liep vanuit een mondhoek naar zijn kin. Ushi slaakte een kreet. Ondanks de pijn in al haar ledematen kwam ze meteen overeind. Een van de muskusossen moest die nacht bovenop Thuan zijn gaan liggen. Of misschien had toch een van de stieren hem aangevallen.
‘Thuan, Thuan,’ riep ze wanhopig, ‘word asjeblieft wakker.’
Thuan kreunde zachtjes en opende langzaam zijn ogen.
‘Waar zijn we?’ mompelde hij  ‘en wat doe jij hier, Ushi?’ Moeizaam ging hij zitten en spuwde een straal bloedig speeksel uit. Hij probeerde te staan, maar slaagde er met zijn slechte been niet in overeind te komen. Ushi hielp hem. Thuan was nauwelijks in staat om te blijven staan en hij zag lijkbleek.
‘Waarom ben je me gevolgd?’ vroeg hij. ‘Moet je dan niet voor de stammoeder zorgen? Je weet toch dat zij niet lang zonder jouw hulp kan.’
Nu verloor Ushi even haar geduld. ‘Geloof je nu echt dat ik dat zou vergeten? Voor de stammoeder wordt heel goed gezorgd. En waarom ik je volgde? Omdat ik een vreselijke hekel aan je heb! Ben je nu tevreden?’
Thuan wilde eerst net zo’n antwoord geven. Maar toen hij Ushi’s gezicht zag, bedacht hij zich nog net op tijd. Ushi deed wel boos, maar ze was alleen maar dodelijk ongerust. In haar ogen blonken tranen.
‘Waar is jouw stok’, vroeg ze maar. ‘Ik zag aan je sporen dat je er een bij je had.’
‘Ik haal die stok zelf wel. Die ligt nog daarboven bij die rots,’ probeerde hij nog.
Maar Ushi was al onderweg naar de plek waar hij gistermiddag zat, voordat die vreselijke storm opstak. Stiekem was Thuan haar dankbaar. Nu hij uitgeput was en een stekende pijn in zijn borst voelde, had hij die stok nog harder nodig dan anders.
Terwijl Ushi onderweg was, voelde Thuan opnieuw bloed in zijn mond en keel. Hij moest er van kokhalzen en spuwde een donkerrode klodder slijm uit.
Ushi was al snel met de stok terug. Intussen was Thuans hoofd weer helderder.
‘Dank je wel,’ zei hij, terwijl hij zo onopvallend mogelijk met de mouw het bloed van zijn mond veegde. ‘Terwijl jij weg was, heb ik nagedacht. Volgens mij moeten we de rand van het ijs blijven volgen. Als de muskusossen hier genoeg voedsel vinden, zijn er misschien meer grote dieren en dan hebben we een kans Thiari te vinden.’
Ushi keek hem twijfelend aan. ‘Maar Thuan,’ zei ze. ‘Hoe weet jij dan in welke richting we de ijskap moeten volgen? Als we ons vergissen, vinden we Thiari nooit.’
‘Je hebt gelijk, Ushi,’ antwoordde Thuan. ‘Helemaal zeker ben ik ook niet. Maar waar de zon ondergaat, liggen vooral kale rotsvlaktes. In de richting waar de zon opkomt, is veel meer begroeiing. Dat is zeker een beter jachtgebied.’
Thuan deed zijn uiterste best om normaal te praten. Dat kostte hem enorm veel inspanning. Bij elke ademhaling voelde het of iemand een mes in zijn borst stak.
Ushi had hem direct door. Dat had hij kunnen weten!
‘Je hoeft je niet zo groot te houden.’ zei ze. ‘Ik zie toch wel dat je veel pijn hebt. Eigenlijk moeten we de kortste weg naar huis nemen. Oude Moeder kent middelen om je pijn te verlichten en om wonden binnen iemands lichaam te genezen.’
Maar Thuan schudde heftig met zijn hoofd. Meteen moest hij weer bloed spuwen.
‘Nooit!’zei hij. ‘Ik heb de geesten beloofd om niet naar de stam terug te keren voordat ik mijn vader gevonden heb. Wat heb ik trouwens nog te zoeken bij de stam? Sinds vader weg is, zien niet alleen de jagers, maar ook de anderen me als iemand die de stam alleen maar tot last is?’
‘Schaam je,’ zei Ushi boos. ‘Dat is gewoon niet waar en dat weet jij best. De vrouwen en meisjes weten wel beter. Die zien elke dag dat jij doet wat je kunt, zelfs als je veel last van je been hebt. Het probleem is gewoon dat Orrik zo graag hoofdman wil blijven. Daarom heeft hij het verhaal verzonnen dat de geesten boos op Thiari zijn. De sjamaan en de andere jagers durven hem niet tegen te spreken.’
Thuan gaf geen antwoord. Hij klemde de vork van de stok onder zijn oksel en dwong zichzelf op weg te gaan. Ushi zag in dat ze hem toch niet van zijn plan af kon brengen. Zwijgend ging ze naast hem lopen. Geleidelijk begon het landschap te veranderen. Eerst verschenen langs de rand van het ijs zachtjes glooiende heuvels. Aan de zuidzijde, waar de zon de bodem een beetje opwarmde, schoten bij hun nadering overal lemmingen weg in hun holletjes.
Voorbij de heuvels werd het terrein ruwer en rotsachtig. Al deed hij nog zo zijn best, toch moest Thuan al na de eerste helling even gaan zitten om te rusten.
Zijn adem kwam met horten en stoten en hij bleef bloed ophoesten.
Ushi toonde geen spoor van vermoeidheid. Ze ging op zoek naar water en kwam even later met een volle drinkbuidel terug. Zonder iets te vragen, zette ze die aan zijn lippen. Thuan dronk voorzichtig. Bij elk slokje kromp hij van pijn in elkaar. Ushi reikte hem een stukje gedroogd vlees aan, maar hij schudde zijn hoofd. Dat zou hij nu nooit binnen kunnen houden, voelde hij.
Thuan beet op zijn tanden tot zijn kaken er pijn van deden. Hij greep zijn stok, keek recht voor zich uit en zette zich weer in beweging.

 

Een lichtstipje in de nacht

Ushi moest zich beheersen om niet hardop te huilen. Zij was degene die op het dwaze idee kwam om tussen die muskusossen te kruipen. Zelf had ze ongelooflijk veel geluk gehad, maar Thuan moest nu boeten voor haar domheid! Ze zag zijn gezicht steeds witter worden. Langzaam maar zeker begon ze te wanhopen. Ze moest Thuan redden, maar hoe? Terugkeren naar de nederzetting? Nee dus. Dat weigerde hij eenvoudigweg. Bovendien waren ze er veel te ver vandaan. Zoals hij er nu aan toe was, zou Thuan dat nooit halen.
Voor het donker moest ze in elk geval een beschutte plek vinden, waar ze een vuur aan kon leggen. Ze was bang dat Thuan de nacht anders niet zou overleven.
De lange zomerdagen waren al lang verleden tijd. De avond naderde nu snel en de eerste sterren verschenen aan een donkerblauw kleurende hemel. Een grote sneeuwuil vloog geluidloos langs hen heen.
Ushi speurde het terrein af. Thuan leek er niets meer van te zien. Hij sleepte zich al steunend op zijn stok steeds moeizamer voort en kreunde zachtjes bij elke stap. Het was een wonder dat hij er nog altijd in slaagde de ene voet voor de andere te krijgen. De meeste gezonde jongens van de stam, die wel normaal konden lopen, zouden het in Thuans plaats al lang opgegeven hebben, dacht ze. Dan mocht zij zeker niet voor hem onderdoen. Wat er ook gebeurde, zo lang er nog een sprankje hoop was, zou ook zij het niet opgeven!
Het was al bijna geheel donker en nog altijd was nergens om hen heen een behoorlijke schuilplek te bekennen. Ushi had al besloten gewoon aan de luwzijde van het eerste het beste rotsblok een vuur aan te leggen, toen ze plotseling een vaag lichtstipje aan de horizon zag. Even dacht ze dat het een laagstaande ster was. Maar toen ze een stukje verder liep, veranderde de plek van het lichtpuntje, terwijl de echte sterren gewoon op hun plek bleven.
Het kon dus alleen nog maar een vuur zijn. En dat betekende dat daar ergens voor hen mensen waren! Ushi hijgde van opwinding en kreeg meteen weer hoop.
Maar wat als dit onbekenden waren? In deze tijd van het jaar zwierven soms nog nomaden over de vlakte, die getemde rendieren gebruikten om hun tenten te dragen.
Pas als de echte winter viel, trokken die weg naar warmere streken. Ushi wist dat de nomaden niet erg gesteld waren op de vaste bewoners van deze streken, andersom ook niet trouwens.
Maar had ze wel een keus.? Nee, ze móest Thuan wel daarheen brengen! Als ze niet snel een warme plek vond, waar Thuan kon rusten, was hij verloren.
Het laatste stuk kon Thuan niet meer zonder hulp verder. Ushi sloeg dus Thuans vrije arm, die niet op de stok steunde, om haar nek en sleepte hem zo het laatste eind verder in de richting van het vuur.
Toen ze daar eindelijk aankwam en de vlammen voor haar oplaaiden, zag ze dat er slechts één gedaante bij het vuur zat. Op dat moment waren ook Ushi’s krachten uitgeput. Nog voor de man bij hen was, zakte ze naast Thuan in elkaar.

 

Geen tijd voor kletspraatjes

‘Thuan! Ushi!’ hoorde Thuan iemand voor hem roepen. ‘Hoe komen jullie hier?’
Het leek of die stem van heel ver kwam. Maar het was de stem van zijn vader!
Toen pas leek Thiari te zien hoe uitgeput Ushi was en dat Thuan roerloos bleef liggen. Hij kwam naast hen zitten, legde een hand op Thuans voorhoofd en keek Ushi vragend aan.
‘Is Thuan alleen maar doodmoe of is er meer aan de hand?’ vroeg hij.
Ushi wist het ook niet zeker en haalde hulpeloos de schouders op.
Thuan ging met veel moeite rechtop zitten en gaf zelf antwoord. ‘Ik heb een trap van een muskusos gehad,’ bracht hij haperend uit. ‘Dat doet erg pijn, maar verder mankeer ik niets. Ik moet alleen wat rusten, want we hebben de hele dag gelopen.’
‘Weten jullie dan niet hoe gevaarlijk het op de toendra kan zijn?’ zei Thiari. ‘Als op de open vlakte een sabeltandtijger lucht van je krijgt, ben je reddeloos verloren.’
‘Vader,’ zei Thuan. ‘Ik ken die gevaren intussen heel goed, maar ik moest u wel gaan zoeken. Orrik is nu de aanvoerder. Hij zegt dat de mislukte jacht uw schuld is omdat u de geesten boos heeft gemaakt. En omdat Ullah de sjamaan hetzelfde zegt, durft niemand hem tegen te spreken.’
‘Voor de kletspraatjes van Orrik hebben we nu geen tijd,’ zei Thiari, ‘en Ullah draait ook wel weer bij als ik eenmaal terug ben. Ik heb nu belangrijker zaken aan mijn hoofd. Ik moet tot elke prijs het vuur brandend zien te houden, want in de kloof achter mij is een mammoetkudde. Je weet hoe bang mammoeten voor vuur zijn.’
Ushi begreep het niet helemaal. ‘Maar kunnen de mammoeten dan niet gewoon aan de andere zijde uit de kloof?’vroeg ze.
‘Nee,’ zei Thiari. ‘Ik ken deze kloof. Die eindigt bij een diepe afgrond. Jaren geleden hebben de jagers hier al eens met brandende fakkels een hele kudde over de rand gedreven.’
De pijn in Thuans borst en buik keerde in alle hevigheid terug, maar hij weigerde er aan toe te geven. Daar was nu geen tijd voor, want hij begreep Thiari’s probleem meteen. Hij kon niet én het vuur brandend houden én de jagers gaan waarschuwen.
Thiari begon snel te spreken. ‘Ik had al zo veel mogelijk takken op het vuur gestapeld en stond op het punt naar de nederzetting terug te keren om de jagers te halen. Maar dan was het vuur zo goed als zeker gedoofd voordat ik met hen terug was en waren de mammoeten waarschijnlijk ontsnapt. Nu kunnen jullie samen het vuur brandend houden, als ik de jagers ga halen. Ik help eerst met het verzamelen van meer takken en vertrek dan meteen.’
‘Midden in de nacht?’ riep Ushi uit. ‘Kunt u dan niet wachten tot morgenvroeg?’
‘Dat had gekund als er hier rondom meer hout te vinden was,’ zei Thiari. ‘Maar dat is niet zo. Alleen als ik nu meteen ga, kunnen de jagers misschien hier zijn, voordat het vuur dooft. En gelukkig is het een heldere nacht. Aan het licht van de sterren heb ik meer dan genoeg om de weg te vinden.’

 

Net op tijd en toch net te laat …

Ushi wist dat Thuan er slechter aan toe was dan hij Thiari verteld had. Maar ondanks haar protesten had hij toch meegeholpen bij het zoeken van brandhout. Meteen nadat Thiari in het duister van de nacht verdween om de jagers te halen, zakte Thuan naast het vuur in elkaar. Een hele tijd was hij niet in staat een woord uit te brengen en af en toe spuwde hij weer bloed. Ushi voelde zich nog schuldiger dan na hun avontuur bij de muskusossen. Zij had Thiari moeten vertellen hoe slecht Thuan er aan toe was. Maar had dat dan enig nut gehad? Thiari moest hoe dan ook zo snel mogelijk vertrekken om hulp te halen. Was dat niet ook voor Thuan het beste? Ze kreeg een brok in haar keel en bijna barstte ze in tranen uit.
Maar ze had nu geen tijd om te huilen. Als ze het vuur liet doven, konden de mammoeten ontsnappen en dat kon de hongerdood voor heel de stam betekenen!
Gelukkig was er vlakbij een kleine waterpoel. Telkens als zij na het opstoken van het vuur van vermoeidheid in slaap dreigde te sukkelen, liep ze daarheen en kletste met de kom van haar handen ijskoud water in haar gezicht. Af en toe ging ze bij Thuan kijken en liet hem wat drinken. Er kwam nu geen bloed meer. Wel hoestte hij met voortdurend en dan vertrok zijn gezicht elke keer van de pijn.
Eindelijk begon het licht te worden. Dat was net op tijd, want zonet had Ushi de laatste takken op het vuur gegooid. Nu ze weer wat beter kon zien, ging ze meteen op weg om nieuw brandhout te zoeken. Ze moest daarvoor een eind lopen, want vlak bij de ingang van de kloof had Thiari blijkbaar al alles gevonden dat brandbaar was.
Toen ze eindelijk met een handvol takken bij Thuan terugkeerde, dacht ze dat haar hart stil zou blijven staan. Het vuur was bijna gedoofd. Een reusachtige mammoetstier stond haar vlak daarachter met bloeddoorlopen ogen aan te kijken. Hij schraapte met een voorpoot over de grond en schudde zijn gele slagtanden heen en weer. Even verder, in het smallere gedeelte van de kloof, stond de rest van de mammoetkudde.
Thuan stond recht voor het dier. Hij had een nog smeulende tak uit de resten van het vuur getrokken en al moest hij duidelijk zijn uiterste best doen om overeind te blijven, toch zwaaide hij ermee boven zijn hoofd. Ushi aarzelde geen moment en volgde zijn voorbeeld. Een paar tellen later stond zij naast Thuan en gilde uit alle macht naar de stier. Ze moesten dat dier tegenhouden! Anders zou de rest van de kudde hem volgen en dan was alles verloren.
De mammoetstier liet zich door die twee nietige wezens met een paar rokende takjes niet langer afschrikken. Hij hief zijn slurf omhoog, trompetterde een keer luid en stormde naar voren.

 

Op dat moment klonken achter hen luide kreten. Ushi keek achter zich en zag een grote groep jagers, met Thiari voorop, luid schreeuwend en zwaaiend met brandende fakkels, aan komen rennen.
De stier stond stil, aarzelde even, draaide zich om en verdween met de rest van de kudde naar de andere zijde van de kloof. Ushi voelde even een steek van medelijden. Ze wist hoe het straks met de dieren af zou lopen.
Toen zag ze Thuan roerloos op de grond liggen, de uitgedoofde tak nog in zijn hand geklemd. Ushi bukte zich en legde een hand op zijn borst om te voelen of hij nog ademde. Maar Thuans ogen zeiden genoeg. Die waren wijd opengesperd en staarden bewegingloos naar de hemel. Ushi gilde het uit van wanhoop. Ze wilde dit niet geloven! Ze greep Thuan bij de schouders en schudde hem door elkaar, alsof dat zijn leven terug kon brengen. Thiari zonk met de handen voor het gezicht naast Ushi op zijn knieën.
Orrik had alles gezien. Hij volgde de rest van de jagers niet, maar knielde ook bij Thuans lichaam neer.
‘Thiari,’ zei hij. ‘ik heb me heel erg in jou vergist en nog meer in je zoon. Thuan is nu voorgoed in het land van de geesten. Als die zien hoe moedig jullie beiden waren, zullen ze ons willen helpen. Ze zullen Ullah in zijn dromen weer vertellen waar de jagers dieren kunnen vinden en de stam zal geen honger meer kennen.’
Ushi wist niet of Orrik helemaal meende wat hij zei. Maar op dit ogenblijk maakte het haar niets uit. Woorden konden haar nu toch niet troosten. Alle woorden van heel de wereld konden Thuan niet uit de dood terug brengen!
Het duurde lang voordat Thiari weer iets kon zeggen. ‘Niemand kan me mijn zoon terugbrengen,’ zei hij tegen de huilende Ushi en hij sloot haar in zijn armen, ‘maar ik kan er wel voor zorgen dat de enige die Thuan nooit in de steek heeft gelaten, weer een vader krijgt die voor haar zorgt en die vader wil ik zijn.’
Thiari hoefde niet mee te helpen bij het opdrijven van de mammoetkudde. De rest van de jagers joeg de dieren onder leiding van Orrik met brandende fakkels op tot ze tenslotte in paniek op hol sloegen en op het einde van de kloof in de afgrond stortten.
Diezelfde dag nog werd Thuan onder een grote steenhoop begraven, precies op de plaats waar hij met Ushi het vuur brandend hield en waar ze gezamenlijk de mammoetstier tegengehouden hadden. De slagtanden werden op Thuans graf gelegd.

 

***

 

In de jaren daarna leidde Thiari de jagers weer en leverde de jacht meer dan genoeg op om de winter door te komen.
En Ushi? Een paar jaar later trok zij samen met de zoon van Orrik in een rondhuis. Negen maanden daarna kreeg zij een kerngezonde zoon. Een passende naam voor de jongen had ze al lang voor de geboorte gekozen…

 

 

 

Eén reactie op “Historische boeken

  1. Gezien je leeftijd en schrijfkwaliteiten heb je nog alle kansen van de wereld om dit te verbeteren, Nienke.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s